Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2872

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445561 / JE RK 26-346
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling ongeboren kind wegens explosieve ouderrelatie en veiligheidszorgen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om het ongeboren kind onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van het kind. De ouders hebben een instabiele en explosieve relatie met frequente fysieke en verbale agressie, wat een onveilige omgeving creëert. De moeder verblijft momenteel bij Sterk Huis en krijgt hulp, maar is niet in staat de bedreiging zelfstandig weg te nemen.

De vader erkent het kind niet en weigert kinderalimentatie te betalen, terwijl hij wel zijn verantwoordelijkheid wil dragen. Er zijn zorgen over het drugsgebruik van de moeder, wat het vertrouwen tussen de ouders bemoeilijkt. De gecertificeerde instelling deelt de zorgen en heeft de zaak als code rood aangemerkt, waardoor direct een jeugdbeschermer kan starten.

De kinderrechter acht het belang van het kind zodanig dat het als geboren moet worden aangemerkt en stelt het onder toezicht voor twaalf maanden. De instelling moet toezicht houden op de relatie tussen de ouders, de rol van de vader onderzoeken en het netwerk van beide ouders betrekken. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt.

Uitkomst: Het ongeboren kind wordt onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant voor twaalf maanden wegens ernstige bedreiging door de explosieve ouderrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445561 / JE RK 26-346
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[het ongeboren kind],
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 3 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Ook was aanwezig een begeleidster van de moeder van Sterk Huis. De kinderrechter heeft aan haar bijzondere toegang verleend.

2.De feiten

2.1.
De moeder is zwanger van het ongeboren kind. De verwachte bevallingsdatum is [datum] 2026.
2.2
De vader heeft het ongeboren kind niet erkend.
2.3
Het ouderlijk gezag over het ongeboren kind zal na de geboorte van rechtswege worden uitgeoefend door de moeder.

3.Het verzoek

3.1
De Raad verzoekt het ongeboren kind onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden.
3.2
De Raad heeft de kinderrechter in dit verband verzocht om het ongeboren kind op grond van artikel 1:2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als reeds geboren aan te merken, omdat het belang van het kind dit vordert.
3.3
Tot slot verzoekt de Raad de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van het ongeboren kind, omdat er regelmatig fysieke en verbale agressie hebben plaatsgevonden tussen de ouders. De relatie tussen de ouders is al geruime tijd instabiel en wisselt van goed naar slecht, waardoor er geen garantie is voor een veilige en stabiele omgeving. Deze situatie kan ernstige gevolgen hebben voor de fysieke en emotionele gezondheid van het ongeboren kind. De moeder is op dit moment weliswaar voldoende bereid maar niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zij houdt zich immers niet aan de veiligheidsvoorwaarden, bagatelliseert de zorgen en kiest er voor de relatie met de vader voort te zetten, ondanks de grote zorgen over haar fysieke veiligheid en die van haar ongeboren kind. De verwachting is wel dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het ongeboren kind binnen een voor dit kind aanvaardbare termijn weer zelf kan dragen. De Raad vindt twaalf maanden een passende termijn, omdat deze periode de noodzakelijke tijd biedt voor het begeleiden van de ouders, het creëren van een veilige en stabiele opvoedsituatie, en het waarborgen van de veiligheid van het ongeboren kind. In het kader van de ondertoezichtstelling dient aan de volgende doelen te worden gewerkt:
- het ongeboren kind groeit op in een stabiele en veilige woonomgeving, waarin het kan opgroeien zonder belast te worden door de conflicten en spanning tussen de ouders of andere bedreigingen voor haar welzijn;
- het ongeboren kind heeft duurzaam onbelast en voorspelbaar contact met beide ouders zodat het met beiden een veilige hechtingsrelatie kan opbouwen en onderhouden;
- het netwerk van zowel de vader als de moeder, te weten de grootouders, spelen een
ontspannen en ondersteunende rol in de zorg voor het ongeboren kind.
Om deze doelen te behalen vindt de Raad het belangrijk dat de moeder en het ongeboren kind bij Sterk Huis verblijven, waar er zicht is op de opvoeding en de moeder hierbij wordt ondersteund. Daarnaast is het van belang om te onderzoeken op welke manier de vader kan worden betrokken bij het (ongeboren) kind en op welke manier hij dat zelf wil. Wanneer de vader een rol wil gaan spelen in het leven van het (ongeboren) kind is het van belang dat er ook hulpverlening wordt ingezet op de communicatie tussen de ouders en mogelijke onveiligheid die hieruit voortkomt. Verder is het van belang dat wordt gekeken naar de rol van het netwerk van beide ouders en of dit netwerk kan bijdragen aan de stabiliteit en het welzijn van het ongeboren kind.
In aanvulling hierop is namens de Raad tijdens de zitting aangevoerd dat de zorgen over het ongeboren kind met name zien op de explosieve relatie tussen de ouders en de veiligheidsrisico’s die dit voor het ongeboren kind met zich mee kunnen brengen. De Raad heeft momenteel geen zorgen over de opvoedingsvaardigheden of het middelengebruik van de moeder. Zij doet het bij Sterk Huis ook goed. Mocht de vader bij zijn standpunt blijven dat hij het (ongeboren) kind niet wil erkennen, dan zal hij geen juridisch vader van het kind worden en niet met het gezag over het kind (kunnen) worden belast. Het gezag en daarmee ook de zeggenschap over het (ongeboren) kind zal dan alleen bij de moeder komen te liggen. In dat geval zal zij alleen beslissingen over het (ongeboren) kind mogen nemen. Zij hoeft de vader hierbij niet te betrekken.
4.2.
De moeder heeft tijdens de zitting aangevoerd dat zij een ondertoezichtstelling van haar ongeboren kind niet nodig vindt. Zij is van mening dat de ondersteuning die zij bij Sterk Huis krijgt voldoende voor haar is. Het gaat goed met de moeder bij Sterk Huis. De moeder vindt zichzelf ook in staat om te bieden wat het ongeboren kind nodig heeft. Ook vindt zij zich voldoende weerbaar tegen de vader. Mocht de kinderrechter evenwel een ondertoezichtstelling nodig vinden, dan kan zij hierin berusten. De moeder kan dan tijdens een ondertoezichtstelling laten zien dat zij en de vader het goed doen. De moeder snapt wel dat er zorgen zijn over de relatie tussen de ouders. De ouders willen echter graag voor het (ongeboren) kind zorgen en dit kind een veilige basis bieden, ongeacht of ze nu wel of niet een affectieve relatie met elkaar hebben.
4.3.
De vader heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij in eerste instantie geen vader wilde worden en bij de moeder had aangedrongen op een abortus. Inmiddels heeft hij er een goed gevoel bij dat hij eind maart 2026 vader wordt. De vader wil zijn verantwoordelijkheid als vader van het (ongeboren) kind dragen. Ook wil hij het kind bieden wat het nodig heeft. De vader wil het (ongeboren) kind echter niet erkennen. Ook wil hij geen kinderalimentatie betalen. Het zit de vader dwars dat Sterk Huis en de Raad geen aandacht hebben besteed aan al zijn meldingen over het drugsgebruik van de moeder. De moeder heeft gedurende lange tijd drugs gebruikt, ook tijdens haar zwangerschap. De vader heeft hiervan filmpjes doorgestuurd gekregen, die hij desgevraagd ook aan de Raad heeft laten zien. Hier hebben Sterk Huis en de Raad niets mee gedaan. Het drugsgebruik maakt dat de vader het lastig vindt om samen met de moeder te zijn en vertrouwen in haar te hebben. Hierdoor was de vader ook af en toe boos op de moeder.
4.4.
Namens de GI is tijdens de zitting aangevoerd dat zij de zorgen van de Raad over het ongeboren kind deelt. De GI vindt het van groot belang dat in het kader van een ondertoezichtstelling toezicht wordt gehouden op de relatie tussen de ouders, zodat wordt voorkomen dat het kind zal opgroeien in een onveilige situatie. De GI heeft de onderhavige zaak als een code rood zaak aangemerkt, hetgeen betekent dat er direct een jeugdbeschermer met de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan de slag kan gaan. Die GI vindt het wel goed te horen dat de moeder momenteel haar verantwoordelijkheid voor het ongeboren kind neemt. Ze houdt zich aan afspraken met het ziekenhuis en met Sterk Huis. Ook de GI heeft op dit moment geen zorgen over haar opvoedvaardigheden.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 1:2 BW Pro is bepaald dat een kind reeds als geboren wordt aangemerkt zo dikwijls zijn belang dit vordert. Derhalve kan een ongeboren kind, indien tevens aan de voorwaarden van artikel 1:255 BW Pro is voldaan, onder toezicht worden gesteld van een gecertificeerde instelling.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat het nog ongeboren kind als geboren moet worden aangemerkt omdat het belang van het kind dit vordert. De reden daarvoor is dat er zorgen zijn over het welzijn en de veiligheid van het kind nu en nadat het geboren is.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt immers dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van het (ongeboren) kind. De kinderrechter is van oordeel dat de ouders, gelet op hun nog jonge leeftijd en de explosieve relatie waarvan tussen hen sprake is, onvoldoende in staat worden geacht om het (ongeboren) kind een veilige (opvoedings)situatie te bieden. Dit is ook de reden waarom de moeder momenteel bij Sterk Huis verblijft. Zij krijgt daar hulp bij de voorbereiding op de geboorte en bij de opvoeding en verzorging van het kind na de geboorte. Het is de bedoeling dat het de moeder uiteindelijk zelfstandig zal lukken om de zorg voor het kind op zich te nemen, zodat zij Sterk Huis samen met het kind kan verlaten. Duidelijk is dat de hulpverlening die de moeder nodig heeft niet in het vrijwillig kader kan worden gerealiseerd.
5.5.
Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Hij zal het (ongeboren) kind dan ook onder toezicht stellen voor de verzochte duur.
5.6.
Naast de hulp vanuit Sterk Huis, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI in het kader van een ondertoezichtstelling toezicht zal houden op het (ongeboren) kind en aan de door de Raad geformuleerde doelen zal werken. Daarbij is het van belang dat de GI zicht krijgt op de relatie tussen de ouders en op de rol die de vader in het leven van het kind wil gaan spelen. Van de GI wordt verwacht dat zij onderzoekt welke hulpverlening de ouders nodig hebben om het kind, samen dan wel apart, een veilige opvoedingssituatie te bieden, waarbij het kind onbelaste en fijne contacten kan hebben met beide ouders zonder eventuele spanningen tussen hen mee te krijgen. Ook wordt van de GI verwacht te bekijken welke rol het netwerk van de ouders kan spelen in de zorg voor het (ongeboren) kind. Hoewel de Raad momenteel geen zorgen heeft over de opvoedingsvaardigheden en middelengebruik van de moeder, zal de GI ook hierop zicht moeten houden. Wellicht dat op deze gebieden nog hulp voor de moeder gewenst is. Zij zal immers, als de vader bij zijn standpunt blijft dat hij het kind niet wil erkennen, van rechtswege alleen met het gezag over het kind worden belast en alle beslissingen alleen over het kind moeten nemen. Bij deze grote verantwoordelijkheid is het belangrijk dat de moeder over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikt en zich verre houdt van middelengebruik.
5.7.
De kinderrechter merkt hierbij nog op dat hij het zeer waardeert dat de GI deze zorgelijke zaak code rood heeft gegeven en (daarom) direct een jeugdbeschermer beschikbaar heeft om de ondertoezichtstelling uit te voeren.
5.8.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
6.2.
stelt het ongeboren kind onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 11 maart 2026 tot 11 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026
.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.