De zaak betreft een verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2015 en 2019, die bij hun moeder wonen. De ondertoezichtstelling was eerder al verlengd en loopt af op 8 april 2026.
De GI licht toe dat ondanks hulpverlening sinds april 2025 er onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de moeder, die ambivalent is in het accepteren van hulp en afspraken soms afzegt. Er zijn zorgen over mogelijke mishandeling, geuit door school, en over de wisselende houding van de vader, die enerzijds afstand wil doen van gezag en contact, maar anderzijds contact wenst.
De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt. De moeder is verplicht medewerking te verlenen aan hulpverlening. Er wordt belang gehecht aan diagnostisch onderzoek voor de kinderen, waarvoor ook toestemming van de vader nodig is. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor een jaar, met ingang van 8 april 2026, en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.