De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 13 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 1995. Betrokkene betwistte de diagnose en stelde dat hij ziekte-inzicht heeft en vrijwillig meewerkt aan behandeling. De verpleegkundige bevestigde dat betrokkene momenteel stabiel is dankzij medicatie, maar dat zonder verplichte zorg de kans op decompensatie en agressie groot is.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene lijdt aan meerdere psychische stoornissen die ernstig nadeel veroorzaken, zoals levensgevaar, ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. Tijdens decompensatie vertoont betrokkene ernstig verstoord gedrag, waaronder religieuze wanen en agressie. Er is geen passende vrijwillige zorg mogelijk vanwege gebrek aan ziektebesef.
De rechtbank wees de zorgmachtiging toe voor de duur van twaalf maanden, waarbij verplichte medicatie, medische controles en beperkingen in de vrijheid worden opgelegd. Minder ingrijpende alternatieven zijn niet beschikbaar. De machtiging geldt tot 13 maart 2027. Het verzoek tot aanvullende vormen van verplichte zorg werd afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.