Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2869

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/438162 / JE RK 25-1390
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:265j BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij pleegmoeder

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij een pleegmoeder. De minderjarige heeft een geschiedenis van onrust en onveiligheid thuis, mede door problematisch middelengebruik van de ouders en een vermoeden van seksueel misbruik dat wordt onderzocht. De vader heeft het ouderlijk gezag, maar kan onvoldoende zorgen voor een veilige en stabiele opvoedomgeving.

De minderjarige verblijft ruim anderhalf jaar bij de pleegmoeder, waar zij emotionele en fysieke nabijheid krijgt die zij nodig heeft voor haar ontwikkeling en verwerking van trauma’s. De pleegmoeder biedt een stabiele en liefdevolle omgeving, en het contact tussen de vader en de minderjarige wordt voorzichtig hersteld.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de veiligheid en stabiliteit bij de pleegmoeder gewaarborgd zijn en de vader onvoldoende in staat is de noodzakelijke zorg te bieden. De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging, opvoeding en geestelijke gezondheid van de minderjarige en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de pleegmoeder wordt verlengd voor zes maanden wegens noodzakelijke stabiliteit en veiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/438162 / JE RK 25-1390
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. P.S.R.N. Maas uit Dongen.
[de pleegmoeder],
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
-
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de door de kinderrechter in deze rechtbank op 11 september 2025 gegeven tussenbeschikking en alle daarin genoemde stukken;
  • het op 6 januari 2026 van de GI ontvangen schriftelijk verslag stand van zaken;
  • de van de Raad voor de Kinderbescherming op 6 februari 2026 ontvangen schriftelijke verklaring inhoudende toetsing voorgenomen besluit verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na twee jaren.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de pleegmoeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om haar mening schriftelijk of mondeling tijdens een kind gesprek kenbaar te maken. [minderjarige] heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de pleegmoeder.

3.Het (resterend) verzoek

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 17 september 2026. Ook heeft de kinderrechter bij die beschikking de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 17 maart 2026. De kinderrechter heeft de beslissing op het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterende verzochte periode van 6 maanden aangehouden, in afwachting van schriftelijk bericht van de GI over het verloop van de maatregelen en het toekomst-perspectief van [minderjarige] en van haar standpunt over het resterende deel van het verzoek. Tevens is de GI verzocht om te zorgen voor een advies annex toetsingsbesluit van de Raad, als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, BW.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Namens de GI is schriftelijk en mondeling aanvullend naar voren gebracht dat het leven van [minderjarige] zich kenmerkt door verschillende levensgebeurtenissen, waarbij onrust en onveiligheid geen uitzonderingen waren. Zij is herhaaldelijk het slachtoffer geweest van geweld in huiselijke kring als gevolg van persoonlijke problematiek van haar beide ouders in combinatie met problematisch middelengebruik. Behandelingen van de ouder(s) en [minderjarige] zijn (herhaaldelijk) gestagneerd of hadden niet het gewenste resultaat. Daarbij is tussentijds de moeder van [minderjarige] overleden. Het lukte de ouders - en later de vader - onvoldoende om het middelengebruik blijvend onder controle te houden en om [minderjarige] ’s veiligheid te waarborgen. Verder heeft [minderjarige] in 2025 uitspraken gedaan die hebben geleid tot een aangifte door de GI met betrekking tot (mogelijk) seksueel misbruik dat volgens [minderjarige] heeft plaatsgevonden tussen haar en de vader. Door al deze factoren en omstandigheden is het voor [minderjarige] tevens onduidelijk waar zij mag opgroeien en aan wie zij zich langdurig mag hechten.
4.2.
Het onderzoek door [jeugdhulp] naar het opgroeiperspectief van [minderjarige] is niet doorgegaan vanwege het niet meer bestaan van deze organisatie. In de visie van de GI zijn de zorgen, ondanks langdurige en herhaaldelijke intensieve inzet van hulpverlening, onvoldoende weggenomen. De opgroei omgeving bij de vader is onvoldoende veranderd, de noodzakelijke traumabehandeling van [minderjarige] is gestagneerd en uit verslaglegging van [hulpverlening] en gesprekken met de vader wordt duidelijk, dat er nog steeds sprake is van middelen-gebruik. Ook is het de vader niet gelukt om (trauma)behandeling aan te gaan en deze positief af te ronden. Verder is duidelijk geworden uit de verslaglegging dat er in het hier en nu geen bewezen duidelijkheid is over de aantijgingen vanuit [minderjarige] met betrekking tot seksueel misbruik. De vader herkent zich niet in deze beschuldigingen. Er wordt daarnaar politie onderzoek verricht.
4.3.
Gezien wordt dat [minderjarige] gebaat is bij intensieve aansluiting vanuit haar opvoeder/verzorger. [minderjarige] kan moeite hebben met het reguleren van haar gevoelens en spanningen. Zij heeft daarvoor emotionele en fysieke nabijheid nodig. De onzekerheid over haar opgroeiperspectief en de gedane aangifte hebben eveneens een negatieve invloed gehad op [minderjarige] en de mate waarin zij zich veilig voelt. [minderjarige] laat momenteel positieve stappen zien in haar ontwikkeling op basis van de intensieve ondersteuning die zij ontvangt vanuit onder meer de pleegmoeder, speltherapie en school. In dat verband ziet Pleegzorg toekomstige zorgen in geval van een terugplaatsing van [minderjarige] naar de vader, nu hij deze intensieve ondersteuning niet kan bieden. Daardoor zou de nog kwetsbare ontwikkeling van [minderjarige] ontregeld kunnen raken. Ook is er in dat geval kans op wederom een hechtingsbreuk en mogelijk een loyaliteitsconflict, wat bij [minderjarige] tot een terugval of tot een stagnatie van haar ontwikkeling kan leiden. Ook [kinderpraktijk] heeft geconstateerd dat [minderjarige] een stabiele basis nodig heeft om haar trauma’s te verwerken en dat zij zekerheid dient te krijgen over haar toekomst. Daarvoor is nodig dat zij meer duidelijkheid krijgt over haar trauma’s en de achtergrond daarvan, dat er duidelijkheid komt over waar zij zal opgroeien en hoe het contact met de vader eruit komt te zien. Zodra die stabiliteit en duidelijkheid er is kan er vervolgens behandeling plaatsvinden. De vader heeft in een gesprek aangegeven dat hij voor wat betreft het perspectief van [minderjarige] de keuze bij de GI legt, nu die keuze voor hem te pijnlijk is. Het is voor hem met name van belang dat [minderjarige] gelukkig is, ongeacht waar zij opgroeit.
4.4.
De GI concludeert uit al het voorgaande dat, ondanks dat in de afgelopen jaren in samenwerking met de vader en de hulpverlening intensief is geprobeerd om de situatie duurzaam te veranderen, de zorgen met betrekking tot de thuissituatie bij de vader onvoldoende zijn weggenomen. Hulpverlening is ofwel gestagneerd ofwel heeft deze niet het beoogde doel behaald. Ook heeft de vader de behandeling voor zijn persoonlijke problematiek niet positief weten af te ronden. Gezien wordt bij [minderjarige] dat zij in het pleeggezin positieve stappen zet ten aanzien van haar ontwikkeling, maar dat deze ontwikkeling ook kwetsbaar is en intensieve begeleiding vraagt vanuit de pleegmoeder. Om [minderjarige] daar verder bij te ondersteunen is hulpverlening noodzakelijk, die echter alleen plaats kan vinden als er sprake is van zekerheid en stabiliteit voor [minderjarige] .
4.5.
De GI is van mening dat het in het noodzakelijk belang van [minderjarige] is dat haar perspectief wordt vastgesteld bij de pleegmoeder. [minderjarige] krijgt bij de pleegmoeder emotionele en fysieke ondersteuning geboden. Ook krijgt zij daar de kans om zich te focussen op haar eigen ontwikkeling, de relaties met mensen om haar heen en om traumatische gebeurtenissen te verwerken. Het perspectiefbesluit is aan de Raad ter toetsing voorgelegd. De Raad heeft daarover een verslag uitgebracht, dat aan de rechtbank is gezonden. De GI wenst dat, voordat [minderjarige] definitief met het perspectiefbesluit bekend wordt gemaakt, de rechtbank daarover eerst een standpunt inneemt. Intussen zal de GI zich (blijven) inspannen om in samenwerking met alle betrokkenen contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] te realiseren. Er is recent gestart met contactherstel. Hoewel [minderjarige] daar positief op reageert is de situatie ook op dat vlak nog pril en daardoor kwetsbaar. Met voormelde toelichting handhaaft de GI haar verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder voor de nog resterende duur van 6 maanden.

5.Het advies van de Raad

5.1.
De Raad adviseert de kinderrechter in zijn toetsingsverslag het aangehouden deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toe te wijzen. Daartoe is door de Raad schriftelijk en mondeling - aanvullend - aangevoerd dat [minderjarige] ruim anderhalf jaar bij haar huidige pleegmoeder is en dat zij zich daar thuis voelt. [minderjarige] krijgt van de pleegmoeder alle liefde en ruimte om bij haar op te kunnen groeien. Ook ondersteunt zij het contact tussen [minderjarige] en haar vader. [minderjarige] is voor haar verdere ontwikkeling en veiligheid aangewezen op stabiliteit en continuïteit in haar verblijf. Die krijgt zij bij de pleegmoeder. Gebleken is dat de vader bij zijn persoonlijke problemen en ook in het contact met [minderjarige] sturing en begeleiding nodig heeft.
5.2.
Gebleken is dat, sinds er met [minderjarige] over het perspectiefbesluit van de GI is gesproken, dit bij haar al tot gevoelens van opluchting heeft geleid. Van belang is dat de focus gericht blijft op het waarborgen van een veilige en stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] bij de pleegmoeder. Daarnaast dient de GI erop te blijven toezien dat [minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt en dat zij hiervoor de benodigde hulpverlening/therapie geboden krijgt. Verder dient gewerkt te blijven worden aan (verder) herstel van het contact tussen [minderjarige] en de vader passend bij de behoeften van [minderjarige] . In dat opzicht laat de vader zien dat, ondanks dat de situatie voor hem ingewikkeld is, hij oog blijft houden voor de belangen van [minderjarige] . Dit betekent ook dat hij zich waar mogelijk blijft inzetten om aan het contact tussen hem en [minderjarige] op positieve wijze vorm te geven. De vader verdient daarvoor oprecht complimenten.

6.Het standpunt van de vader

Door en namens de vader is naar voren gebracht dat hij wegens zijn persoonlijke omstandigheden, waarvoor hij ambulante ondersteuning ontvangt, en toekomstige ontwikkelingen, waaronder een verandering van werk, aan [minderjarige] niet kan bieden wat zij nodig heeft. Hoewel dit voor hem lastig is om mee om te gaan ziet hij ook dat [minderjarige] bij de pleegmoeder een goede, stabiele en veilige plek heeft en dat zij daar liefdevol wordt verzorgd. Verder is er sprake van een positieve samenwerkingsrelatie tussen hem en de GI en van een goed contact tussen hem en de pleegmoeder. Ook is hij erg blij met het herstel van het contact tussen hem en [minderjarige] , waarmee inmiddels is gestart. Hij zet zich waar mogelijk in om een uitbreiding van dit contact mogelijk te maken. Door de vader is ten slotte aangegeven dat, ondanks dat er geen tolk in de Poolse taal is verschenen, de strekking van het voorliggend verzoek en dat wat ter zitting daarover naar voren is gebracht voor hem duidelijk en begrijpelijk is. Ook heeft hij voldoende kunnen verwoorden wat voor hem van belang is. Met de voormelde toelichting kan de vader achter een machtiging tot uithuisplaatsing staan van [minderjarige] bij de pleegmoeder voor de nog resterende duur van 6 maanden.

7.Het standpunt van de pleegmoeder

Door de pleegmoeder is opgemerkt dat het perspectiefbesluit [minderjarige] in eerste instantie boos en verdrietig maakte, maar dat er van een zekere berusting sprake was toen zij besefte dat dit besluit aan haar voor de toekomst ook op een aantal vlakken houvast en zekerheid biedt. Verder verlopen de contactmomenten tussen [minderjarige] en de vader tot dusver positief. Er is sprake van een vaste structuur en frequentie. Ook laten zij zien dat er van een liefdevolle ouder-kind band sprake is. Op school wordt gezien dat al deze omstandigheden een gunstige weerslag hebben op [minderjarige] , in die zin, dat zij zich meer open gaat opstellen. Ten slotte kan zij bevestigen dat de communicatie tussen haar en de vader constructief verloopt. Zij ondersteunt eveneens het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de nog resterende duur van 6 maanden.

8.De beoordeling

8.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de resterend verzochte periode van 6 maanden is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
8.2.
[minderjarige] heeft in haar leven veel onrust en onveiligheid ervaren. Daarnaast kampt zij als gevolg van meerdere levensgebeurtenissen, waaronder het overlijden van haar moeder, met trauma’s waarvoor zij behandeling nodig heeft. [minderjarige] heeft ook zorgelijke uitspraken gedaan over de vader, waarin de vader zich niet herkent en waarnaar politieonderzoek wordt verricht. De vader heeft met de gedurende langere tijd ingezette intensieve hulpverlening stappen weten te maken, echter is dit onvoldoende gebleken om te kunnen voldoen aan de behoefte bij [minderjarige] aan een veilige en stabiele opvoedomgeving met intensieve ondersteuning en emotionele en fysieke nabijheid van de verzorgende ouder. Gezien wordt dat [minderjarige] zich bij de pleegmoeder positief ontwikkelt, dat zij daar de ruimte krijgt om kind te zijn, maar dat haar ontwikkeling ook kwetsbaar is en dit het nodige van de pleegmoeder vraagt om [minderjarige] hierin te (blijven) ondersteunen en te begeleiden. Ook is het voor [minderjarige] , om zich voorspoedig te kunnen blijven ontwikkelen, van belang dat zij zekerheid heeft over waar zij verder zal opgroeien. Op grond van al deze omstandigheden is de GI van mening dat het in het noodzakelijk belang van [minderjarige] is dat haar perspectief wordt vastgesteld bij de pleegmoeder. Uit het toetsingsbesluit annex -advies van de Raad blijkt dat de Raad dit besluit ondersteunt en daarom adviseert het aangehouden deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toe te wijzen.
8.3.
De GI heeft de kinderrechter verzocht zich uit te laten over het vastgestelde
perspectief besluit. Allereerst wordt daarover opgemerkt dat het nemen van een perspectief-besluit in beginsel tot de bevoegdheid van de GI behoort. De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De kinderrechter kan het besluit niet bekrachtigen of vernietigen. Wel kan een perspectiefbesluit aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. Nu het doel van een uithuisplaatsing in beginsel het toewerken naar een thuisplaatsing is, en er in het voorliggende opvoedbesluit is vastgesteld dat het perspectief niet langer bij de vader, maar bij de huidige pleegmoeder ligt, is het doel van het perspectiefbesluit strikt genomen strijdig met het doel van de uithuisplaatsing. De kinderrechter zal zich om die reden uitlaten over het perspectiefbesluit.
8.4.
Onweersproken is komen vast te staan dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is, dat bij de pleegmoeder de intensieve aansluiting en de emotionele en fysieke nabijheid geboden krijgt die zij nodig heeft, gezien haar achtergrond en omdat zij moeite heeft met het reguleren van haar gevoelens en spanningen, om zich verder te kunnen ontwikkelen. Uit het standpunt van de vader blijkt dat hij erkent dat hij niet of althans onvoldoende in staat is aan [minderjarige] datgene te bieden wat zij uit oogpunt van haar verzorging, opvoeding en (toekomstige) ontwikkeling nodig heeft. Dit betekent dat, ondanks dat het perspectiefbesluit voor hem pijnlijk voelt, hij het belang van zijn dochter [minderjarige] centraal stelt en dit betekent dat hij achter dit besluit kan staan. Verder blijft hij actief meewerken aan een goed contact met [minderjarige] , passend bij wat voor haar hanteerbaar is en stelt hij zich open voor uitbreiding van dit contact. De vader verdient daarvoor oprecht complimenten. Uitgaande van deze situatie acht de kinderrechter het temeer van belang dat, nu het perspectief van [minderjarige] bij de pleegmoeder is bepaald, ook in de toekomst door de GI in een uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] , voor zover haalbaar en in het belang van laatstgenoemde, geïnvesteerd blijft worden. Alles afwegende kan de kinderrechter, met de Raad, zich vinden in het door de GI vastgestelde besluit, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegmoeder ligt. Daaruit volgt tevens dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de resterend verzochte periode van 6 maanden.
8.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

9.De beslissing

De kinderrechter:
9.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 maart 2026 tot 17 september 2026;
9.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.