De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 maart 2026 besloten om twee minderjarigen onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van twaalf maanden. Dit volgt op een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, die stelde dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd door het ontbreken van contact met hun vader en de onveilige situaties rondom hem.
De minderjarigen wonen bij hun moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De vader is erkend, maar er is al langere tijd geen contact tussen hem en de kinderen. Eerdere hulpverleningstrajecten, waaronder een traject bij De GezinsManager, zijn niet succesvol gebleken. De vader heeft een verleden van middelengebruik en detentie, maar werkt aan zijn herstel en staat open voor contactherstel.
De rechtbank oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en dat een gedwongen kader noodzakelijk is om het contact tussen vader en kinderen veilig en stapsgewijs te herstellen. De ondertoezichtstelling moet ervoor zorgen dat een jeugdzorgwerker de regie voert over het contactherstel en aanvullende hulpverlening kan inzetten. De ouders en de minderjarigen stemmen in met deze maatregel, die direct uitvoerbaar is verklaard.