Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
- de bereidverklaring van Stichting Jeugdbescherming Brabant van 23 januari 2026;
- het stelbericht van mr. van Kerkhof van 24 februari 2026;
- het bericht van mr. van Kerkhof van 24 februari 2026, inhoudende de mededeling verweer te zullen voeren;
- het bericht van de GI van 5 maart 2026 inhoudende het verzoek digitaal aanwezig te mogen zijn bij de zitting;
- het bericht van JBB van 9 maart 2026 en de aanvullende motivering van 11 maart 2026 inhoudende het verzoek digitaal aanwezig te mogen zijn bij de zitting.
- een vertegenwoordiger van de GI;
- twee vertegenwoordigers van JBB.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het standpunt van de GI
De standpunten van belanghebbenden
6.Het standpunt van JBB
7.De beoordeling
De kinderrechter begrijpt het verzoek van de GI op zich wel, maar constateert dat de zaak door JBB gezien de wachtlijsten niet inhoudelijk opgepakt zal worden. De risico’s die dat met zich meebrengt zijn te groot. De GI kent het gezin en het gezin vertrouwt de betrokken jeugdbeschermer. Die kennis en betrokkenheid is waardevol en mag niet verloren gaan, zeker niet nu toewijzing van het verzoek alleen er toe zou leiden dat [minderjarige] en zijn moeder op de wachtlijst van JBB zouden belanden. De vervanging van de GI is daarom niet in het belang van [minderjarige] . Het is belangrijk dat de betrokken hulpverlening wordt voortgezet.
De kinderrechter kan zich in dit specifieke geval vinden in deze oplossing, maar merkt wel op dat sprake is van een falend jeugdzorgsysteem. [minderjarige] heeft recht op fysiek contact met zijn jeugdbeschermer, maar uitsluitend vanwege capaciteitsproblemen en tekorten in de zorg wordt hem dit niet geboden. Dit is enorm zorgelijk.