Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2896

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/444227 / JE RK 26-113
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Voorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in pleegzorg voor minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor pleegzorg. De minderjarige verblijft momenteel bij het netwerkpleeggezin van zijn grootmoeder vaderszijde (oma), maar de GI acht een neutraal pleeggezin noodzakelijk vanwege risico's voor de ontwikkeling van het kind.

De kinderrechter heeft diverse rapportages en verklaringen in overweging genomen, waaronder die van de GI, ouders, grootouders en hulpverleners. Er zijn zorgen over opstandig gedrag van de minderjarige, mogelijke loyaliteitsconflicten, en moeizame samenwerking tussen grootouders en hulpverlening. De moeder uitte angst voor loyaliteitsproblemen en intimidatie door de grootmoeder.

De rechtbank concludeert dat een neutraal pleeggezin de voorkeur verdient om rust, stabiliteit en onbelast contact met beide ouders en familie te waarborgen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 15 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een neutraal pleeggezin wordt verlengd tot 15 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444227 / JE RK 26-113
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Nadere beschikking verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter te Hulst,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
mevrouw
[oma mz], grootmoeder vaderszijde
hierna te noemen: oma (vz),
wonende te [plaats 2] , België.
mevrouw
[persoon], gedragswetenschapper [hulpverlening]
hierna te noemen: mevrouw [persoon] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van 10 februari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van de GI van 5 maart 2026;
- de brief van mr. Broekman-de Feijter d.d. 10 maart 2026, met bijlagen;
- de op 11 maart 2026 ingekomen briefrapportage van de GI, met bijlagen;
- het op 12 maart 2026 ontvangen aanvullend verzoek van de GI.
1.2.
De (nadere) zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr. N. Wouters;
- mr. Broekman-de Feijter;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- oma (vz);
- mevrouw [persoon] .
De moeder is - met kennisgeving – niet ter zitting verschenen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 17 juni 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] , zonder voorafgaand horen van de belanghebbende(n), voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 juni 2025 en tot 1 juli 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 17 juni 2025 en tot 1 juli 2025. Het overige deel van de beslissingen is aangehouden tot aan de mondelinge behandeling op 30 juni 2025.
2.3.
Bij beschikking van 30 juni 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 1 juli 2025 en tot 17 september 2025. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 1 juli 2025 en tot 17 september 2025.
2.4.
Bij beschikking van 15 september 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 15 september 2026. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, te weten een plaatsing binnen het (crisis)pleeggezin of het netwerkpleeggezin van oma (vz) verleend tot 15 maart 2026.
2.5.
Op grond van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] thans bij het netwerkpleeggezin van oma (vz).
2.6.
Bij beschikking van 10 februari 2026 is het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg aangehouden tot de zitting van 13 maart 2026, met het verzoek aan de GI om uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan die zitting aanvullend te rapporteren.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg tot einde ondertoezichtstelling, te weten tot 15 september 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De verdere beoordeling

4.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 kan de kinderrechter de duur telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
4.2.
In voornoemde beschikking van 10 februari 2026 heeft de kinderrechter – kort samengevat - overwogen er niet van overtuigd te zijn dat er geen andere optie bestaat dan een overplaatsing van [minderjarige] naar een voor hem onbekend pleeggezin. Dit geldt temeer nu het beoogde pleeggezin op [plaats 3] woont terwijl het leven van [minderjarige] zich thans afspeelt in [plaats 4] . Het verzoek is daarom aangehouden tot de onderhavige zitting van 13 maart 2026 om de GI in de gelegenheid te stellen nadere stukken aan te leveren ter onderbouwing van haar verzoek en daartoe eventueel nader onderzoek te doen en indien nodig het verzoek aan te vullen dan wel aan te passen.
4.3.
De GI heeft op 11 maart 2026 gerapporteerd. De GI blijft van mening dat een verblijf van [minderjarige] bij grootouders (vz) op dit moment risico’s met zich meebrengt voor zijn ontwikkeling, waardoor plaatsing in een neutraal pleeggezin de voorkeur heeft. De GI heeft ter nadere onderbouwing van haar standpunt verslagen van de bezoekbegeleiding bij ouders overgelegd, een rapportage van de pleegzorgbegeleiding van het voormalig pleeggezin van [minderjarige] , een rapportage van [jeugdhulp] die ambulante begeleiding biedt sinds april 2025, een rapportage van het kinderdagverblijf van [minderjarige] en een (uitgebreid) visiestuk van [hulpverlening] over de screening van oma (vz) als pleeggezin.
4.4.
De moeder heeft in een gesprek van 19 februari 2026 met de jeugdbeschermers verklaard dat zij vreest dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict terechtkomt en dat er mogelijk negatief over haar gesproken wordt in zijn bijzijn. Daarnaast benoemt de moeder dat zij zich geïntimideerd voelt door oma (vz) en zich eigenlijk niet kan vinden in een plaatsing bij grootouders (vz).
4.5.
Vader en grootouders (vz) zijn het niet eens met de negatieve screening en de door de GI gewenste plaatsing in een neutraal pleeggezin en geven aan dat zij in staat zijn om de zorg voor [minderjarige] te dragen. De vader geeft in het gesprek van 27 februari 2026 aan dat hij de huidige plaatsing bij grootouders als positief ervaart en dat hij hoopt dat [minderjarige] daar voorlopig kan blijven.
4.6.
De kinderrechter overweegt als volgt.
4.7.
Gezien wordt dat oma (vz) het beste voor heeft met [minderjarige] en dat zij een goede oma is voor [minderjarige] . De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of dit ook met zich brengt dat oma (vz) als pleeggezin dient te fungeren voor [minderjarige] of dat een neutraal pleeggezin de voorkeur verdient. De kinderrechter is alles afwegende van oordeel dat een neutraal pleeggezin de voorkeur verdient, en overweegt daartoe als volgt.
4.8.
Uit de overgelegde stukken volgt dat na een breakdown in het crisispleeggezin op 10 februari 2026 en in afwachting van de aangehouden zitting van 13 maart 2026, ervoor gekozen is om [minderjarige] - conform de huidige beschikking - voorlopig te laten verblijven bij oma (vz) en haar partner. Sinds het verblijf bij oma (vz) zien beide ouders, de kinderopvang en de bezoekbegeleiding een verandering in [minderjarige] zijn gedrag. Zij omschrijven dit als opstandig gedrag waarin hij moeilijk te begrenzen is. Eerder werd dit gedrag door het (crisis)pleeggezin en de bezoekbegeleider ook opgemerkt na logeerweekenden bij oma (vz). Onduidelijk is of dit voortkomt uit de wisselingen in opvoedsituatie, uit onduidelijkheid voor [minderjarige] waar hij mag verblijven of dat dit te herleiden is tot de specifieke situatie bij oma (vz).
4.9.
Verder zijn er zorgen over de mate waarin [minderjarige] emotionele toestemming krijgt om onbelast contact te hebben met beide ouders, met name met moeder. In de netwerkscreening van [hulpverlening] (van december 2025) wordt beschreven dat er zorgen bestaan over negatieve uitlatingen over moeder en de mogelijke impact daarvan op [minderjarige] ’s loyaliteit en identiteitsontwikkeling. De GI ziet in de gesprekken die zij recent heeft gevoerd met de ouders en oma (vz) dat er sprake is van spanningen, verwijten en wantrouwen tussen beide families. Ook eerdere overleggen met ouders en hun families laten zien dat de samenwerking moeizaam verloopt, waarbij familieleden (beide oma’s) regelmatig partij kiezen voor hun eigen kind. Hierdoor bestaat het risico dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen verschillende loyaliteiten, wat een negatieve impact kan hebben op zijn sociaal- emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling.
4.10.
Uit eerdere overleggen en uit voornoemde netwerkscreening van [hulpverlening] blijkt dat samenwerking tussen oma (vz) en partner en de hulpverlening moeizaam verloopt. Ook ziet de GI signalen dat oma (vz) moeite heeft om zich te laten ondersteunen en sturen wanneer het gaat om beslissingen in het belang van [minderjarige] . In de netwerkscreening van [hulpverlening] wordt verder beschreven dat grootouders (vz) zich wisselend en onvoldoende transparant tonen in contact met hulpverlening en dat afspraken rondom contactmomenten niet altijd worden nageleefd. Ook vanuit de kinderopvang worden signalen gegeven dat oma (vz) regelmatig verschillende informatie en vragen verstrekt aan medewerkers en gemaakte afspraken herhaaldelijk probeert te omzeilen of veranderen, wat binnen het team voor verwarring zorgt.
4.11.
Deze zorgen zijn naar het oordeel van de kinderrechter zodanig dat de belangen van [minderjarige] het noodzakelijk maken dat hij in een neutraal pleeggezin wordt geplaatst. In een neutraal pleeggezin kan hij zich richten op zijn ontwikkelingstaken en kan er ruimte zijn voor onbelast contact met zowel vader, moeder als de familie van beide ouders, zonder dat hij (in)direct geconfronteerd wordt met loyaliteitsproblematiek. De kinderrechter acht het voorts noodzakelijk dat er een pleegzorgorganisatie betrokken is ter ondersteuning van pleegouders om professioneel zicht te houden op de opvoedsituatie en de ontwikkeling van [minderjarige] , waarmee een goede samenwerking kan plaatsvinden, zodat het pleeggezin in staat is om contact met voor [minderjarige] belangrijke personen te waarborgen. Dit alles klemt temeer nu [minderjarige] in zijn jonge leven al veel heeft meegemaakt. Er dient voor hem zo snel mogelijk rust, stabiliteit en continuïteit te worden bereikt. Pleegzorgondersteuning kan pleegouders begeleiden bij het bieden van passende opvoeding en zou ondersteuning kunnen geven bij de ontwikkeling van [minderjarige] .
4.12.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW. De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen tot einde ondertoezichtstelling, te weten tot 15 september 2026.
4.13.
De rechtbank zal, gelet op de aard van de maatregel, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
4.14.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 maart 2026 tot 15 september 2026;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van De Pooter als griffier, en op schrift gesteld op 31 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.