Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2884

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/444489 / JE RK 26-163
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens aanhoudende ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2015 en 2017, die bij hun vader verblijven. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de zorgen over de kinderen niet zijn afgenomen en dat er sprake is van kind-eigen problematiek, onrust tussen de ouders en onduidelijkheid over het contactherstel met de moeder.

De gecertificeerde instelling heeft een plan opgesteld met een deeltijdbehandeling voor het oudste kind, een contacthersteltraject voor het jongste kind, en begeleiding voor de ouders via ouderschapsbemiddeling en een kindbehartiger. De moeder heeft bezwaren geuit over de communicatie en samenwerking met de instelling en verzoekt om een kortere verlenging en nadere verduidelijking van het plan.

De vader steunt het verzoek en benadrukt het belang van rust en stabiliteit voor de kinderen. De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld en dat het plan van de instelling voldoende concreet is. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 20 maart 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tevens wordt het belang van een herstelgesprek tussen de moeder en de instelling benadrukt.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 20 maart 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444489 / JE RK 26-163
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A. Koop - van Vliet uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A. Mudde - Zeevaart uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026;
  • het bericht met bijlagen van mr. Koop - van Vliet van 10 maart 2026;
  • het bericht van de vader van 11 maart 2026 inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet aanwezig zullen zijn bij het kindgesprek
  • het bericht met bijlagen van mr. Mudde - Zeevaart van 11 maart 2026 inhoudende het bezwaar op indiening van de stukken van mr. Koop - van Vliet van 10 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
Beide advocaten hebben op de zitting kunnen reageren op de vraag of de ingediende stukken moeten worden toegelaten. De kinderrechter is van oordeel dat de ingediende stukken van beide advocaten kunnen worden meegenomen in de beoordeling. Dit is niet in strijd met goede procesorde. De stukken van mr. Koop - van Vliet waren tijdig ingediend en de het stuk van mr. Mudde – Zeevaart bevat een beschikking die bij beide partijen bekend is.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven bij de vader.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 december 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van 20 maart 2025, heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 20 maart 2025 tot 20 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Het gaat niet goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Beide kinderen hebben kind-eigen problematiek, er is veel onenigheid en spanning tussen de ouders en er bestaat veel onduidelijkheid over het contact met de moeder. [minderjarige 1] komt hierdoor niet aan zijn ontwikkeling toe. Hij is vastgelopen op school, bij de [zorgboerderij] en thuis. [minderjarige 2] krijgt hier alles van mee. De GI heeft voor [minderjarige 1] een deeltijdbehandeling gevonden bij [afdeling] , een gespecialiseerde groep van [accommodatie] . Dit zou hem rust kunnen bieden. Wanneer dit kan starten en hoeveel dagen het zou zijn, is aan [accommodatie] . [minderjarige 2] is het contacthersteltraject aangegaan. De moeder heeft zich hiervan teruggetrokken waardoor er geen contact is geweest. [minderjarige 2] is teleurgesteld en voelt veel onbegrip. De GI heeft de moeder voordat zij zich terugtrok verteld wat de consequenties daarvan zouden kunnen zijn. De moeder heeft een aantal weken na het terugtrekken aangegeven wel contact te willen. De GI is daarom opnieuw gestart met het onderzoeken van de mogelijkheden. Ook onderzoekt de GI de mogelijkheden van begeleiding voor de ouders in de vorm van ouderschapsbemiddeling en een kindbehartiger voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is verzocht de ondertoezichtstelling met één jaar te verlengen, omdat er tijd nodig om de zorgen weg te nemen en omdat het behandeltraject van [minderjarige 1] tijd kost. De GI merkt dat naar aanloop van een zitting de spanning toeneemt en dat dit geen positieve werking heeft op [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de ouders.
4.2.
De GI is van mening dat de moeder niet onder druk is gezet door de GI. De keuzes die gemaakt moeten worden, moeten zo snel als mogelijk worden gemaakt omdat dat zo werkt in de zorg. Over het contactherstel hebben bovendien verschillende gesprekken plaatsgevonden. De GI heeft meerdere keren contact gehad met de ervaringsdeskundige van de moeder. De moeder heeft aangegeven moeite te hebben met het vertrouwen van de GI. De jeugdbeschermer heeft aangeboden de zaak over te dragen, maar de moeder heeft aangegeven dat dit niet nodig is. De GI staat open voor een herstelgesprek.

5.De standpunten van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De ontwikkelingsbedreiging bestaat nog steeds. Feitelijk kan worden geconstateerd dat de situatie is verslechterd. Dat geldt voor zowel de situatie tussen de ouders als de situatie rondom de kinderen. De moeder verzoekt de ondertoezichtstelling met een half jaar te verlengen en het overige deel van het verzoek aan te houden, omdat het onvoldoende duidelijk is wat het exacte plan van de GI is, ook voor wat betreft de deeltijdbehandeling. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] op een neutrale plek komt, waar hij tot rust kan komen. De moeder heeft vragen over het feit dat de vader bij [accommodatie] werkt, maar heeft wel toestemming gegeven voor de plaatsing omdat zij het gevoel heeft dat zij niet om tekst en uitleg mag vragen. De moeder wil graag contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In eerste instantie is er in het vrijwillig kader ingezet op contactherstel door [praktijk] , maar dat is volgens de moeder niet op een goede manier verlopen. De moeder voelde zich onder druk gezet. De moeder wordt om toestemming gevraagd voor belangrijke beslissingen over de kinderen, maar wordt niet van tevoren op de hoogte gebracht over de gang van zaken. Dat geldt voor de deeltijdbehandeling van [minderjarige 1] en het persoonlijkheidsonderzoek. De moeder wil eerder meegenomen worden. De samenwerking met de GI is niet goed. Dat begon omdat de overdracht naar de GI niet goed is verlopen. De moeder is beschadigd door de relatie met de vader en heeft PTSS. De moeder vindt dat de GI daar te weinig oog voor heeft. De moeder zou graag een herstelgesprek met de GI willen. Ook vindt zij dat een MASIC-vragenlijst afgenomen moet worden. De moeder wordt begeleid door een ervaringsdeskundige. De moeder vindt het belangrijk dat er een coach komt voor het parallelle ouderschap. De moeder vindt dat er meer hulpverlening voor de kinderen nodig is.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het verzoek. De situatie raakt de vader. Er is hulpverlening bij hem thuis. De vader vindt het belangrijk voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat contactherstel met de moeder mogelijk is, maar vindt het belangrijk dat dit goed gewaarborgd wordt. De vader betreurt het dat [praktijk] is gestopt, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vertrouwde. De vader is blij dat er gezocht wordt naar een kindbehartiger, maar geeft aan dat er tijd nodig is om opnieuw vertrouwen op te bouwen. De vader werkt, zoals is aangegeven, inderdaad bij [accommodatie] . Dat is een heel grote organisatie en [minderjarige 1] zal niet bij de vader op de afdeling terechtkomen. Voor de vader is het niet niets dat alle verhalen over zijn privéleven bij zijn werkgever terecht zullen komen, maar hij ziet dat de plaatsing voor [minderjarige 1] nodig is. Er is rust, stabiliteit en voorspelbaarheid nodig. De vader ziet het niet zitten om een nieuw ouderschapstraject aan te gaan waarbij de ouders om de tafel moeten gaan. Dat is vaker geprobeerd. Er is zoveel gezegd en beschuldigd dat dat niet veilig voelt. De vader hoopt dat er coaches komen die de ouders kunnen begeleiden, maar wel vanuit het idee van parallel ouderschap. De vader is blij met de hulp van de GI. Hij kan zich vinden in de verzochte duur en begrijpt dat de hulpverlening tijd kost. De vader ziet dat er rondom een te nemen beslissing veel onrust ontstaat.

6.De beoordeling

Wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt nog steeds aan de voorwaarden voor de ondertoezichtstelling voldaan. De zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn niet afgenomen in het afgelopen jaar. Er is sprake van kind-eigenproblematiek, er is veel onrust en strijd tussen de ouders en er bestaat veel onduidelijkheid rondom het contactherstel met de moeder. De noodzakelijk hulpverlening wordt onvoldoende geaccepteerd. Mede daardoor is de hulpverlening de afgelopen periode nauwelijks van de grond gekomen. De kinderrechter merkt op dat het daarom des te meer zonde is dat de begeleiding van [praktijk] is afgesloten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vonden deze begeleiding prettig en vertrouwden [praktijk] .
6.4.
De kinderrechter is, anders dan de moeder, van oordeel dat de verlenging van de ondertoezichtstelling voor één jaar noodzakelijk is. Er zijn een hoop zorgen en er moet nog veel gebeuren om deze zorgen weg te nemen. De kinderrechter vindt dat het plan van de GI voldoende concreet is. De GI heeft een plek gevonden voor [minderjarige 1] voor een deeltijdbehandeling bij [afdeling] , [accommodatie] , zoekt naar een kindbehartiger voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en gaat een ouderschapstraject opstarten waarbij de ouders begeleid worden door een coach. Ook staat [minderjarige 2] op de wachtlijst voor een kinderpsychiater. Dat er onduidelijkheid bestaat over de start en de duur van de deeltijdbehandeling komt niet door een gebrek in de planning of de motivering van het verzoek van de GI. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust, duidelijkheid en stabiliteit ervaren en daar is tijd voor nodig.
6.5.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat stappen worden gezet in het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit moet gebeuren op het tempo van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De GI zal moeten onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om het contact op een juiste manier op te bouwen. De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij geen terugtrekbeweging zal maken. De onduidelijkheid en het verdriet dat dit terugtrekken met zich meebrengt is namelijk niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter sluit zich erbij aan dat het wenselijk is dat er een herstelgesprek plaatsvindt tussen de GI en de moeder.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.6.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.7.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] tot 20 maart 2027;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.