De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 maart 2026 een nadere beschikking gegeven over de voorlopige voogdij van een minderjarige. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag, maar zij geeft geen invulling aan dit gezag en heeft aangegeven de zorg niet te kunnen en willen dragen. De Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI) was reeds bij beschikking van 2 maart 2026 belast met de voorlopige voogdij tot 16 maart 2026.
Tijdens de mondelinge behandeling, die met gesloten deuren plaatsvond, is vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een ander oordeel. Hoewel de moeder twijfels heeft geuit over haar afstandsbesluit en samen met de vader onderzoekt of zij zelf de zorg kunnen dragen, is het noodzakelijk dat de GI voorlopig de voogdij blijft voeren om een gezagsvacuüm te voorkomen.
De kinderrechter heeft daarom besloten de voorlopige voogdij te verlengen van 16 maart 2026 tot 2 juni 2026, met de mogelijkheid tot verlenging indien voor die datum een voorziening in het gezag wordt verzocht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt geregistreerd in het centraal gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.