Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2889

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/440804 / FA RK 25-5262
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Benjaddi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot contactherstel tussen vader en minderjarige wegens weerstand kind

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader om een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij de minderjarige eenmaal per veertien dagen bij hem zou verblijven. De moeder verzocht zelfstandig om vervangende toestemming voor buitenlandse reizen van de minderjarige, maar trok deze verzoeken later in. De minderjarige gaf duidelijk aan geen contact met zijn vader te willen, wat ook bleek uit een gesprek met de kinderrechter en een brief.

De rechtbank constateerde dat het contact sinds november 2021 volledig was verbroken en dat eerdere pogingen tot begeleid contact waren stopgezet vanwege zorgen over het welzijn van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming en de rechtbank zagen onvoldoende ruimte voor contactherstel, mede door het negatieve beeld dat de minderjarige van zijn vader heeft en de verstoorde verhoudingen tussen de ouders.

De rechtbank oordeelde dat het contact niet geforceerd mag worden omdat dit schadelijk zou zijn voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van het kind. De mogelijkheden voor hulpverlening zijn uitgeput en het kind kan gezien zijn leeftijd niet worden gedwongen tot contact. De verzoeken van beide ouders werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verzoek tot vaststelling zorg- en contactregeling wordt afgewezen vanwege de uitgesproken weerstand van de minderjarige tegen contact met zijn vader.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440804 / FA RK 25-5262
datum uitspraak: 13 maart 2026
beschikking vaststelling verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A. van Tol-Macharoblishvili,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.A.P. Kolsteren-Van Heijst,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, hierna: [minderjarige] ,
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 14 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 3 februari 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen.
1.2
De verzoeken zijn ter zitting mondeling behandeld op 12 februari 2026.
Bij die behandeling zijn verschenen partijen, ieder bijgestaan door hun advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt. Hij heeft een briefje naar de rechtbank gestuurd met daarin zijn mening over het verzoek. Ook heeft hij op 9 februari 2026 een gesprek gehad met de kinderrechter. Ter zitting heeft de rechtbank naar voren gebracht wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze relatie is geëindigd in mei 2015. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.
2.2
De man heeft [minderjarige] erkend. Op 4 juni 2013 is in het gezagsregister aangetekend dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn belast.
2.3
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4
Tussen de man en [minderjarige] heeft er sinds november 2021 geen (fysiek) contact meer plaatsgevonden.
2.5
[minderjarige] stond van 29 november 2015 tot 18 november 2017 en van 13 mei 2020 tot 13 mei 2023 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant.
2.6
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 juli 2024 heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag afgewezen en verder bepaald dat de vrouw de man in ieder geval eenmaal per drie maanden schriftelijk informeert over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] en ook tussentijds in het geval zich in de tussenliggende periode belangrijke zaken met betrekking tot [minderjarige] voordoen.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] eenmaal per veertien dagen gedurende een weekend bij de man verblijft, van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, in fases op te bouwen, althans een zodanige regeling als de rechtbank juist en redelijk acht.
3.2
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • te bepalen dat de toestemming van de rechtbank voor een verblijf van [minderjarige] in de week van 11 tot en met 18 juli
  • te bepalen dat de toestemming van de rechtbank voor een vakantie van [minderjarige] met de vrouw in juni 2026 naar Spanje of Griekenland in de plaats komt voor de toestemming van de man;
  • kosten rechtens.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De standpunten

4.1
De man legt aan zijn verzoek om een zorgregeling vast te stellen het volgende ten grondslag. Momenteel is er sinds 2021 geen enkel contact tussen de man en [minderjarige] . Het is echter wel in het belang van [minderjarige] dat het contact spoedig wordt hersteld en op structurele basis gaat plaatsvinden. Van juni 2020 tot eind 2021 is Sterk Huis betrokken geweest om het contact tussen hem en [minderjarige] te herstellen door middel van een begeleid omgangstraject. Dit traject is door de vrouw stopgezet, omdat [minderjarige] volgens haar eerst de tijd en ruimte moest krijgen om een hulpverleningstraject aan te gaan.
Uit de stukken van Sterk Huis blijkt dat de vrouw van het begin af aan weerstand vertoonde tegen omgang tussen de man en [minderjarige] . Zo heeft de vrouw in 2024 bij de rechtbank verzocht om eenhoofdig gezag over [minderjarige] , wat is afgewezen. De man heeft in die procedure bewust geen zelfstandig verzoek ingediend om een zorgregeling vast te stellen, omdat [minderjarige] op dat moment hulpverlening (speltherapie) ontving vanuit [hulpverlening] . De man wilde niet aan [minderjarige] “trekken” en wilde hem de ruimte bieden. In juli 2025 vernam de man van de vrouw dat de hulpverlening vanuit [hulpverlening] afgelopen was. De man heeft toen de vrouw verzocht om mee te werken aan een vorm van contactherstel tussen [minderjarige] en hem, maar volgens de vrouw was [minderjarige] hier nog niet aan toe. Uit de berichten van de vrouw maakt de man op dat [minderjarige] op dit moment een zeer negatief beeld heeft over hem door toedoen van de vrouw en het feit dat er al langere tijd geen contact is geweest. Er moet worden voorkomen dat de man nog meer uit zicht raakt bij [minderjarige] . De man probeert betrokken te blijven in het leven van [minderjarige] ; zo gaat hij naar de gesprekken op zijn school, maar hij mag van de vrouw geen kaartjes sturen naar hem. De man begrijpt dat het contactherstel in het begin onder begeleiding van een deskundige zal moeten plaatsvinden. Daar zou Sterk Huis weer een rol in kunnen spelen. De man staat ook open voor een raadsonderzoek. De man mist zijn zoon en is bereid
om alles aan te doen om weer contact te krijgen met [minderjarige] .
4.2
De vrouw beaamt dat in 2021-2022 uitvoering is gegeven aan een begeleide contactregeling. Nadat de school kenbaar maakte zich zorgen te maken over [minderjarige] , omdat hij op de dagen van de begeleide omgangscontacten niet lekker in zijn vel zat, is de begeleide contactregeling toen stopgezet. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is in 2023 niet verlengd. Hierbij is door de rechtbank aangegeven dat het van groot belang is dat het tempo van [minderjarige] aan te houden om te bezien of contactherstel mogelijk is en dat duidelijk is dat dit niet binnen afzienbare tijd gaat zijn. Het is juist dat in 2024 het onderzoek en de speltherapie van OnderwijsZorgTeam/Kizoom is afgerond. Uit het eindverslag, overgelegd als productie 4, bleek dat [minderjarige] er nog niet klaar voor was om het over zijn vader te hebben en dat hij zelfs blokkeert wanneer er gesproken wordt over zijn gezin van herkomst. Inmiddels is voor [minderjarige] ondersteuning ingezet bij AMO. Deze ondersteuning aan [minderjarige] richt zich op het vergroten van diens sociale vaardigheden en zelfvertrouwen. Naar de mening van de vrouw is er, anders dan de man lijkt te stellen en wellicht denkt, nog altijd geen ruimte voor contactherstel. De vrouw stelt zich op het standpunt dat een contactregeling de verdere ontwikkeling van [minderjarige] in de weg staat, waardoor omgang schadelijk is voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast heeft [minderjarige] aan de vrouw laten weten dat hij ernstige bezwaren heeft tegen contact met de man. Daarbij twijfelt de vrouw of de man geschikt en/of in staat is tot omgang, nu er tijdens de eerdere begeleide contactmomenten is gebleken dat de man niet kon aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . De vrouw kan niet anders dan concluderen dat de mogelijkheden en middelen bij de hulpverlening zijn uitgeput. Hierbij komt volgens de vrouw dat de man geen enkele keer belangstellend reageert op de informatie die zij aan hem geeft over het welzijn van [minderjarige] en hij aan hem bijvoorbeeld nooit eens kaartje stuurt.
4.3
[minderjarige] heeft aan de kinderrechter verteld dat hij op geen enkele manier openstaat voor contact met zijn vader. Iedereen verdient een tweede kans, maar zijn vader niet. Hij kent hem amper, vindt hem eng, doet gemeen tegen zijn moeder, haar vriendin [persoon] en hij verspreidt leugens. Hij benoemt ook de inhoud van e-mailwisselingen tussen zijn ouders. In 2021 heeft [minderjarige] zijn vader voor het laatst gezien en nog een keer op een trouwfeest in 2024. Zijn ouders hadden toen met elkaar afgesproken dat zijn vader [minderjarige] op het trouwfeest niet zou benaderen. Dat gebeurde toen ook niet. Tijdens het gesprek met de kinderrechter huilde [minderjarige] als hij over zijn vader sprak.
4.4
De Raad geeft aan dat sprake is van een verdrietige situatie en ziet bij [minderjarige] geen ruimte voor contact met de man. De wens van [minderjarige] dient hierin gerespecteerd te worden. Het contact van [minderjarige] met de man dient in elk geval niet geforceerd te worden. Eerst zal het beeld dat [minderjarige] van de man heeft in positieve zin moeten zijn veranderd. Daarmee zal nog een lange periode gemoeid zijn. Gezien het eerdere raadsonderzoek en de destijds uitgesproken ondertoezichtstelling ziet de Raad in een hernieuwd raadsonderzoek geen meerwaarde. De Raad geeft partijen in overweging dat bij de huidige hulpverlening van [minderjarige] (AMO) de hulpvraag wordt neergelegd om te proberen het negatieve vaderbeeld dat [minderjarige] van de man heeft in positieve zin om te buigen, waardoor er in de toekomst zo mogelijk een opening kan worden gevonden voor contact tussen [minderjarige] en de man.

5.De beoordeling

5.1
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag, zoals over een zorg- en contactregeling en over een verblijf van een minderjarige in het buitenland, op verzoek van een de ouders of een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
5.2
De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar samen afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW). Ter zitting is gebleken dat partijen over de zorg- en contactregeling niet tot overeenstemming zijn kunnen komen. Het is dan aan de rechtbank om hierover een beslissing te nemen.
5.3
Ten aanzien van de zelfstandige verzoeken van de vrouw om haar voor de reizen van [minderjarige] naar het buitenland vervangende toestemming te verlenen welke in de plaats komt van de toestemming van de man, trekt de vrouw haar verzoeken in. De man heeft ter zitting zijn medewerking verleend en de benodigde formulieren ingevuld en ondertekend. Dat brengt met zich dat haar verzoeken zullen worden afgewezen.
5.4
Ten aanzien van de zorg- en contactregeling overweegt de rechtbank als volgt. Het uitgangspunt van de wetgever is dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders, mede voor een gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling van het kind. Dit neemt niet weg dat de rechtbank met de Raad op dit moment teveel contra-indicaties ziet om het contact tussen de man en [minderjarige] te herstellen. De verhoudingen tussen partijen zijn daarvoor te zeer verstoord. De strijd tussen de ouders heeft er mede voor gezorgd dat [minderjarige] de man niet meer wil zien. Weliswaar heeft de vrouw ter zitting aangegeven dat [minderjarige] vrij is om naar de man te gaan als hij dat zou willen, maar de rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat [minderjarige] de ruimte voelt om daadwerkelijk het contact met de man aan te gaan. Op basis van het gesprek dat de kinderrechter met [minderjarige] had, heeft de rechtbank het vermoeden dat hij door de vrouw wordt belast met de ouderstrijd. Zo was [minderjarige] op de hoogte van de strijd tussen de man en [persoon] .
Dit is een vriendin van de vrouw en tevens de ex-partner van de man met wie de man ook kinderen heeft. Ook wist [minderjarige] te benoemen dat de man alleen voor hem een verzoek om contactherstel had ingediend en niet voor de kinderen die de man samen met [persoon] heeft. Verder had [minderjarige] gedetailleerde kennis van de inhoud van de e-mails die de man aan de vrouw schreef. Dit zou [minderjarige] als 12-jarige jongen niet anders kunnen weten dan dat het hem door de vrouw is verteld en/of in een omgeving is waar hij veelvuldig wordt blootgesteld aan deze informatie. Zolang hier geen verandering in komt, zal [minderjarige] bij zijn keuze blijven om geen contact te willen met de man. Uit de stukken en het kindgesprek met [minderjarige] , blijkt ook dat er bij hem erg veel weerstand bestaat voor contact met de man. Met de Raad acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om dit contact te gaan forceren. Dit zal teveel druk gaan veroorzaken en daardoor voor nog meer weerstand bij hem gaan zorgen. Dat moet te allen tijde worden voorkomen. Gelet op zijn leeftijd kan [minderjarige] , gezien zijn weerstand, ook niet meer tot contact met de man worden gedwongen. De mogelijkheden om hulpverlening in te zetten lijken uitgeput gezien de verschillende trajecten die zijn gevolgd, zowel in een vrijwillig als in een gedwongen kader. Deze hebben ook niet geleid tot een duurzaam contactherstel. Ook gelet op de medische en kindeigen problematiek van [minderjarige] , acht de rechtbank het niet in zijn belang om hem na jarenlange afwezigheid van contacten met de man daar nu opnieuw mee te belasten. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de man om een zorg- en contactregeling vast te stellen afwijzen.
5.5
Dit neemt niet weg dat de rechtbank met de Raad het uitermate belangrijk vindt dat het zeer negatieve vaderbeeld dat [minderjarige] van de man heeft, geneutraliseerd zou moeten worden. Het beeld dat [minderjarige] nu van de man heeft lijkt niet zozeer gebaseerd op eigen negatieve ervaringen, maar meer door invloed van anderen. Hij zegt namelijk zelf zich zijn vader amper te kennen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vrouw het advies van de Raad ter harte zal nemen om bij de huidige hulpverlening van [minderjarige] (AMO) hiervoor een hulpvraag neer te leggen. Hierin heeft de vrouw een grote(re) rol, omdat [minderjarige] bij haar woonachtig is en zij in direct contact staat met de huidige hulpverlening van [minderjarige] . Als gezagdragende ouder kan de man – naast de informatie die hij op grond van de beschikking van deze rechtbank van 8 juli 2024 zou moeten ontvangen van de vrouw – ook rechtstreeks bij AMO informatie over [minderjarige] opvragen.
5.6
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
wijst de verzoeken van de man en de vrouw af;
6.2
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.