Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2864

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/444711 / JE RK 26-212
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens slechte oudercommunicatie en ambivalente houding vader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag uitoefent. De vader communiceert slecht met de moeder en toont een ambivalente houding ten opzichte van hulpverlening, wat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigt.

De kinderrechter heeft de kinderen eerder onder toezicht gesteld tot 18 maart 2026 en bij een tussenbeschikking het hoofdverblijf bij de moeder vastgesteld. De GI verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar, omdat de doelen nog niet zijn bereikt en de situatie onrustig blijft. De moeder stemt in met het verzoek en benadrukt de noodzaak van stabiliteit en duidelijke grenzen.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld: de kinderen worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door het gebrek aan onbelast contact met beide ouders en het ontbreken van samenwerking tussen de ouders. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende vanwege de houding van de vader. Daarom is een gedwongen kader noodzakelijk. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 18 maart 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de kinderen wordt verlengd tot 18 maart 2027 vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en slechte communicatie tussen ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444711 / JE RK 26-212
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 februari 2026;
  • de op 5 maart 2026 van de GI ontvangen brief, inhoudende een toelichting op het ontbreken van de motivatie van de kinderen;
  • het op 9 maart 2026 ontvangen bericht van mr. P.J.M. Groenhuis-Kools, dat zij de moeder in deze procedure niet bijstaat;
  • het op 9 maart 2026 van de vader ontvangen e-mailbericht, waarin hij meldt dat hij niet bij de zitting aanwezig zal zijn.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De vader heeft schriftelijk te kennen gegeven niet op de zitting te zullen verschijnen.
1.3.
De kinderrechter heeft de kinderen de gelegenheid geboden om met hem over het verzoek te praten. Van deze gelegenheid hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.2.
De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 maart 2025 de kinderen onder toezicht van de GI gesteld tot 18 maart 2026.
2.4.
Bij tussenbeschikking van 30 januari 2026 met zaaknummer C/02/414295 / FA RK 23-4521 is het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder bepaald. Daarbij is voorts de regie over de vormgeving van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen voorlopig bij de GI belegd.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI baseert het verzoek op het volgende. De moeder wil graag meebewegen naar een kader, waarin het welzijn van de kinderen voorop staat en waarbij zij met de vader praktische zaken over hen kan bespreken. De vader wil echter niets met de moeder te maken hebben en lijkt nog steeds de strijd aan te willen gaan. Volgens de GI is onbelast contact met beide ouders belangrijk voor de kinderen. Zij bevinden zich in een levensfase, waarin ouders duidelijk met elkaar moeten communiceren en met elkaar moeten afstemmen. Ook moet er sprake zijn van een wederzijds vertrouwen, waarin ervan uit wordt gegaan dat de andere ouder met de beste intentie iets probeert op te lossen in het belang van het kind. De moeder zoekt de afstemming met de vader, maar die blijft op zijn beurt standvastig bij zijn eigen mening. De vader voldoet daarnaast regelmatig niet aan de verplichting om de moeder van informatie te voorzien of te betrekken bij belangrijke beslissingen over de kinderen. De vader reageert nagenoeg niet op e-mailberichten van de moeder met vragen over de kinderen. De moeder weet hierdoor niet goed waar ze aan toe is. De GI heeft het voornemen om het traject naar parallel solo ouderschap (PSO) opnieuw op te starten, als de afspraken in de beschikking van, naar de kinderrechter begrijpt, 30 januari 2026 van kracht zijn. Deze beschikking heeft echter lang op zich laten wachten en heeft, mede daardoor, voor veel onrust gezorgd. [minderjarige 1] voelt zich niet gezien of gehoord door de vader, waardoor hij zich emotioneel onveilig voelt. De GI heeft de vader aangeboden om hier met hulpverlening aan te werken, maar de vader vindt dit niet nodig. Hij laat de keuze om contact te hebben aan [minderjarige 1] over. De GI vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] structureel contact heeft met de vader. Zij heeft het voornemen om hulpverlening in te zetten om contactherstel te faciliteren tussen [minderjarige 1] en de vader. De moeder neemt de adviezen van de hulpverlening aan en handelt er naar. De GI betreurt dat het de vader niet lukt om als ouder met de moeder te communiceren. De doelen voor de ondertoezichtstelling zijn volgens de GI nog niet gehaald. De kinderen blijven last hebben van de situatie. Zij komen te weinig toe aan hun eigen belangen. De ontwikkelingsbedreiging blijft hierdoor bestaan. Een gedwongen kader is nog steeds nodig, gelet op de ambivalente houding van de vader en het onvermogen van de ouders om samen het belang van de kinderen centraal te stellen. De vader lijkt door de beschikking van de rechtbank erg gekrenkt te zijn. Hij laat het contact met de GI nog minder toe. De GI heeft een periode van rust ingelast, om te bezien of het de vader lukt om zich aan de minimale zorgregeling te houden. De GI zal daarna weer met de vader in gesprek gaan om te werken naar een vaste zorgregeling. Volgens de GI is het belangrijk dat er rust en stabiliteit komt. Daarbij is het belangrijk hoe de ouders invulling gaan geven aan hun ouderrol. De GI heeft bij de vader hiervoor nog geen ingang gevonden. Voor de kinderen heeft de GI de hulp opgeschaald. Zij verwacht nog zeker een jaar nodig te hebben, om te kunnen werken aan de doelen.
4.2.
De moeder geeft aan dat ze aan de kinderen merkt dat zij last hebben van de hele situatie. Er is nog steeds onvoldoende duidelijkheid. De regelingen worden steeds weer veranderd, waardoor het onrustig blijft. Er is een nieuwe ambulant hulpverleenster begonnen, wat weer wennen is voor de kinderen. Zij hebben een vaste vertrouwenspersoon nodig. De moeder zou graag zien dat de grenzen goed bewaakt worden en dat er iemand ingrijpt als dat nodig is. Zij verwacht dat het voor de kinderen lastiger wordt, als de GI niet meer betrokken is. Volgens de moeder is de vader erg boos over de voormelde beschikking van 30 januari 2026. Hij vindt het daardoor moeilijk om te kunnen kijken naar wat de kinderen willen. De moeder hoopt dat er op termijn meer ruimte komt voor contact tussen de vader en de kinderen. De moeder stemt in met het verzoek van de GI. De moeder heeft een fijn contact met de GI.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen.
In artikel 1:260, eerste lid, BW is bepaald dat de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens kan verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Hij legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat zij onder meer niet in de gelegenheid zijn om met hun beide ouders onbelast contact te hebben. De ouders zijn niet in staat om samen over de kinderen te overleggen en te communiceren. Dat heeft voor de kinderen tot gevolg dat zij geen duidelijkheid krijgen over het contact met hun beide ouders. Tussen de ouders bestaat een groot wantrouwen, waardoor het niet gelukt is om te werken aan PSO. De aanhoudende onrust en het gebrek aan duidelijkheid voor de kinderen zorgen er voor dat zij te weinig toekomen aan hun eigen belangen en dat de ontwikkelingsbedreiging blijft bestaan.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader zich zeer ambivalent opstelt jegens de hulpverlening. Ook zijn de ouders niet in staat om samen de belangen van de kinderen centraal te stellen. Hiervoor is een gedwongen kader nodig, om te kunnen werken aan het behalen van de doelen van de ondertoezichtstelling.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal het verzoek in het belang van de kinderen dan ook toewijzen.
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van 18 maart 2026 tot 18 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.