Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2875

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445357 / JE RK 26-309
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling en onduidelijke thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2015 en 2019, die bij hun moeder wonen. De ondertoezichtstelling was eerder al verlengd en loopt af op 8 april 2026.

De GI licht toe dat ondanks hulpverlening sinds april 2025 er onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de moeder, die ambivalent is in het accepteren van hulp en afspraken soms afzegt. Er zijn zorgen over mogelijke mishandeling, geuit door school, en over de wisselende houding van de vader, die enerzijds afstand wil doen van gezag en contact, maar anderzijds contact wenst.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd en dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt. De moeder is verplicht medewerking te verlenen aan hulpverlening. Er wordt belang gehecht aan diagnostisch onderzoek voor de kinderen, waarvoor ook toestemming van de vader nodig is. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor een jaar, met ingang van 8 april 2026, en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd voor de duur van een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445357 / JE RK 26-309
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 januari 2026, ontvangen op 20 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 april 2024 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 april 2024 en tot 8 april 2025.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] verlengd met ingang van 8 april 2025 en tot 8 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In aanvulling op het verzoekschrift licht de GI toe dat [hulpverlening] sinds april 2025 is ingezet, maar dat er desondanks nog onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de moeder. Daar komt bij dat de moeder erg ambivalent is in het accepteren van de ingezette hulp, waardoor zij soms afspraken afzegt. Het is hierbij van belang dat de moeder zich gaat beseffen dat de hulpverlening vanuit [hulpverlening] niet vrijwillig is, maar dat zij verplicht is om hieraan haar medewerking te verlenen. De GI hoopt dat [hulpverlening] de komende periode verder bij de moeder kan binnentreden, zodat er meer zicht verkregen gaat worden in de hoop een beeld te kunnen schetsen van wat de moeder en de kinderen nodig hebben op het gebied van hulpverlening. De kinderen hebben al veel meegemaakt en de GI vindt het belangrijk dat zowel voor [minderjarige 1] als [minderjarige 2] diagnostisch onderzoek ingezet gaat worden. Verder maakt de GI zich zorgen over de situatie van de vader. Half januari 2026 heeft de GI een e-mailbericht van de vader gekregen waarin hij aangeeft dat hij de kinderen niet meer wil zien en afstand wil doen van zijn gezag van beide kinderen, maar nu stelt de vader dat dit bericht niet van hem afkomstig is. De GI heeft contact gehad met de voogd die in het kader van de oudste dochter betrokken is. De voogd heeft verteld dat de vader graag contact wil met de kinderen en dat hij achter een ondertoezichtstelling staat. Er zal eerst goed onderzoek gedaan moeten worden naar welke uitspraken nu kloppen en wat de wensen van de kinderen zijn, voordat er (eventueel) contactherstel kan plaatsvinden. Dit verloopt lastig nu de GI op geen enkele manier in contact kan komen met de vader. Dit is ook problematisch gelet op het feit dat de vader toestemming moet geven voor diagnostisch onderzoek voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder heeft de moeder aan de hulpverlening medegedeeld dat de vader niet de biologische vader van [minderjarige 1] zou zijn en komen er sinds december 2025 meldingen van school dat er mogelijk sprake zou zijn van mishandeling. De GI maakt zich dan ook zorgen over de situatie en heeft hier op dit moment onvoldoende zicht op. Gelet op het voorgaande is de GI van mening dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter wijst derhalve het verzoek van de GI toe. Dit betekent dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor de duur van een jaar, met ingang van 8 april 2026 en tot 8 april 2027. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De zorgen zoals die staan beschreven in de beschikking van 4 april 2025 zijn nog onverminderd aanwezig en de doelen die zijn gesteld binnen de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De kinderrechter maakt zich zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen. Ondanks dat [hulpverlening] al een geruime tijd bij de moeder is betrokken, is er kennelijk nog onvoldoende zicht op de thuissituatie van de moeder en is het om die reden nog onduidelijk welke (individuele) hulpverlening voor de moeder passend is. De moeder is ambivalent in het accepteren van de hulpverlening en in het nakomen van de afspraken. De kinderrechter wil hierbij benadrukken dat de ingezette hulpverlening niet vrijwillig is, maar dat de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling verplicht is om haar medewerking hieraan te verlenen. Daarnaast maakt de kinderrechter zich zorgen over de signalen die school onlangs heeft geuit. In december 2025 is er melding vanuit school gekomen dat er mogelijk sprake zou zijn van mishandeling in de thuissituatie gezien de vele onverklaarbare blauwe plekken die [minderjarige 1] zou hebben. Ook om die reden dient er meer zicht verkregen te worden en bekeken te worden of de veiligheid van de kinderen voldoende gewaarborgd is. Verder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ondanks hun jonge leeftijd al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en laten zij zorgelijk gedrag zien. [minderjarige 2] lijkt te kampen met onverwerkte trauma’s en [minderjarige 1] is erg aanhankelijk en ongeremd naar anderen. Zij lijkt hierin weinig grenzen te voelen. De kinderrechter vindt het van belang dat op korte termijn diagnostisch onderzoek voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] gaat plaatsvinden, zodat onderzocht kan worden welke hulpverlening voor de kinderen passend is, naast de hulp die zij nu al ontvangen vanuit [hulpverlening] . Om diagnostisch onderzoek uit te kunnen voeren is het noodzakelijk dat (naast de moeder ook) de vader zijn handtekening gaat zetten. De kinderrechter hoopt dat de GI de komende periode in contact kan komen met de vader. Daarnaast zal de GI verder onderzoek moeten doen naar de wisselende uitspraken van de vader met betrekking tot zijn wens tot het hebben van contact met de kinderen en dienen hier ook de wensen van de kinderen in meegenomen te worden. De kinderrechter hoopt dat op die manier duidelijkheid komt over welke rol en positie de vader wil innemen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.3.
Gelet op de hiervoor beschreven zorgen en de wisselende houding van de moeder ten aanzien van de hulpverlening vindt de kinderrechter het van belang dat ook in de komende periode hulp en regie vanuit het gedwongen kader wordt ingezet.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 8 april 2026 en tot 8 april 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.