Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2862

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/441302 / JE RK 25-1929
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarigen voor contactherstel met vader

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 maart 2026 besloten om twee minderjarigen onder toezicht te stellen van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor de duur van twaalf maanden. Dit volgt op een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, die stelde dat de ontwikkeling van de minderjarigen ernstig wordt bedreigd door het ontbreken van contact met hun vader en de onveilige situaties rondom hem.

De minderjarigen wonen bij hun moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De vader is erkend, maar er is al langere tijd geen contact tussen hem en de kinderen. Eerdere hulpverleningstrajecten, waaronder een traject bij De GezinsManager, zijn niet succesvol gebleken. De vader heeft een verleden van middelengebruik en detentie, maar werkt aan zijn herstel en staat open voor contactherstel.

De rechtbank oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en dat een gedwongen kader noodzakelijk is om het contact tussen vader en kinderen veilig en stapsgewijs te herstellen. De ondertoezichtstelling moet ervoor zorgen dat een jeugdzorgwerker de regie voert over het contactherstel en aanvullende hulpverlening kan inzetten. De ouders en de minderjarigen stemmen in met deze maatregel, die direct uitvoerbaar is verklaard.

Uitkomst: De minderjarigen worden voor twaalf maanden onder toezicht gesteld om het contactherstel met hun vader onder toezicht veilig te laten verlopen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441302 / JE RK 25-1929
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. C.G.M. Baas uit Bergen op Zoom,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
met een briefadres in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven in [plaats] ,
advocaat: mr. A.J.C. van Bemmel uit Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 28 oktober 2025 met bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
- het bericht van de Raad van 10 november 2025 met bijlagen;
- de door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingezonden reactieformulieren, binnengekomen bij de rechtbank op 9 februari 2026;
- het bericht van mr. Baas van 4 maart 2026 met bijlage.
1.2.
De behandeling van de zaak is, gelijktijdig met de ter griffie onder nummer C/02/419574 / FARK 24-910 ingeschreven zaak, met gesloten deuren op de zitting van
12 maart 2026 behandeld. De rechtbank heeft in voormelde zaak bij afzonderlijke beschikking beslist.
Tijdens de zitting waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Portugese taal;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Daarnaast hebben twee vertegenwoordigsters van de GI aan de zitting deelgenomen door middel van een digitale verbinding via Teams.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft ervoor gekozen niet zijn mening te geven.

2.De feiten

2.1.
De minderjarigen zijn geboren uit de relatie van de ouders.
2.2.
De vader heeft de minderjarigen erkend. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
2.3.
De minderjarigen wonen bij de moeder.
2.4.
Bij beschikking van 24 juni 2024 in de zaak C/02/419574 / FARK 24-910 heeft de rechtbank de ouders en de minderjarigen verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant voor een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA).
2.5.
De ouders en de minderjarigen zijn in augustus 2024 gestart met een hulpverleningstraject bij zorgaanbieder De GezinsManager (hierna te noemen De GM). Door De GM is ouderschapsbemiddeling, specialistische omgangsobservatie met omgangsadvies en scheidingseducatie voor de minderjarigen ingezet.
2.6.
Medio maart 2025 is het hulpverleningstraject van De GM negatief terug gemeld bij de rechtbank en de Raad. De Raad heeft de zaak gescreend en heeft besloten om een gezags- en omgangsonderzoek te verrichten, waarbij de Raad zijn onderzoek (ambtshalve) heeft uitgebreid met een beschermingsonderzoek. Van het onderzoek heeft de Raad op
28 oktober 2025 rapport uitgebracht.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft bij verzoekschrift van 28 oktober 2025 verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordigster van de Raad namens de Raad het verzoek mondeling gewijzigd en verzocht om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden.
3.3.
De ouders hebben ter zitting met de mondelinge wijziging van het verzoek van de Raad ingestemd. Ter beoordeling ligt aldus voor het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twaalf maanden met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft, onder verwijzing naar het raadsrapport van 28 oktober 2025, aangevoerd dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De grootste zorg, namelijk dreigend contactverlies tussen de vader en de minderjarigen, is bekrachtigd in het onderzoek. De minderjarigen hebben al maanden geen fysiek contact gehad met de vader en ook het belcontact is inmiddels gestopt.
De minderjarigen hebben veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt rondom de vader. De minderjarigen zijn getuige geweest van huiselijk geweld tussen de vader en zijn ex-partner, hebben de vader regelmatig onder invloed van middelen gezien en weten dat hij een ongeluk heeft veroorzaakt waarvoor hij in detentie heeft gezeten. Trajecten bij de gemeente en het hulpverleningstraject bij De GM dat in het kader van het UHA heeft plaatsgevonden zijn niet positief afgerond. De vader heeft het bij De GM laten afweten op het moment dat hij en de minderjarigen gezamenlijke afspraken hadden. Dit alles is van invloed op het gevoel van veiligheid en vertrouwen van de minderjarigen in de vader. De vader is een onvoorspelbare factor voor de minderjarigen, waarop zij in de loop van de jaren niet hebben kunnen rekenen.
Ondanks dat blijven de minderjarigen loyaal aan de vader. De minderjarigen geven aan de vader weer een keer te willen zien, maar zij vinden dit wel spannend. De minderjarigen weten niet wat ze hierin kunnen verwachten en zijn bang dat het weer misgaat. De bereidwilligheid van de moeder om mee te werken aan het tot stand brengen van contact tussen de vader en de minderjarigen is groot. De moeder ziet dat de vader een rol in het leven van de minderjarigen heeft en dat het belangrijk is dat er iets aan de huidige situatie verandert. Wel is de moeder tot een punt gekomen waarin zij aangeeft dat contactopbouw alleen onder toezicht kan worden opgebouwd om de minderjarigen te beschermen tegen het onvoorspelbare gedrag van de vader.
Het gemis van de vader naar de minderjarigen is groot en hij wil hen graag weer zien. De vader heeft weinig probleembesef en kan moeilijk naar zijn eigen aandeel kijken waarom er nu geen contact is met de minderjarigen. De vader heeft in de afgelopen twee jaar aan zijn verslavingsproblematiek gewerkt, waarvoor hij trajecten heeft doorlopen die positief zijn afgerond. Daarnaast heeft de vader vrijwillig ingestemd met bewindvoering en krijgt hij sociaal maatschappelijke en juridische hulpverlening vanuit Fivoor. Bij de hulpverlening bestaat de indruk dat de vader bij de hand genomen moet worden en veel herhaling nodig heeft.
Het proces van contactherstel moet zorgvuldig plaatsvinden, en daarin moeten keuzes en afwegingen worden gemaakt waarin het belang van de minderjarigen centraal staat. Dit zal onder toezicht moeten gebeuren omdat de minderjarigen niet weer getuigen mogen zijn van onveilige en onvoorspelbare situaties. Een jeugdzorgwerker is daarom nodig om te bezien hoe het contact met de vader stapsgewijs, op een voor de minderjarigen veilige manier, kan worden opgebouwd. Er moeten veiligheidsafspraken worden gemaakt en toezicht worden gehouden op hoe een ieder zich aan de afspraken houdt. De moeder kan op die manier ook weer vertrouwen opbouwen in de vader. Zij staat er ook achter om op deze wijze te werken aan contactherstel. De vader zegt hiervoor ook open te staan, maar het is niet helemaal duidelijk of de vader inziet wat dit betekent. De Raad verwacht wel dat beide ouders zich zullen inzetten, omdat de minderjarigen recht hebben op een vorm van fijn en veilig contact met hun vader en vica versa.
Gedurende de ondertoezichtstelling moet meer zicht komen op wat haalbaar is in de omgang tussen de man en de minderjarigen, wat hierin de behoeften zijn van de minderjarigen en hoe de ouders samen afspraken kunnen maken. Er kan op een laagdrempelige manier een eerste stap worden gezet in het contactherstel door de vader, in overleg en ander regie van de GI, een kaartje/kaartjes te laten sturen aan de minderjarigen.
4.2.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat de moeder altijd achter contact tussen de vader en de minderjarigen heeft gestaan en zich daarvoor heeft ingezet en hard gemaakt. Er is al diverse hulpverlening betrokken geweest. Het is de vader die iedere keer afhaakt waardoor het contact en de omgang tussen de vader en de minderjarigen stopt. De moeder vindt dit heel moeilijk en verdrietig voor de minderjarigen. Zij gunt de minderjarigen een fijn en onbelast contact met hun vader. Omdat de minderjarigen nog steeds aangeven contact met de vader te willen kan de moeder instemmen met een nieuw traject tot contactherstel, maar enkel wanneer dit traject plaatsvindt in een verplicht kader van de ondertoezichtstelling. De minderjarigen, die beiden veel spanningen ervaren met betrekking tot de vader, moeten worden behoed voor nog meer teleurstellingen. Met name [minderjarige 1] is het vertrouwen in de vader kwijtgeraakt, en is nu onder behandeling van een kinderpsycholoog. De moeder staat dan ook instemmen achter het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Wel heeft de moeder erop gewezen dat dit voor haar het laatste traject is waaraan zij haar medewerking zal verlenen. De afgelopen jaren hebben veel van haar gevergd, waardoor zij niet veel reserves meer heeft.
4.3.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat de vader eveneens achter een ondertoezichtstelling van de minderjarigen kan staan. De vader wil graag weer contact met de minderjarigen en een rol in hun leven spelen, temeer nu de minderjarigen ook contact met hem wensen. De vader heeft in de afgelopen periode met behulp van diverse hulpverlening hard aan zichzelf gewerkt om zijn leven op orde te krijgen. De vader gebruikt geen alcohol en drugs meer, is bezig om zijn rijbewijs terug te krijgen en is van werk gewisseld waardoor zijn werkuren zijn gewijzigd. Daarnaast heeft de vader bewindvoering en krijgt hij sociaal maatschappelijke en juridische hulpverlening. Door de hulpverlening wordt gezien dat de vader leerbaar is, mits er laagdrempelig wordt ingestoken en hij stap voor stap uitleg krijgt. De vader acht het belangrijk dat met voormelde zaken rekening wordt gehouden bij het nieuwe traject tot contactherstel en dat, daar waar nodig, naar praktische oplossingen wordt gezocht om de voortzetting van het traject te waarborgen. De vader hoopt dat het proces tot contactherstel binnen de ondertoezichtstelling zo goed mogelijk vorm gaat krijgen.
4.4.
De GI heeft aangegeven bereid te zijn om de verzochte ondertoezichtstelling van de minderjarigen uit te voeren. Binnen het vrijwillig kader is het tot op heden niet gelukt om tot een duurzaam contactherstel te komen. Belangrijk is ook dat goed wordt onderzocht wat de minderjarigen, die veel hebben meegemaakt, eventueel nog aan (nadere) hulpverlening nodig hebben. Op korte termijn is er helaas geen vaste jeugdzorgwerker beschikbaar. Het Provinciaal Instroom Team zal de casus oppakken voordat er een vaste jeugdzorgwerker betrokken raakt bij het gezin. Er wordt vanuit het Provinciaal Instroom Team een tijdelijke jeugdzorgwerker aan het gezin gekoppeld, zodat de eerste dingen alvast kunnen worden opgepakt. Met de ouders zal worden besproken welke hulpverleningsorganisatie het beste betrokken kan worden voor een nieuw traject tot contactherstel. Ook is de GI bereid en in staat om de vader te begeleiden bij het sturen van een kaartje naar de minderjarigen.

5.De beoordeling

Wat zegt de wet?
5.1.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
Wat vindt de kinderrechter?
5.2.
Op grond van de stukken en dat wat tijdens de zitting naar voren is gebracht volgt naar het oordeel van de kinderrechter dat is voldaan aan het wettelijke criterium zoals bedoeld in artikel 1:255 van Pro het BW.
5.3.
Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen, die met name zijn gelegen in de omgang met de vader. Nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan, is het niet gelukt om uitvoering te geven aan een stabiele en structurele omgangsregeling. De minderjarigen hebben veel meegemaakt rondom de vader. Dit alles heeft ertoe geleid dat de omgang tussen de vader en de minderjarigen stil is komen te liggen. Er bestaat al langere tijd geen omgang tussen de vader en de minderjarigen en het traject bij De GM, waarnaar de ouders en de minderjarigen door de rechtbank in de zaak C/02/419574 / FA RK 24-910 zijn verwezen en dat in augustus 2024 is gestart, heeft hierin helaas geen verandering kunnen brengen. Het traject is gestagneerd en heeft niet gebracht wat werd gehoopt, namelijk een onbelast contact tussen de minderjarigen en hun beide ouders.
5.4.
Ondanks de spanningen die de minderjarigen rondom de vader ervaren, geven beide minderjarigen aan hun vader wel (weer een keer) te willen zien. Er lijken aldus kansen te liggen om de vader een rol in het leven van de minderjarigen te geven die hij nu niet heeft. Vrijwillige hulpverlening is echter ontoereikend gebleken. De ouders zijn, gezien hun verstoorde relatie, niet in staat om samen de benodigde hulpverlening voor contactherstel te organiseren en te waarborgen. Met name de vader heeft er moeite mee om bij de hulpverlening blijvend aan te haken, en hierin zijn verantwoordelijkheid te nemen. De kinderrechter acht het daarom in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat een jeugdzorgwerker betrokken raakt die vanuit een gedwongen kader de regie kan voeren ten aanzien van het contactherstel tussen de vader en de minderjarigen en die tevens kan bezien wat nog aanvullend voor de ouders en/of de minderjarigen nodig is.
5.5.
Om een nieuw hulpverleningstraject, gericht op contactherstel tussen de vader en de minderjarigen, te laten slagen is het van belang dat de vader afspraken die in dit kader met hem worden gemaakt nakomt. In het geval de vader tegen praktische zaken aanloopt die het nakomen van de afspraken in de weg staat, dient hij dit direct kenbaar te maken zodat naar oplossingen gezocht kan worden. Belangrijk is daarnaast dat de minderjarigen de onvoorwaardelijke toestemming van de moeder (blijven) krijgen om in contact te staan met de vader, dat het tempo gevolgd wordt dat de minderjarigen aan kunnen in het contact met de vader en dat de minderjarigen van de vader erkenning krijgen voor hun gevoelens en belevingen. Indien er bij de ouders tijdens dit traject ruimte bestaat om met elkaar in gesprek te gaan over de minderjarigen, dient daarop eveneens ingezet te worden. Dit heeft echter geen prioriteit. Van belang is dat eerst toegewerkt wordt naar contactherstel tussen de vader en de minderjarigen in een voor de minderjarigen passende vorm voordat ingezet wordt op eventuele ouderschapsbemiddeling.
5.6.
Gelet op het voorgaande en gezien de ernst van de problematiek en de tijd die het naar verwachting zal kosten om tot een structurele verbetering te komen, zal de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , conform het mondeling gewijzigde verzoek van de Raad, onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. In haar oordeel neemt de kinderrechter mee dat alle betrokken partijen instemmen met het verzoek van de Raad.
5.7.
De kinderrechter sluit zich aan bij de door de Raad opgestelde doelen in het raadsrapport en geeft aan de GI de opdracht mee om de volgende doelen voor ogen te houden:
- De minderjarigen hebben (een vorm van) contact met de vader, waarin hun behoeftes voorop staan;
- De minderjarigen weten wat zij kunnen verwachten in contact met de vader;
- Er is geen sprake van alcoholgebruik door de vader tijdens contactmomenten met de minderjarigen;
- De minderjarigen ervaren dat de vader rekening houdt met hun behoeftes en gevoelens;
- Er komt zicht op de mogelijkheden (en beperkingen) van de vader;
- De minderjarigen zijn veilig bij de vader en zijn geen getuige van (huiselijk) geweld;
- De minderjarigen ervaren ruimte en (emotionele) toestemming van de moeder om in contact met de vader te gaan.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 12 maart 2026 tot 12 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en schriftelijk vastgesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.