De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant (GI) om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de moeder zonder gezag. De minderjarige is sinds zijn derde levensjaar onder voogdij van de vader, die het gezag heeft. Na beëindiging van een eerdere ondertoezichtstelling in 2024 en contactverlies met de moeder, ontstonden in 2025 opnieuw zorgen over de minderjarige, waaronder schoolverzuim, somberheid en vermoedelijke gameverslaving. De minderjarige ging toen bij de moeder wonen, met wie het contact was hersteld.
De GI stelt dat de situatie bij de moeder veilig is en dat de minderjarige, die bijna vijftien jaar is, duidelijk aangeeft niet terug te willen naar de vader vanwege spanningen. De vader betwist dit en verwijt de moeder en GI nalatigheid bij de terugplaatsing, maar erkent dat een gedwongen terugplaatsing mogelijk averechts werkt. De moeder ondersteunt het verzoek en benadrukt dat de minderjarige het goed doet bij haar.
De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. Gezien de positieve ontwikkeling bij de moeder, de leeftijd en de wens van de minderjarige, wordt het verzoek toegewezen. De kinderrechter benadrukt het belang van het stimuleren van contact tussen de ouders en de minderjarige en erkent de inzet van de vader in het verleden. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct.