Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2866

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445471 / JE RK 26-336 (voorlopige ondertoezichtstelling)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:247 BWArt. 6.1.2 JeugdwetArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige die meerdere ernstige strafbare feiten zou hebben gepleegd en momenteel verblijft in een jeugdinrichting. De minderjarige woont bij zijn moeder, maar de thuissituatie is instabiel en er zijn zorgen over zijn veiligheid en ontwikkeling.

Tijdens de zitting waren alle betrokkenen aanwezig en stemden in met de verzoeken. De kinderrechter overwoog dat de wettelijke voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling en gesloten jeugdhulp waren vervuld. Er is sprake van een acute en ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige, onvoldoende effect van eerdere hulpverlening, en een hoog recidiverisico.

De kinderrechter besloot de minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling voor drie maanden en verleende een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor dezelfde periode. Het doel is om de noodzakelijke behandeling te starten en toe te werken naar een terugkeer naar huis via het Thuisbest-traject. Tegen de machtiging is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld en krijgt een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/02/445471 / JE RK 26-336 (
voorlopige ondertoezichtstelling)
C/02/445935 / JE RK 26-419 (
machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Breda,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. H. Mink te Oost-Souburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift tot voorlopige ondertoezichtstelling met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het (mondelinge) verzoek tot gesloten plaatsing van de Raad, gedaan tijdens de mondelinge behandeling op 11 maart 2026, op schrift gesteld op 12 maart 2026, met bijlagen.
1.2.
Op 11 maart 2026 heeft de kinderrechter deze zaken, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI in de zaak met kenmerk C/02/445477 / JE RK 26-338, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen zijn:
  • [minderjarige] , bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft voorafgaand aan de zitting in het bijzijn van mr. Mink met [minderjarige] gesproken. Na dit gesprek heeft [minderjarige] de zitting ook bijgewoond.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder, maar verblijft op dit moment in Rijks Justitiële Jeugdinrichting (RJJI) [jeugdinrichting] te [plaats] .

3.De verzoeken

Inzake JE RK 26-336
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
Inzake JE RK 26-419
3.2.
De Raad verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] .. De Raad vindt een voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden noodzakelijk vanwege de acute en ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] , onder meer doordat [minderjarige] wordt verdacht van meerdere ernstige strafbare feiten en er forse zorgen zijn over het sociale netwerk en de veiligheid van [minderjarige] . Naast het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling, heeft de Raad mondeling aanvullend een machtiging gesloten jeugdhulp verzocht voor de duur van drie maanden. De Raad licht toe dat lichtere interventies dan de gesloten jeugdhulp in de afgelopen maanden niet passend zijn gebleken, terwijl een verblijf in een RJJI in algemene zin een negatief effect kan hebben op de ontwikkeling van een minderjarige. Het is daarom belangrijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij [accommodatie] kan worden geplaatst, ook zodat hij dan kan starten met de benodigde behandeling.
4.2.
Mr. Mink heeft namens [minderjarige] ingestemd met behandeling van het ter zitting gedane aanvullend verzoek van de Raad tot gesloten plaatsing van [minderjarige] . [minderjarige] is het eens met de verzochte voorlopige ondertoezichtstelling. Het verzoek machtiging gesloten jeugdhulp is dubbel voor [minderjarige] . Het liefst wil [minderjarige] terug naar huis, maar hij begrijpt dat een thuisplaatsing op dit moment nog niet mogelijk is. Enerzijds zou [minderjarige] dan liever in de RJJI blijven in de komende periode. Hij zit daar namelijk best op zijn plek, hij vindt de geboden structuur en duidelijkheid fijn en kan binnenkort starten met een mbo-opleiding. Daar komt bij dat [minderjarige] bang is dat hij zich door zijn impulsiviteit niet aan de regels zal houden bij [accommodatie] en bijvoorbeeld zal weglopen, hetgeen ertoe kan leiden dat hij voor langere tijd bij [accommodatie] moet verblijven. Tegelijkertijd geeft [minderjarige] aan dat hij een plaatsing bij [accommodatie] wel een kans wil geven. Hij staat er voor open om aan zichzelf te werken en wil zijn best doen om een verblijf in de gesloten jeugdhulp te laten slagen.
4.3.
De moeder heeft ingestemd met behandeling van het ter zitting gedane aanvullend verzoek van de Raad tot gesloten plaatsing van [minderjarige] . De moeder is het eens met de verzochte voorlopige ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de plaatsing in de gesloten jeugdhulp verklaart de moeder dat het vooral belangrijk is dat naar [minderjarige] wordt geluisterd. Eerst was [minderjarige] tegen een plaatsing bij [accommodatie] , maar nu hij een verblijf bij [accommodatie] een kans wil geven staat de moeder daar ook achter. Het liefst zou de moeder zien dat [minderjarige] weer thuis woont, maar daarvoor is hulpverlening nodig. De moeder vraagt al langere tijd om hulp en is bereid om de hulpverlening die nu wordt opgestart met beide handen aan te grijpen, samen met de vader.
4.4.
De vader heeft ingestemd met behandeling van het ter zitting gedane aanvullend verzoek van de Raad tot gesloten plaatsing van [minderjarige] . De vader is het eens met de verzochte voorlopige ondertoezichtstelling. Over de verzochte machtiging gesloten jeugdhulp verklaart de vader dat hij denkt dat een verblijf bij [accommodatie] beter zou zijn voor [minderjarige] dan een langer verblijf in de RJJI. Hij begrijpt dat [minderjarige] er tegenop ziet om naar [accommodatie] te gaan, maar hij vindt het belangrijk dat [minderjarige] de benodigde hulp en behandeling gaat krijgen.
4.5.
De GI vindt een plaatsing van [minderjarige] in de gesloten jeugdhulp noodzakelijk. Het is begrijpelijk dat [minderjarige] terug naar huis wil maar dat is op dit moment nog niet mogelijk, ook omdat de moeder heeft aangegeven dat [minderjarige] niet kan terugkeren naar huis zonder de inzet van hulpverlening. Het uitgangspunt is dat [minderjarige] zo kort mogelijk in de gesloten jeugdhulp zal verblijven en zo snel mogelijk terug kan naar huis. Daarvoor is het belangrijk dat [minderjarige] aan zichzelf gaat werken, onder meer aan zijn impulsiviteit, emotieregulatie en traumaverwerking. Ook is het belangrijk dat [minderjarige] en de ouders hun medewerking zullen verlenen aan het Thuisbest-traject, dat binnen zes weken kan starten.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter overweegt allereerst dat gelet op de instemming van alle belanghebbenden met de aanvulling door de Raad van zijn verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling met een verzoek tot plaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de periode van drie maanden, zij deze aanvulling zal toestaan. De eisen van een goede procesorde worden hiermee niet geschaad nu alle betrokkenen de aan het aanvullende verzoek van de Raad ten grondslag liggende stukken kennen (het gelijkluidende verzoek van de GI, in haar hoedanigheid van jeugdreclasseringsinstelling die [minderjarige] begeleidt, wordt eveneens op deze zitting behandeld, is op dezelfde stukken gebaseerd en alle betrokkenen kennen deze stukken). De kinderrechter acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] dat dit aanvullend verzoek van de Raad gelijktijdig kan worden behandeld en [minderjarige] niet apart hiervoor opnieuw naar de rechtbank dient te komen.
Inzake JE RK 26-336
Het wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, als bedoeld in artikel 255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.4.
Op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. Hiertoe overweegt de kinderrechter dat er in de afgelopen periode veel is gebeurd in het leven van [minderjarige] . Gebleken is namelijk dat de ouders van [minderjarige] uit elkaar zijn gegaan en [minderjarige] in het afgelopen jaar langere tijd geen contact heeft gehad met de vader. Ook moest [minderjarige] vanwege blessures noodgedwongen stoppen met voetbal, terwijl dit erg belangrijk voor hem was. In combinatie met ADHD, negatieve invloeden vanuit leeftijdsgenoten en schooluitval heeft dit geleid tot toenemende ontregeling bij [minderjarige] en gebleken is dat hij in de afgelopen maanden voor meerdere ernstige strafbare feiten met de politie in aanraking is gekomen. Er zijn diverse vormen van ambulante hulpverlening en toezicht vanuit de jeugdreclassering ingezet, maar dit heeft niet geleid tot de gewenste gedragsverandering bij [minderjarige] . Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat [minderjarige] tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis zich - naar eigen zeggen bewust - niet aan de schorsende voorwaarden heeft gehouden en wederom betrokken is geraakt bij strafbare feiten, waardoor de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven en [minderjarige] sinds 22 januari 2026 opnieuw in de RJJI verblijft. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de moeder ervaren dat zij geen grip meer heeft op [minderjarige] . Hoewel zij het liefst wil dat [minderjarige] thuis woont, maakt zij zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] , zijn broer en van zichzelf, ook omdat er recent een cobra is geplaatst bij de woning van de moeder. Voornoemde zorgen maken dat het naar het oordeel van de kinderrechter belangrijk is dat er - naast een jeugdreclasseerder - ook een jeugdbeschermer betrokken raakt, mede gelet op de instabiele thuissituatie van [minderjarige] en de omstandigheid dat de samenwerkingsrelatie van de vader en de moeder beperkt is en sprake is van onderling wantrouwen. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 1:257 lid 1 BW Pro is voldaan en zal [minderjarige] voorlopig onder toezicht stellen van de GI voor de verzochte duur van drie maanden, te weten tot 11 juni 2026.
5.5.
Het verzoek tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling zal worden afgewezen, omdat op grond van artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de beslissing over voorlopige ondertoezichtstelling geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet. Het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van deze maatregel is daarom niet nodig.
Inzake JE RK 26-419
Het wettelijk kader
5.6.
Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. Tevens dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
De inhoudelijke beoordeling
5.7.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat de zorgen over [minderjarige] in de afgelopen maanden steeds verder zijn toegenomen, zoals hierboven reeds is overwogen. De kinderrechter overweegt dat door de Raad is toegelicht dat een verblijf in een RJJI een negatief effect kan hebben op de geestelijke, sociale en emotionele ontwikkeling van jongeren. De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat het van belang is dat [minderjarige] zo kort mogelijk in de RJJI verblijft. Een thuisplaatsing is op dit moment echter niet mogelijk en een plaatsing in een open setting evenmin. Minder ingrijpende interventies - waaronder een schorsing met voorwaarden, elektronisch toezicht, begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante hulpverlening van [hulpverlening] en inzet op dagbesteding – hebben immers niet geleid tot een structurele gedragsverandering bij [minderjarige] . Gebleken is dat [minderjarige] niet gemotiveerd is voor hulpverlening of begeleiding, hetgeen een thuisplaatsing of plaatsing op een open groep bemoeilijkt. Daar komt bij dat er bij een thuisplaatsing of een open plaatsing gelet op de beperkte motivatie van [minderjarige] , de negatieve invloeden van leeftijdsgenoten, en de impulsiviteit en gebrekkige emotieregulatie risico’s met zich meebrengen voor de veiligheid van [minderjarige] . Daarnaast is er momenteel onvoldoende zicht op het netwerk van [minderjarige] en wordt het recidiverisico ingeschat als hoog. Het is van groot belang dat bij [accommodatie] diagnostiek zal plaatsvinden en behandeling gericht op impulscontrole, emotieregulatie en identiteitsontwikkeling kan starten, zodat op korte termijn middels het Thuisbest-traject kan worden toegewerkt naar een gefaseerde terugkeer naar de thuissituatie van de moeder. [minderjarige] staat inmiddels meer open om behandeling aan te gaan.
5.8.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke vereisten van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet is voldaan. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden dan een voortzetting van het verblijf in de gesloten jeugdhulp zijn om deze problemen te behandelen. De onafhankelijke gedragswetenschapper heeft op 5 maart 2026 ingestemd met het verzoek tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp.
5.9.
De kinderrechter zal een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen voor de verzochte duur van drie maanden, te weten tot 11 juni 2026. De kinderrechter overweegt dat het van groot belang is dat in de komende periode de noodzakelijke behandeling van [minderjarige] van de grond gaat komen bij [accommodatie] en dat [minderjarige] de bij [accommodatie] geboden hulpverlening zal aanvaarden. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat het Thuisbest-traject op zo kort mogelijke termijn zal starten, waarbij zij verwacht dat [minderjarige] zich hiervoor zal gaan inzetten om de situatie ten positieve te veranderen. Om toe te werken naar een thuisplaatsing moet daarnaast door de GI goed worden onderzocht wat daarvoor nodig is, met name ten opzichte van scholing en dagbesteding van [minderjarige] .

6.De beslissing

De kinderrechter:
Inzake JE RK 26-336
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 11 maart 2026 en tot 11 juni 2026;
6.2.
wijst af het verzoek voor zover het ziet op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
Inzake JE RK 26-419
6.3.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 maart 2026 en tot 11 juni 2026.
s
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen de beslissing tot verlening van een machtiging gesloten jeugdhulp is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.