Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2888

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/445165 / JE RK 26-276
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:259 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vervanging gecertificeerde instelling afgewezen wegens capaciteitsproblemen en belang minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om vervangen te worden door Stichting Jeugdbescherming Brabant (JBB) als toezichthoudende instantie over een minderjarige die onder toezicht staat. De minderjarige verblijft bij de moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling loopt sinds 2019 en is meerdere malen verlengd, laatstelijk tot augustus 2026.

De GI voert aan dat zij de sociale kaart in Brabant minder goed kent en door afstand niet aan de verplichting tot fysiek contact kan voldoen. JBB zou de zaak beter kunnen monitoren, ondanks capaciteitsproblemen. De moeder verzet zich tegen het verzoek, omdat zij vertrouwen heeft in de GI en vreest dat JBB door capaciteitsproblemen onvoldoende aandacht kan geven, wat nadelig is voor de hulpverlening en afronding van de ondertoezichtstelling.

JBB erkent de capaciteitsproblemen en geeft aan dat het maanden kan duren voordat een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, waardoor er minder zicht op de situatie zou zijn. De kinderrechter oordeelt dat het belang van de minderjarige en continuïteit van de hulpverlening zwaarder wegen dan het verzoek tot vervanging. De zitting vond plaats met gesloten deuren, waarbij de vader afwezig was. De beslissing is mondeling gegeven op 13 maart 2026 en schriftelijk op 7 april 2026 vastgesteld.

Uitkomst: Het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling is afgewezen vanwege capaciteitsproblemen en het belang van continuïteit in de hulpverlening voor de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/445165 / JE RK 26-276
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING OVERIJSSEL,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd Hengelo,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: JBB
locatie Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
  • de bereidverklaring van Stichting Jeugdbescherming Brabant van 23 januari 2026;
  • het stelbericht van mr. van Kerkhof van 24 februari 2026;
  • het bericht van mr. van Kerkhof van 24 februari 2026, inhoudende de mededeling verweer te zullen voeren;
  • het bericht van de GI van 5 maart 2026 inhoudende het verzoek digitaal aanwezig te mogen zijn bij de zitting;
  • het bericht van JBB van 9 maart 2026 en de aanvullende motivering van 11 maart 2026 inhoudende het verzoek digitaal aanwezig te mogen zijn bij de zitting.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • twee vertegenwoordigers van JBB.
1.3.
Hoewel de vader correct is opgeroepen, is hij niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de vader. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.
1.4.
Op 5 maart 2026 heeft de GI de rechtbank verzocht of zij digitaal aanwezig mag zijn bij de zitting. De kinderrechter is hiermee akkoord gegaan gelet op de afstand.
1.5.
Op 9 maart 2026 heeft JBB gevraagd of zij digitaal aanwezig mag zijn bij de zitting. De kinderrechter is hiermee niet akkoord gegaan, omdat er naast de werkdruk onvoldoende concrete redenen zijn voor het digitale aansluiten.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2019 [minderjarige] onder toezicht gesteld van JBB. Bij beschikking van 15 februari 2022 is JBB vervangen door de GI. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 15 juli 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 19 augustus 2025 tot 19 augustus 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de kinderrechter om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling JBB.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woont op dit moment bij de moeder. Wat de GI betreft blijft dat ook zo. De GI kent de sociale kaart in Brabant minder goed. De GI is verplicht eens in de vier à zes weken fysiek contact te hebben met [minderjarige] , maar kan daar niet goed aan voldoen gelet op de afstand. Met de moeder is er telefonisch contact. Zolang de MST loopt en de moeder de hulp accepteert is het voldoende dat de zaak door JBB wordt gemonitord. De GI verwacht niet dat de moeder de hulpverlening zal stoppen. De GI begrijpt dat JBB een capaciteitsprobleem heeft, maar geeft aan daar zelf ook last van te hebben.
5.
De standpunten van belanghebbenden
5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich niet kan vinden in het verzoek. [minderjarige] is zeven jaar geleden onder toezicht gesteld van JBB. De uitvoering is op een gegeven moment overgenomen door de GI, omdat de verwachting was dat [minderjarige] niet teruggeplaatst zou kunnen worden bij de moeder. Vanwege de proactieve benadering van de rechtbank Almelo is dat nu toch gebeurd. De situatie bij de moeder is in positieve zin veranderd. De GI is betrokken, kent het gezin en de moeder en [minderjarige] vertrouwen de GI. De moeder is bang dat wanneer er geen vaste jeugdbeschermer meer is, zij in een soort tussenfase bij JBB terechtkomen, waarbij een niet betrokken medewerker van JBB eens per maand belt. Dat terwijl er zoveel moeite is gedaan om alle hulpverlening op te starten. De moeder heeft er geen bezwaar tegen als er geen fysiek contact is tussen de GI en [minderjarige] . Contact kan bijvoorbeeld prima via beeldbellen gaan. Zeker gelet op het feit dat MST leidend is en de zaak enkel gemonitord hoeft te worden. De moeder hoopt dat na de huidige ondertoezichtstelling sprake zal zijn van een overdracht naar het vrijwillig kader. De moeder en [minderjarige] staan open voor hulpverlening en de hulpverlening voor de andere kinderen is ook geregeld in het vrijwillig kader. Als de zaak bij JBB in de monitoring komt, zal dit niet gebeuren, omdat er dan geen aandacht wordt besteed aan het afsluiten van de ondertoezichtstelling. Dat is zonde van de tijd, het geld en de capaciteit.

6.Het standpunt van JBB

6.1.
Door JBB is, samengevat, verklaard dat na de vervanging het gezin zal worden gemonitord door een tijdelijke jeugdbeschermer. Er zal maandelijks contact worden opgenomen met de ouders, de hulpverlening, de school en [minderjarige] . JBB geeft aan dat het maanden kan duren voordat er een vaste jeugdbeschermer betrokken is. JBB is uiteraard wel bereikbaar in noodsituaties. JBB begrijpt de bezwaren van de moeder en ook de logistieke moeilijkheid voor de GI. JBB is bereid om de zaak over te nemen, maar merkt op dat het bij een lopende zaak niet wenselijk is dat er minder zicht op zal zijn.

7.De beoordeling

Wettelijk kader
7.1.
Op grond van artikel 1:259 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de Raad voor de Kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.
Inhoudelijke beoordeling
7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, komt de kinderrechter tot de slotsom dat het verzoek moet worden afgewezen. De huidige ondertoezichtstelling van [minderjarige] loopt tot 19 augustus 2026. Het is niet wenselijk dat er in de komende tijd geen goedzicht is op de situatie.
De kinderrechter begrijpt het verzoek van de GI op zich wel, maar constateert dat de zaak door JBB gezien de wachtlijsten niet inhoudelijk opgepakt zal worden. De risico’s die dat met zich meebrengt zijn te groot. De GI kent het gezin en het gezin vertrouwt de betrokken jeugdbeschermer. Die kennis en betrokkenheid is waardevol en mag niet verloren gaan, zeker niet nu toewijzing van het verzoek alleen er toe zou leiden dat [minderjarige] en zijn moeder op de wachtlijst van JBB zouden belanden. De vervanging van de GI is daarom niet in het belang van [minderjarige] . Het is belangrijk dat de betrokken hulpverlening wordt voortgezet.
7.3.
De kinderrechter begrijpt dat het voor de gezinsvoogd, gezien de reisafstand, niet mogelijk is [minderjarige] fysiek te bezoeken. De moeder heeft aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat deze contacten daarom via beeldbellen plaatsvinden.
De kinderrechter kan zich in dit specifieke geval vinden in deze oplossing, maar merkt wel op dat sprake is van een falend jeugdzorgsysteem. [minderjarige] heeft recht op fysiek contact met zijn jeugdbeschermer, maar uitsluitend vanwege capaciteitsproblemen en tekorten in de zorg wordt hem dit niet geboden. Dit is enorm zorgelijk.
7.4.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

8.De beslissing

De kinderrechter:
8.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).