Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2861

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/442743 / JE RK 25-2178, C/02/445677 / JE RK 26-366
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 6.1.2 tweede lid Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige tot meerderjarigheid

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van een ondertoezichtstelling en een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige geboren in 2008. De minderjarige is sinds 2012 onder toezicht gesteld en verblijft sinds 2022 in een netwerkpleeggezin en later in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Het ouderlijk gezag is sinds 2023 bij de vader.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door een belast verleden met verwaarlozing, huiselijk geweld en wisselende verblijfplaatsen. Er zijn grote zorgen over haar welzijn vanwege traumaklachten, zelfbeschadigend gedrag en emotionele problematiek. De gesloten plaatsing biedt stabiliteit en begeleiding die noodzakelijk is voor haar veiligheid en ontwikkeling.

De GI heeft het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling tot aan de meerderjarigheid ingediend en tevens een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor zes maanden vanaf 18 maart 2026. De minderjarige stemt in met het verblijf in de gesloten accommodatie en ervaart daar rust en goede begeleiding. De vader ondersteunt het verzoek en benadrukt het belang van een passende vervolgplek.

De kinderrechter wijst het verzoek om verlenging van de gesloten jeugdhulp voor de periode na 18 maart 2026 af omdat dit deel van het verzoek is ingetrokken. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 10 december 2026 en de machtiging voor gesloten jeugdhulp wordt verleend tot 18 september 2026. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege de noodzaak voor de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot haar meerderjarigheid en de machtiging voor gesloten jeugdhulp wordt verleend voor zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers:
C/02/442743 / JE RK 25-2178
(restant machtiging gesloten jeugdhulp)
C/02/445677 / JE RK 26-366
(verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. M.V. de Nooijer uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
In de zaak C/02/442743 / JE RK 25-2178
- de beschikking van 18 december 2025 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
In de zaak C/02/445677 / JE RK 26-366
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 27 februari 2026, ontvangen op 27 februari 2026;
  • de instemmende verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper [persoon] van 4 maart 2026, ontvangen op 5 maart 2026.
1.2.
Op 12 maart 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • [minderjarige] met haar advocaat (vooraf ook apart gehoord);
  • de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 27 april 2012 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze
maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 27 april 2026.
2.2.
Bij beschikking van 27 juni 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige]
in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders (moederszijde), verleend met ingang van
27 juni 2022 en tot 1 november 2022. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het
laatst tot 27 april 2025.
2.3.
Bij beschikking van 21 april 2023 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd. De vader is sindsdien alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
Bij beschikking van 31 december 2024 is toestemming verleend tot een wijziging
van het verblijf van [minderjarige] en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 31 december 2024 en
tot 14 januari 2025. Het overige deel van het verzoek is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 7 januari 2025 is toestemming verleend tot een wijziging van
het verblijf van [minderjarige] . Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 14 januari 2025 en tot
27 april 2025. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde, in aansluiting op de
voornoemde machtiging verleend en tot 27 april 2025.
2.6.
Bij beschikking van 12 januari 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige]
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin (grootouders waar [minderjarige] eerder
verbleef) met ingang van 12 januari 2025 en tot 26 januari 2025, onder aanhouding van het
resterende deel van het verzoek.
2.7.
Bij beschikking van 17 januari 2025 is de spoedbeslissing van 12 januari 2025
herroepen voor zover het betreft de beslissing om [minderjarige] tot 26 januari 2025 met een
machtiging uithuisplaatsing in een pleeggezin (grootouders waar [minderjarige] eerder verbleef) te
plaatsen en is het resterende deel van het verzoek afgewezen.
2.8.
Bij beschikking van 7 februari 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit
huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 7 februari
2025 en tot 21 februari 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.9.
Bij beschikking van 20 februari 2025 is het resterende deel van het verzoek
omtrent de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp afgewezen. Bij dezelfde beschikking is een
machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor
jeugdhulp met ingang van 20 februari 2025 en tot 3 april 2025.
2.10.
Bij beschikking van 28 maart 2025 is er een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis
te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 3 april 2025 en tot
27 april 2025. Deze is verlengd tot 27 oktober 2025. Bij beschikking van 6 oktober 2025 is
een machtiging verleend voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder per 27
oktober 2025 en tot 27 april 2026.
2.11.
Bij beschikking van 5 december 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige]
te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met
ingang van 5 december 2025 tot 19 december 2025 onder aanhouding van de overige
verzoeken.
2.12.
Bij beschikking van 18 december 2025 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 18 december 2025 en tot 18 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.13.
[minderjarige] verblijft op basis van die beschikking bij [accommodatie] te [plaats] .

3.Het verzoek

In de zaak C/02/442743 / JE RK 25-2178
3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vijf maanden.
3.2.
Aan de orde is het resterende deel van het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van 18 maart 2026 en tot 18 mei 2026.
3.3.
Tijdens de zitting heeft de GI het restende deel van het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp ingetrokken.
In de zaak C/02/445677 / JE RK 26-366
3.4.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan haar meerderjarigheid en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.5.
De GI verzoek een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden, ingaande op 18 maart 2026.

4.De standpunten

4.1.
In het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij instemt met het verzoek van de GI. Zij vindt het prima om bij [accommodatie] te verblijven totdat er een geschikte plek is gevonden in een drie-milieu-voorziening. De afgelopen periode is het goed gegaan bij [accommodatie] . [minderjarige] eet goed en staat nog onder controle van het ziekenhuis. [minderjarige] heeft fijne begeleiders en ook goed contact met haar vertrouwenspersoon. Zij doen leuke dingen samen en kunnen goede gesprekken voeren. [minderjarige] heeft in haar behandeling bij [hulpverlening] grote stappen gezet. Er is aan haar gevraagd of zij de gesprekken wil voortzetten, maar [minderjarige] heeft liever dat de behandeling stopt. Verder geeft [minderjarige] aan dat zij onderwijs volgt op het [school] bij [accommodatie] en dat zij het hier naar haar zin heeft. Het contact met haar opa en oma is goed. Onlangs is zij met verlof gegaan en heeft zij de dag samen met haar opa en oma doorgebracht. Met haar broer, vader en moeder heeft [minderjarige] op dit moment geen contact.
De advocaat van [minderjarige] vult nog aan dat het verzoek van de GI kan worden toegewezen. De komende periode moet er naar een geschikte vervolgplek gezocht worden en de advocaat vindt het van belang dat [minderjarige] in dit proces wordt meegenomen.
4.2.
De GI licht toe dat de gesloten plaatsing goed verloopt. Het is de bedoeling dat [minderjarige] bij [accommodatie] blijft tot er een geschikte plek in een drie-milieu-voorziening binnen de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) is gevonden. Als werken en leren, begeleiding en wonen op één plek zijn geeft dat [minderjarige] veel rust. [minderjarige] moet hiervoor nog een indicatie krijgen en dit is een ingewikkeld traject. De jeugdbeschermer van [minderjarige] is hiermee bezig en pas dan kan [minderjarige] aangemeld worden bij de juiste voorzieningen. Wanneer dit niet lukt, zal gekeken moeten worden naar de andere (drie-milieu-)voorzieningen, die niet vallen onder de Wlz. [accommodatie] is op dit moment voor [minderjarige] de meest passende plek om te werken aan stabiliteit. De komende periode zullen de verloven worden uitgebreid, zodat [minderjarige] kan leren hoe zij moet omgaan met meer vrijheden.
4.3.
De advocaat van de vader heeft aangegeven dat wordt voldaan aan de juridische vereisten voor het verlengen van de ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp. Het verzoek kan derhalve worden toegewezen. De vader wordt middels de ondertoezichtstelling goed op de hoogte gehouden en kan daardoor met ondersteuning van de GI de juiste (gezags)beslissingen nemen. Bij [accommodatie] gaat het goed en de vader vindt het belangrijk dat er een goede vervolgplek voor [minderjarige] gevonden gaat worden. Ook omdat zij bijna achttien jaar wordt. Hij kan zich vinden in een drie-milieu-voorziening voor [minderjarige] en hoopt dat de Wlz-indicatie wordt verleend. In de toekomst hoopt de vader op contactherstel. De vader mist [minderjarige] en maakt zich zorgen. Hij vindt het hierbij wel van belang dat het tempo van [minderjarige] wordt gevolgd.

5.De beoordeling

In de zaak C/02/442743 / JE RK 25-2178
5.1.
Tijdens de zitting heeft de GI het resterende deel van het verzoek om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp ingetrokken.
5.2.
Nu dit deel van het verzoek is ingetrokken, behoeft dit geen beoordeling en beslissing meer. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek dan ook afwijzen.
In de zaak C/02/445677 / JE RK 26-366
Verlenging ondertoezichtstelling
5.3.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.4.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten zoals hierboven vermeld. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] , te weten tot 10 december 2026. De kinderrechter licht dit als volgt toe.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft een belast verleden, hetgeen gekenmerkt wordt door verwaarlozing, huiselijk geweld, het ontbreken van stabiele en beschikbare volwassenen en vele wisselingen in verblijfplaats. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [minderjarige] binnen een gedwongen kader hulp nodig heeft nu er grote zorgen zijn over het welzijn van [minderjarige] . De problematiek kenmerkt zich door traumaklachten, moeite met emotieregulatie, zelfbeschadigend gedrag en een patroon waarbij zij zichzelf bij oplopende spanning in gevaar kan brengen. Daarnaast is er sprake van familieproblematiek, hetgeen nog steeds een emotionele belasting vormt voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft op dit moment geen contact met haar broer, moeder en vader. De vader heeft gezag, maar kan hier zonder de GI geen goede uitvoering aan geven. Gelet op het voorgaande is het van belang dat de GI ook de komende periode nog betrokken blijft om regie te voeren in het proces en de belangen van [minderjarige] te bewaken.
5.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Machtiging gesloten jeugdhulp
5.7.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. En dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.8.
De kinderrechter is van oordeel dat, naast de formele vereisten in de Jeugdwet, is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. De kinderrechter zal derhalve het verzoek van de GI toewijzen. Dit betekent dat de kinderrechter de machtiging voor opname en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zal verlenen, met ingang van 18 maart 2026 en tot 18 september 2026. De kinderrechter legt dit hierna uit.
5.9.
De kinderrechter constateert dat het goed gaat met [minderjarige] bij [accommodatie] . De structuur van de gesloten plaatsing helpt [minderjarige] om dagelijkse zaken vol te houden, zoals het eten op vaste tijden en het volgen van onderwijs. Ook heeft [minderjarige] een vertrouwenspersoon waarbij zij haar verhaal kwijt kan en is haar behandeling bij [hulpverlening] succesvol afgerond. De kinderrechter ziet dat [minderjarige] in de afgelopen periode grote stappen heeft gezet en wil [minderjarige] hiervoor complimenteren.
5.10.
De kinderrechter maakt zich nog wel grote zorgen over het welzijn van [minderjarige] . [minderjarige] heeft in het verleden meerdere keren een grote hoeveelheid aan paracetamol ingenomen en is daardoor meermaals in het ziekenhuis opgenomen geweest. Naast deze intoxicaties is er ook sprake van zelfdestructief gedrag. [minderjarige] heeft moeite om met haar emoties en spanningen om te gaan en kan daardoor impulsief handelen. Daarnaast speelt de recent vastgestelde licht verstandelijke beperking een rol, waardoor zij moeite heeft om consequenties van gedrag te overzien en om aangeleerde vaardigheden in verschillende situaties toe te passen. In de afgelopen periode is er binnen de gesloten setting stabiliteit waargenomen. De structuur en begrenzing binnen de gesloten setting helpen [minderjarige] om haar dagelijkse structuur, veiligheid en stabiliteit te behouden. Daarnaast heeft zij in deze setting blijvende begeleiding om met stress en emoties om te leren gaan. De kinderrechter vindt het van belang dat de plaatsing van [minderjarige] bij [accommodatie] wordt voortgezet, tot er een passende vervolgplaats is gevonden in een drie-milieu-voorziening in het kader van de Wlz.
5.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
In de zaak C/02/442743 / JE RK 25-2178
6.1.
wijst het verzoek af;
In de zaak C/02/445677 / JE RK 26-366
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 10 december 2026;
6.3.
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
verleent de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 18 maart 2026 en tot 18 september 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.