Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2873

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445205 / JE RK 26-287
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen wegens ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om twee minderjarige kinderen onder toezicht te stellen vanwege ernstige zorgen over hun opvoedingssituatie en ontwikkeling. De kinderen vertonen gedragsproblemen, ontwikkelingsproblematiek en incontinentieproblemen. Ondanks betrokkenheid van meerdere hulpverlenende instanties is de situatie onvoldoende verbeterd door gebrekkige samenwerking en communicatie.

De ouders erkennen de zorgen en zijn bereid tot medewerking, maar ervaren onmacht door de uiteenlopende visies en onvoldoende afstemming tussen instanties. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn vervuld, omdat de kinderen in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd en de noodzakelijke zorg niet voldoende wordt geaccepteerd of geboden.

De beschikking stelt de kinderen voor de duur van een jaar onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, die als regievoerder zal optreden om de hulpverlening te coördineren en de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De beslissing is direct uitvoerbaar en kan worden aangevochten bij het gerechtshof.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige kinderen onder toezicht van Stichting Leger des Heils voor de duur van een jaar wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445205 / JE RK 26-287
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen de vader,
bijgestaan door advocaat mr. N. Limbourg.
De vader is als belanghebbende aangemerkt, omdat de vader en de moeder samenwonen en de vader mede de zorg voor de opvoeding en verzorging van beide kinderen draagt.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen de WSS,
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Eindhoven,
gecertificeerde instelling, hierna te noemen de Stichting LdH.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026.
1.2
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders en hun advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de WSS;
  • twee vertegenwoordigsters van de Stichting LdH.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening
mondeling tijdens een kind gesprek of schriftelijk aan de kinderrechter kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.2
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat er sinds 2018 veel zorgen zijn over de opvoedomgeving waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien. Er worden van de kinderen signalen ontvangen, die erop duiden dat zij in de zorg- en opvoedsituatie onveiligheid ervaren. Daarnaast zijn er zorgen over hun persoonlijke verzorging, het vragen van negatieve aandacht en incontinentieproblemen. Verder zijn er meer specifiek over [minderjarige 1] zorgen over zijn IQ, sociale kwetsbaarheid, zijn hechtingsontwikkeling en emotieregulatie en waar het [minderjarige 2] betreft haar sociaal-emotionele ontwikkeling, het maken van contact en vinden van aansluiting en een aandachtstekortstoornis.
4.2.
Ondanks de betrokkenheid van meerdere hulpverlenende instanties in een vrijwillig kader, te weten het [accommodatie], Veilig Thuis (hierna: VT), de buitenschoolse opvang (hierna: BSO), [hulpverlening] en ook de scholen van de kinderen heeft de geboden hulp en ondersteuning niet tot de gewenste verbeteringen geleid. Dit is deels omdat door deze instanties niet behoorlijk is samengewerkt en deels omdat de signalen van de kinderen onvoldoende serieus werden opgepakt. Wel zijn er bij beide kinderen persoonlijkheidsonderzoeken afgenomen, is naar aanleiding daarvan PMT voor [minderjarige 1] ingezet en voor [minderjarige 2] een SI therapeut. Er is echter aan de oorzaak van het gedrag van de kinderen, waarbij wordt gedacht aan trauma- en hechtingsproblematiek, niet of althans onvoldoende gewerkt. Ook was er vaak geen sprake van eenduidigheid waar het de bevindingen en conclusies van de betrokken instanties betreft en waren deze soms ook innerlijk tegenstrijdig. In dat verband wordt als voorbeeld benoemd dat [hulpverlening] aangaf zich grotendeels niet te herkennen in de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar vervolgens de veiligheid van beide minderjarigen een opmerkelijk laag cijfer gaf.
4.3
De ouders laten enerzijds grote bereidheid zien vanuit hun liefde voor hun kinderen om met de beschikbare hulpverlening te werken aan verbetering van de hiervóór beschreven situatie. Anderzijds voelen zij zich wegens het gebrek aan voldoende samenwerking tussen de instanties en hun verschillende visies daarin onmachtig. Bovendien is gebleken dat er door de afzonderlijke ouders - vanuit angst en/of andere emoties - soms verkeerde keuzes worden gemaakt, waardoor sommige hulpverlening niet van de grond is gekomen of vroegtijdig is gestopt. Ook is er weinig bekend over het intelligentieniveau van de ouders en is er onvoldoende zicht op hun zorg- en opvoedcapaciteiten. De Raad acht het nodig dat er een verplicht kader komt waarbinnen een gecertificeerde instelling in de functie van regievoerder duidelijke lijnen weet uit te zetten en ervoor weet te zorgen dat de zorgen, die maken dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd, daadwerkelijk worden aangepakt en er voor de ouders en voor de kinderen de juiste hulpverlening wordt ingezet. In de opvatting van de Raad is de Stichting LdH de daarvoor op dit moment meest aangewezen gecertificeerde instelling. Deze gecertificeerde instelling beschikt over capaciteiten en mogelijkheden, vergelijkbaar met die van de WSS en kan bovendien per direct starten met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, wat niet geldt voor de WSS, omdat daar een wachtlijst is. Daarbij komt dat de moeder met eerdere hulpverlening door WSS geen positieve ervaringen heeft. Met deze toelichting handhaaft de Raad het verzoek tot ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, welke periode in de opvatting van de Raad minimaal nodig is om de doelen van de ondertoezichtstelling (blijvend) te realiseren. Daarbij staat als uitgangspunt centraal dat met de inzet van hulpverlening in een verplicht kader eraan wordt gewerkt dat beide kinderen thuis kunnen blijven wonen in een situatie, die niet langer ontwikkelingsbedreigend is.

5.Het standpunt van de ouders

5.1
Door de ouders is - samengevat - opgemerkt dat zij al gedurende langere tijd hun uiterste best doen om bij instanties, te weten [hulpverlening] , Veilig Thuis en het [accommodatie] gehoor te vinden voor hun zorgen omtrent de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in de verwachting dat er hulpverlening en ondersteuning van de grond komt. Echter hebben zij tot dusver ervaren dat hun hulpvraag door deze instanties niet of onvoldoende wordt opgepakt. Dit met als gevolg dat er nu een verzoek tot ondertoezichtstelling aan de rechtbank is voorgelegd. Deze situatie stelt hen als ouders zeer teleur en maakt hen ook verdrietig, temeer nu zij volledig bereid zijn en blijven om alle hulpverlening, die tot verbetering van de situatie van hun kinderen kan leiden te accepteren en daaraan mee te werken. Een ondertoezichtstelling is om die reden niet nodig. In het geval dat er wel een ondertoezichtstelling mocht worden uitgesproken hopen zij dat, rekening houdend met hun eerdere ervaringen, de uitvoerende gecertificeerde instelling ook zal investeren en geduld weet op te brengen om tot een goede onderlinge samenwerkingsrelatie en vertrouwensband te komen.
5.2
De advocaat van de ouders heeft - samengevat - naar voren gebracht dat er flinke
zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders onderkennen de ernst en omvang van deze zorgen. Zij hebben daarom meerdere hulpverlenende instanties benaderd, zoals ook blijkt uit de raadsrapportage. Ondanks dat de ouders deze instanties bijna hebben gesmeekt om hulp en ondersteuning te bieden is die hulpverlening vervolgens niet of onvoldoende van de grond gekomen, ofwel in een veel te laat stadium geboden. Verder is haar uit een gesprek met [hulpverlening] gebleken dat deze instantie de zorgen weliswaar herkent, maar tevens heeft geconstateerd dat de ouders er thuis voor zorgen dat beide kinderen schoon en verzorgd naar school gaan en dat zij onder meer fruit en spullen in verband met de incontinentieproblemen meekrijgen. Hier lijkt niet zozeer sprake van een situatie, waarin de hulpverlening en zorg, die nodig is om de (ontwikkelings)bedreiging weg te nemen, door de ouders niet wordt geaccepteerd, maar van het niet behoorlijk communiceren over en afstemmen van deze hulp en zorg door de betrokken instanties. Dit heeft tot gevolg gehad dat de hulpverlening die nodig was en nog steeds is, niet of onvoldoende is ingezet. De omstandigheid dat de moeder eerder is weggelopen uit een hulpverleningsgesprek kan niet als het niet meewerken aan hulpverlening worden gezien. Immers betrof dit een angstreactie van de moeder, die verband hield met haar eerdere ervaringen met hulpverlening voor haar andere zoon [persoon] . Ten slotte geldt dat beide ouders ook op dit moment volledig bereid zijn om aan alle (extra) hulpverlening, die nodig is om de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen in een vrijwillig kader mee te (blijven) werken. Met deze toelichting stelt zij zich namens de ouders primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. In het geval dat de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt zij namens de ouders, bij wijze van subsidiair standpunt, aldus te beslissen dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling bij de Stichting LdH zal berusten.

6.De standpunten van WSS en de Stichting LdH

6.1
Namens de WSS is opgemerkt dat zij het verzoek van de Raad ondersteunt en dat in geval van toewijzing van dat verzoek, er ook mee kan worden ingestemd dat de Stichting LdH met de uitvoering van de beschermingsmaatregel wordt belast.
6.2
Namens de Stichting LdH is naar voren gebracht dat, om doelgericht te kunnen werken aan dat wat nodig is om de ontwikkelingsbedreigende situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] af te wenden, het van groot belang is dat er strakke regievoering komt en dat samen met de ouders en met de betrokken hulpverlenende instanties de juiste richting wordt bepaald. Zij kan daarom ook achter het verzoek tot ondertoezichtstelling voor de aldus verzochte periode staan.

7.De beoordeling

7.1
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
7.2
De inhoud van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting strekt naar het oordeel van de kinderrechter tot de overtuiging dat er sprake is van ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Bij beide kinderen is afzonderlijke ontwikkelingsproblematiek vastgesteld, meer specifiek waar het [minderjarige 1] betreft zijn intelligentieniveau, hechtings- en emotieregulatie-problematiek en waar het [minderjarige 2] betreft haar sociaal-emotionele ontwikkeling en een aandachtstekortstoornis. Ook is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedragsproblemen laten zien, waaronder weglopen en het op negatieve en ook bedreigende wijze vragen van aandacht. Voorts kampen beide kinderen met incontinentieproblemen.
7.3
De zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden door de ouders onderkend. Zij hebben daarvoor meerdere hulpverlenende instanties benaderd en wekken de indruk hun uiterste best te doen om met deze hulpverlening te voldoen aan wat beide kinderen van hen nodig hebben. Echter er is onvoldoende bekend over het intelligentieniveau en de opvoedcapaciteiten van de ouders zodat de zorgen nog bestaan. Ook lijken de zorgelijke signalen die over/door de kinderen over hun opvoedingsomgeving zijn geuit door de betrokken hulpverlenende instanties althans in eerste instantie onvoldoende serieus te zijn genomen, waardoor deze niet (tijdig) zijn opgepakt. Gebleken is van onvoldoende effectieve inzet van hulpverlening wegens onvoldoende communicatie en afstemming tussen de betrokken instanties. Sommige hulpverleningstrajecten zijn niet doorgezet, omdat de ouders zich daarvoor niet/onvoldoende open stelden of omdat door de ouders - vanuit angst en/of andere emoties - soms verkeerde keuzes werden gemaakt. Om die situatie te kunnen doorbreken is nodig dat binnen een verplicht kader aan de doelstellingen kan worden gewerkt ter afwending van de ontwikkelingsbedreiging en een neutrale gecertificeerde instelling met de regievoering over en afstemming van de (nog) in te zetten zorg en hulpverlening zal zijn belast. In de gegeven omstandigheden alsook rekening houdend met bijkomende factoren, zoals ter zitting besproken, ziet de kinderrechter de Stichting LdH daarvoor op dit moment als de meest aangewezen gecertificeerde instelling.
7.4
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
7.5
De kinderrechter is van oordeel dat er de komende periode door de ouders en de gecertificeerde instelling dient te worden gewerkt aan de volgende doelen:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op binnen een emotioneel en fysiek veilige
opvoedingsomgeving;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verwerken de ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn zindelijk;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komen toe aan hun ontwikkelingstaken gerelateerd aan
hun leeftijd;
- de ouders bieden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een emotioneel en fysiek veilige
opvoedingsomgeving;
- de ouders voorzien [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun behoeftes op alle ontwikkelingsgebieden en sluiten hier voldoende bij aan;
- de ouders kunnen vanuit het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] denken en hun
eigen belang daaraan ondergeschikt maken.
7.6
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7.7
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugd-bescherming & Reclassering met ingang van 11 maart 2026 tot 11 maart 2027;
8.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.