Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2859

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/444983 / JE RK 26-252
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JwArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ernstige gedragsproblemen

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een 13-jarige minderjarige met ernstige gedragsproblemen en een onveilige thuissituatie. De minderjarige vertoont onder meer suïcidaliteit, automutilatie, hechtingsproblematiek en emotionele achterstanden, en onttrekt zich aan de huidige hulpverlening.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat eerdere hulpverlening, waaronder een behandelgroep en systeemtherapie, onvoldoende effect heeft gehad. De minderjarige verblijft feitelijk niet conform afspraken en heeft contact met onbekende personen via social media. De vader heeft plannen om naar Oostenrijk te verhuizen, en de moeder wenst nauwere betrokkenheid bij de zorg.

Gezien de ernst van de situatie en het ontbreken van minder ingrijpende alternatieven, is besloten de machtiging voor gesloten jeugdhulp toe te kennen voor een periode van drie maanden, met aanhouding van het resterende verzoek tot 4 juni 2026. De GI wordt verzocht verslag uit te brengen over de voortgang en eventuele handhaving van het resterende verzoek. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Machtiging gesloten jeugdhulp verleend voor drie maanden met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444983 / JE RK 26-252
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. B.J.P. van Gils uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. P.F.M. Gulickx uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026;
  • de op 10 maart 2026 van de GI ontvangen instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper, als bedoeld in artikel 6.1.2. lid 5 van de Jeugdwet.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 7 januari 2027.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 december 2025 tevens de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 juli 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft bij een behandelgroep van [accommodatie 1] te [plaats] .

3.Het verzoek

De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
Van de GI heeft de rechtbank op 10 maart 2026 een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper, als bedoeld in artikel 6.1.2. lid 5 van de Jeugdwet, ontvangen. Uit die verklaring blijkt dat de gedragswetenschapper instemt met gesloten jeugdhulp
voor de komende maanden.

4.Het standpunt van de verzoeker

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat [minderjarige] ’s leven zich kenmerkt door een veelvoud aan ingrijpende gebeurtenissen en een gebrek aan stabiliteit en veiligheid. [minderjarige] oogt enerzijds als een vrolijke en enthousiaste meid van 13, die graag geaccepteerd en geliefd wil worden door haar omgeving en erg probeert haar best te doen. Anderzijds kent zij een hoge mate van onzekerheid, negatieve gevoelens, zorgen over de thuissituatie, depressieve kenmerken en een gebrek aan eigenheid. Ook kan zij snel oplopen in spanning en emotie, wat voor anderen niet te volgen is en waar niet op tijd op kan worden ingespeeld. [minderjarige] ervaart deze emoties in alle hevigheid en verliest hierbij de controle. Zij heeft onvoldoende werkzame copingstrategiëen ontwikkeld, waardoor zij bij hoge spanning en stress wegloopt, automutileert of dreigt met suïcide. [minderjarige] heeft eerder een overdosis medicatie ingenomen. [minderjarige] heeft weinig tot geen vertrouwen in zichzelf en de ander en zij ervaart de wereld als onveilig.
4.2.
Op emotioneel gebied laat [minderjarige] een achterstand zien ten opzichte van haar kalenderleeftijd. Ook blijkt uit het in april 2024 afgenomen persoonlijkheidsonderzoek dat haar cognitieve capaciteiten op laag niveau zijn ontwikkeld en dat zij moeite heeft met het begrijpen van de wereld om haar heen. [minderjarige] is impulsief en doet vaak zonder eerst na te denken. Ook lijken fantasie en werkelijkheid door elkaar heen te lopen. Voor het sturen van haar gedrag is zij veelal nog afhankelijk van de volwassenen. Ook kent zij faalangst, is zij bang om niet geaccepteerd te worden en mensen om wie ze geeft te zullen verliezen of te worden verlaten. [minderjarige] kan ook boosheid/agressie tonen als reactie op frustraties en kritiek, maar tegelijkertijd is zij zelf bang om door anderen met agressie benaderd te worden. Daarnaast kampt zij met negatieve kernovertuigingen, zoals ‘ik doe alles fout’, ‘niemand houdt van mij’ en heeft zij onvoldoende geleerd gezonde relaties aan te gaan en te onderhouden, waardoor zij op zichzelf aangewezen is.
4.3.
[minderjarige] kampt met hechtingsproblematiek en er lijkt bij haar sprake te zijn van rolomkering, waardoor zij niet toe lijkt te komen aan haar eigen ontwikkeling en behandeling op de groep. Zij lijkt in beslag genomen te worden door zorgen over/voor haar vader. Ook denkt zij schuldig te zijn aan de epileptische aanvallen van de vader. De vader ervaart de opvoeding als zwaar en krijgt de basisbehoeften onvoldoende op orde. Hij is erg afhankelijk van anderen, heeft medische problemen en heeft zijn huishouden onvoldoende op orde. Vanuit overbelasting en vermoeidheid kan de vader naar [minderjarige] onvoldoende responsief en sensitief reageren. Ook heeft hij weinig tot geen zicht op haar ontwikkeling, zorgen en behoeften en lukt het hem onvoldoende om [minderjarige] te motiveren naar de groep te gaan, haar schoolgang te hervatten of om behandeling aan te gaan. Tevens is de vader pedagogisch onmachtig, wat blijkt uit meerdere uitlatingen van [minderjarige] dat zij van de vader een pedagogische tik heeft gekregen. Tevens worden de emotionele kwetsbaarheid, de last die [minderjarige] ervaart en haar zorgen niet door de vader gezien. [minderjarige] voelt zich daardoor onvoldoende gezien en gehoord. Gezien wordt echter ook dat [minderjarige] de vader kan bespelen, ongevoelig is voor straf, zelfbepalend kan zijn en moeite heeft met het herkennen en accepteren van andermans grenzen.
4.4.
[minderjarige] is door alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden kwetsbaar. Desondanks onderhoudt zij via social media contacten met mensen die ze niet kent. Ook is zij steeds sociaal-wenselijk richting de hulpverlening, is er bij haar sprake van een Post Traumatische Stressstoornis, maar komt zij desondanks niet toe aan traumabehandeling, gaat zij niet naar school en heeft zij geen zinvolle dagbesteding. Daarnaast onttrekt zij zich aan de behandelgroep van [accommodatie 1] . Feitelijk verblijft zij gedurende langere tijd - tegen de afspraken in - bij de vader. Tijdens de laatste zitting is besproken dat de vader bezig is met een verhuizing naar Oostenrijk. Van de rechtbank heeft hij de opdracht gekregen om daarvoor een concreet plan te maken. [minderjarige] wil daarbij helpen, omdat het hem niet alleen lukt om hier stappen in te zetten. De GI ziet een kwetsbare vader die werkelijk hulp nodig heeft die naast hem staat. Het huidige contact tussen [minderjarige] en de moeder is onbetrouwbaar.
4.5.
De GI maakt zich zorgen over de mate waarin [minderjarige] nu niet tot ontwikkeling komt en zij steeds meer lijkt af te glijden in negatief en destructief gedrag. Patronen worden
onvoldoende doorbroken, ondanks de vele hulpverlening die is geprobeerd in de vorm van een behandelgroep, motiverende gespreksvoering, hulpverlening voor de vader en systeemtherapie. Aan de huidige situatie kleven reële risico’s op het ontwikkelen van isolatie, trauma, angst, depressie, (seksueel) misbruik of het belanden in het criminele circuit. Ook is er al sinds langere tijd sprake van automutilatie. Een gesloten plaatsing wordt daarom als laatste mogelijkheid gezien om in te grijpen op een wijze die nog ruimte biedt voor herstel en vooruitgang in de schade die [minderjarige] in haar leven al heeft opgelopen. Er zal, in geval van toewijzing van het verzoek, naar een groep voor kwetsbare meisjes gezocht gaan worden. Op dit moment ontbreekt het aan concrete plaatsingsmogelijkheden. Met deze toelichting handhaaft de GI haar verzoek om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Ook kan de GI instemmen met een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden, waarbij de beslissing op het restantverzoek wordt aangehouden.

5.Het standpunt van [minderjarige] en haar advocaat

5.1.
[minderjarige] , afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, heeft samengevat verklaard dat zij op het terrein van [accommodatie 1] dagbesteding heeft, te weten koken, sporten en het spelen van spelletjes, waar zij plezier aan beleeft. Zij gaat nog niet naar school, wel heeft zij gevraagd of het mogelijk is dat zij naar [accommodatie 2] kan. Ondanks dat zij fijne dagbesteding heeft, ervaart zij op de behandelgroep problemen met bepaalde personen, die voornamelijk interesse hebben in haar lichaam, waardoor haar vertrouwen erg is geschaad. Omdat zij die situatie niet langer aan kon is zij meerdere keren weggelopen van de groep, en heeft zij langere tijd bij haar vader verbleven. Zij heeft veel moeite met het verzoek, dat is ingediend, omdat zij er zeker van is dat gesloten jeugdhulp haar niet gaat helpen, maar dat haar situatie daar alleen maar door zal verergeren. Bovendien heeft zij geen last meer van vervelende gedachten. Het liefst wil zij bij haar vader wonen. Hij maakt plannen om naar Oostenrijk te verhuizen. Daarvoor zal hij op 14 april 2026 naar Oostenrijk afreizen. Wanneer zij niet bij haar vader mocht kunnen wonen zou zij het liefst bij haar moeder willen verblijven. Als dit allemaal niet mogelijk is ziet zij als oplossing, bij wijze van alternatief, dat zij afwisselend een week op de groep en een week bij haar vader, althans bij één van haar ouders is.
5.2.
De advocaat van [minderjarige] heeft - samengevat - naar voren gebracht dat er eerder een verzoek tot het verlenen van een machtiging voor gesloten jeugdhulp is ingediend voor beperktere duur, te weten drie maanden. Tijdens de mondelinge behandeling van dat verzoek op 31 oktober 2025 heeft hij gewezen op de gedateerdheid van de informatie in het verzoekschrift, alsook van de nadien door [accommodatie 1] verstrekte update. Een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp, hoewel door de GI niet verzocht, had op dat moment meer op zijn plaats geweest. Dit gold temeer omdat zich de situatie voordeed dat [minderjarige] van maandag tot en met donderdag bij [accommodatie 1] was geweest en zij daarom de kans verdiende om te laten zien dat zij deze positieve lijn voort kon zetten. Daarop heeft de GI op 8 december 2025 bericht dat het [minderjarige] lukte om zich aan de afspraken te houden en aanwezig te zijn op de behandelgroep en dat zij daarom haar verzoek introk. Het verzoek is vervolgens bij beschikking van 6 januari 2026 afgewezen.
5.3.
Er wordt nu verzocht een machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor de duur van zes maanden. Door de gedragswetenschapper is echter geen exacte termijn is benoemd. Ondanks het aanvankelijke enthousiasme bij [minderjarige] over de behandelgroep en over haar begeleiding en de dagbesteding is duidelijk geworden dat zij de plaatsing op deze groep niet consequent heeft weten vol te houden. Gebleken is dat [minderjarige] daar veel stress ervaart en dat de situatie, waarin zij zich bevindt, ertoe leidt dat zij wegloopt en gaat automutileren. Hoewel [minderjarige] eerder een laatste kans heeft gekregen om een gesloten plaatsing te voorkomen blijft het zeer de vraag of gesloten jeugdhulp voor haar problematiek en de situatie, waarin zij zich bevindt, een oplossing biedt. Het zou beter zijn indien andere minder ingrijpende mogelijkheden worden onderzocht, te weten dat [minderjarige] bij voorkeur bij haar vader na de verhuizing in Oostenrijk gaat wonen, ofwel dat zij, nadat aan contactherstel is gewerkt, bij de moeder gaat wonen. [minderjarige] heeft toegezegd dat zij na de mondelinge behandeling ter zitting direct terugkeert naar de behandelgroep. Op grond van alle hiervóór toegelichte omstandigheden en factoren stelt hij zich namens [minderjarige] primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Indien de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt hij, bij wijze van subsidiair standpunt, de machtiging gesloten jeugdhulp te verlenen tot een door de rechtbank nader te bepalen beperktere periode, zij het voor maximaal drie maanden en het restantverzoek af te wijzen, dan wel aan te houden, in afwachting van het verdere verloop.

6.De standpunten van de belanghebbenden

6.1.
Door en namens de vader is - samengevat - naar voren gebracht dat de vader erkent dat er zorgen zijn rondom [minderjarige] . Ook deelt hij het standpunt van de GI dat [minderjarige] tijdig overeenkomstig de afspraken op de groep dient terug te keren en dat zij naar school dient te gaan. Niettemin heeft de vader veel moeite met het verzoek om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te plaatsen. Dit in de eerste plaats wegens de timing van dat verzoek. Immers heeft hij inmiddels concrete plannen gemaakt om zich in Oostenrijk te vestigen. Hij zal daartoe op 14 april 2026 naar Oostenrijk afreizen in verband met het zoeken naar een woning en werk. De vader ziet voor [minderjarige] als de meest aangewezen oplossing dat, zodra hij zijn plannen heeft weten te realiseren, zij mee gaat met hem naar Oostenrijk. Verder zorgt het ontbreken van een termijn in de verklaring van de gedrags-wetenschapper voor onduidelijkheid en onvoldoende houvast. Rekening houdend met deze omstandigheden en factoren dient in geval van toewijzing van het verzoek de machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een zo kort mogelijke periode te worden verleend, zij het voor maximaal drie maanden en dient het restantverzoek te worden afgewezen.
6.2
Door de moeder is opgemerkt dat, gezien de problemen waarmee [minderjarige] kampt, zij volgens haar met name behoefte heeft aan een zorg- en opvoedsituatie, waar zij voldoende structuur geboden krijgt en ondersteuning, bedoeld om ervoor te zorgen dat zij weer naar school gaat. Zelf wordt zij als ouder tot dusver over de ontwikkeling van [minderjarige] onvoldoende op de hoogte gehouden en loopt ook het contact tussen haar en [minderjarige] niet zoals dit zou moeten. Dit zou zij erg graag anders zien. Zij wil nauwer bij [minderjarige] en haar ontwikkeling worden betrokken en wil dat met haar de samenwerking wordt gezocht. Hoewel zij dit meermalen aan de GI kenbaar heeft gemaakt, is daar vervolgens niets mee gedaan. Verder heeft zij veel moeite met het verzoek om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te plaatsen. Daarom zou zij willen dat de GI daarvoor serieus naar alternatieven zoekt. Ook wenst zij dat het wonen van [minderjarige] bij haar als optie bij dat onderzoek wordt betrokken.

7.De beoordeling

7.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.
[minderjarige] heeft in het verleden veel meegemaakt. Daardoor komt zij niet goed tot ontwikkeling, is er sprake van ernstige gedragsproblematiek en gaat zij niet naar school. Gezien wordt dat [minderjarige] naast een positieve en innemende kant tevens een onzekere kant heeft, die zorgt voor negatieve en onveilige gevoelens, depressiviteit, zorgen over haar ouders, problemen met haar emotieregulatie, suïcide pogingen en automutilatie. Daarvoor is hulpverlening ingezet, waaronder door middel van een uithuisplaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder 24-uurs. Vervolgens bleek dat deze plaatsing feitelijk niet werd uitgevoerd, omdat [minderjarige] maar enkele dagen aanwezig was op de groep en zij wegliep en zichzelf in gevaarlijke situaties bracht. Vervolgens is naar aanleiding van die situatie door de GI op 7 oktober 2025 een verzoek ingediend tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie. De GI heeft dit verzoek op 8 december 2025 ingetrokken, waarvoor zij als reden opgaf dat het [minderjarige] op dat moment weer lukte om zich aan de afspraken te houden en aanwezig te zijn op de behandelgroep.
7.3.
Uit de inhoud van het actuele verzoek en het verhandelde ter zitting blijkt dat [minderjarige] zich opnieuw aan de zorg en behandeling in het kader van de uithuisplaatsing bij [accommodatie 1] heeft onttrokken. Zij laat naar de hulpverlening sociaal-wenselijk gedrag zien, maar tegelijkertijd onderhoudt zij nog steeds via social media contacten met voor haar onbekende personen en verblijft zij - tegen de afspraken in - langer bij de vader, naar wie zij grote betrokkenheid toont en ondersteuning wil bieden bij zijn plannen om naar Oostenrijk te verhuizen. Dit heeft tot gevolg dat [minderjarige] niet aan traumabehandeling en dagbesteding toekomt en zij bovendien niet naar school gaat. Aangezien er al langere tijd zorgen zijn over [minderjarige] ’s gedrag en ontwikkeling, zij intussen de nodige kansen heeft gekregen om te laten zien dat zij met de beschikbare hulp en ondersteuning serieus aan zichzelf wil werken en deze kansen door haar niet of onvoldoende zijn aangegrepen, is de kinderrechter van oordeel dat gesloten jeugdhulp de enige nog resterende optie is om de huidige negatieve spiraal waarin haar ontwikkeling zich bevindt om te buigen.
7.4.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de GI machtigen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Wel ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing in duur te beperken tot drie maanden en de beslissing op het resterende deel van het verzoek aan te houden tot de hierna in het dictum vermelde pro forma datum. Dit gelet op de omstandigheid dat de vader plannen heeft gemaakt om naar Oostenrijk te verhuizen, hij daartoe al concrete stappen heeft ondernomen en de moeder heeft aangegeven in zorg- en opvoedkundig opzicht een grotere rol te willen gaan vervullen. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat deze opties door de GI nader worden onderzocht. De GI wordt daarom verzocht de rechtbank en de advocaat van de vader en de moeder
uiterlijk op 21 mei 2026schriftelijk daarover verslag uit te brengen en daarbij tevens aan te geven of zij het restantverzoek handhaaft.
7.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 tot 11 juni 2026;
8.2.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI aan tot
4 juni 2026 Pro Forma, in afwachting van een schriftelijk verslag van de GI, als bedoeld in in alinea 7.4;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.