Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2858

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/444234 / JE RK 26-117
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 PaspoortwetArt. 36 PaspoortwetArt. 1.1 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende toestemming voor aanvraag Nederlands reisdocument minderjarigen

De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van Nederlandse reisdocumenten voor twee minderjarigen die onder toezicht van de GI staan. De minderjarigen wonen bij hun moeder, die het verzoek steunt. De vader, die mede het ouderlijk gezag uitoefent, weigert medewerking en is onbereikbaar.

De kinderrechter stelde vast dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij over geldige identiteitsbewijzen beschikken, onder meer voor vakanties, schooluitjes en medische bezoeken. De GI heeft herhaaldelijk geprobeerd contact met de vader te krijgen, maar zonder resultaat.

Op grond van artikel 36 lid 1 van Pro de Paspoortwet kan de rechter vervangende toestemming verlenen als een gezagsdrager weigert toestemming te geven. De kinderrechter achtte het verzoek van de GI daarom gegrond en wees het toe. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verleent vervangende toestemming voor het aanvragen van Nederlandse reisdocumenten voor de minderjarigen en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444234 / JE RK 26-117
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over het verzoek tot verkrijging van
vervangende toestemming voor het aanvragen van een reisdocument
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. P.B.J. Dekker, te Goirle,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026;
  • het bericht van mr. Dekker, ontvangen op 12 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader en mr. Dekker zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening naar voren te brengen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 1 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt op grond van artikel 36 lid 1 Paspoortwet Pro vervangende toestemming te verlenen voor het verkrijgen van een Nederlands reisdocument ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Door de GI is middels het verzoek en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet in het bezit zijn van een identiteitsbewijs. Dit terwijl het in Nederland verplicht is voor minderjarigen om een geldig identiteitsbewijs te hebben, met name als zij naar het buitenland op vakantie willen. Ook is het hebben van een identiteitsbewijs van belang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor verschillende zaken die bijdragen aan een positieve ontwikkeling, zoals schooluitjes en medische bezoeken. Al gedurende de detentie van de vader, die liep tot 15 september 2025, is hem gevraagd om mee te werken aan het verkrijgen van een identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Destijds zonder resultaat. Nadien is nog vele malen geprobeerd om met de vader in gesprek te komen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en om medewerking van de vader te krijgen betreffende het aanvragen van een identiteitsbewijs voor hen. Tot op heden nog steeds zonder resultaat. De vader is inmiddels ook onbereikbaar voor de GI. De berichtjes van de GI aan de vader komen sinds januari 2026 niet eens meer aan. Ook via de reclassering is het niet gelukt om met de vader in contact te komen. De GI verzoekt daarom vervangende toestemming voor het verkrijgen van de identiteitskaarten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.2.
Door de moeder is op de zitting aangegeven dat zij zich kan vinden in het verzoek van de GI. Zij wil graag de identiteitskaarten voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvragen. In augustus 2026 heeft zij met hen een vakantie naar Griekenland gepland, waarvoor identiteitsbewijzen nodig zijn.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet, wordt bij een aanvraag (van een reisdocument) door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent.
5.2.
In artikel 36 lid 1 van Pro de Paspoortwet is geregeld dat bij een aanvraag voor een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, indien een persoon die het gezag over de minderjarige uitoefent weigert een verklaring van toestemming af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter kan worden overgelegd. Lid 2 van dit artikel bepaalt onder meer dat de rechtbank een verklaring van toestemming kan afgeven op verzoek van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. De kinderrechter neemt de beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat het verzoek van de GI wordt toegewezen. De kinderrechter onderschrijft het door de GI aangevoerde belang dat zij over een reisdocument c.q. legitimatiebewijs dienen te beschikken. Dit is immers van belang voor vakanties, schooluitjes en medische bezoeken. De GI heeft herhaaldelijk geprobeerd om met de vader in contact te komen, maar zonder resultaat. Gelet op het voorgaande en nu het er naar uitziet dat de vader niet op korte termijn ineens wel bereikbaar zal zijn voor de GI en mee zal werken aan het aanvragen van identiteitsbewijzen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat vervangende toestemming wordt verleend om een identiteitsbewijs voor hen aan te vragen. De kinderrechter heeft zal het verzoek dan ook toewijzen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent vervangende toestemming – welke toestemming die van de gezaghebbende vader vervangt – voor de aanvraag van een Nederlands reisdocument ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier en op 13 maart 2026 op schrift gesteld.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.