Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2897

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/444430 / JE RK 26-152
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Gessel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 maart 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2012.

De moeder, die het ouderlijk gezag heeft, stemt in met de verlenging maar acht terugkeer naar huis nog te vroeg vanwege de complexe problematiek van het kind en de noodzaak van behandeling en begeleiding. De minderjarige vertoont complex gedrag en is sociaal-emotioneel kwetsbaar, met een beperkt vermogen om spanning en boosheid te reguleren.

De kinderrechter overweegt dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging van zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing wordt voldaan. De GI zal de regie houden over behandeling en begeleiding, gericht op een gefaseerde terugkeer naar huis. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt tot 18 maart 2027.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 18 maart 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444430 / JE RK 26-152
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Y.I.B. Grosfeld uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026;
  • het bericht van [minderjarige] van 5 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 oktober 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 oktober 2025 tot 19 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar.
3.2.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van één jaar.
3.3.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] toont complex gedrag. De GI ziet dat er positieve stappen zijn gezet door de moeder. Er heeft diagnostisch onderzoek plaatsgevonden. Half maart zal de uitslag daarvan worden besproken. Er wordt gekeken wat voor behandeling voor [minderjarige] nodig is en wat voor handvatten en ondersteuning de moeder daarbij nodig heeft. De GI zal het komende jaar richten op de terugkeer van [minderjarige] naar de moeder. Daarvoor is een goede opbouw en samenwerking nodig. De moeder ervaart een goede samenwerking met de [accommodatie] . De komende periode zal er veel veranderen voor [minderjarige] . De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing met één jaar te verlengen en niet bijvoorbeeld met een half jaar, omdat de overgang naar de middelbare school, die veel prikkels zal veroorzaken, dan net buiten de verlenging zou vallen. De GI merkt op dat als alles goed verloopt er kan worden toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillig kader.

5.Het standpunt van belanghebbende

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Er zijn stappen gezet en het liefste zou de moeder [minderjarige] thuis hebben, maar zij vindt dit nog te vroeg. De moeder kan goed overweg met de jeugdbeschermer. Half maart komt de uitslag van het diagnostisch onderzoek. De moeder vindt het belangrijk dit af te wachten om te weten wat voor behandeling [minderjarige] nodig heeft. Eind 2025 had [minderjarige] een terugval bij de moeder thuis en zij wil voorkomen dat het weer escaleert. Daarbij speelt een rol dat er de komende periode veel zal veranderen voor [minderjarige] . Hij gaat na de zomer naar de middelbare school, zal binnenkort verhuizen van [plaats 1] naar [plaats 2] en zal starten met een behandeling. Ook speelt het een rol dat de moeder nog twee andere jonge kinderen heeft. [minderjarige] zit tijdelijk in [plaats 1] , waardoor de moeder hem minder ziet. In [plaats 2] werkt de oude voogd van [minderjarige] . De moeder wil niet dat [minderjarige] contact met hem heeft. De moeder vindt het belangrijk dat het er een goede opbouw is in de terugkeer van [minderjarige] naar huis.
6.
De beoordeling
Ondertoezichtstelling
6.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling voldaan. Er is sprake van kind-eigenproblematiek en [minderjarige] toont complex gedrag. De GI maakt zich zorgen over de sociaal-emotionele kwetsbaarheid van [minderjarige] en zijn beperkte vermogen om spanning, teleurstelling en boosheid te reguleren. De kinderrechter ziet dat er ook veel positieve stappen zijn gezet. [minderjarige] heeft het naar zijn zin op de [accommodatie] en vindt het fijn op school. De moeder en jeugdbeschermer hebben een goede klik en begrijpen elkaar. De GI zal aan de hand van de uitslag van het diagnostisch onderzoek een behandeling voor [minderjarige] moeten inzetten. Ook moet de GI onderzoeken welke begeleiding de moeder nodig heeft. Het is belangrijk dat de GI de regie hierover blijft voeren. Als alles goed verloopt kan worden toegewerkt naar een overdracht naar het vrijwillig kader. De kinderrechter is van oordeel dat dit niet overhaast moet gebeuren. De komende periode zal er veel veranderen voor [minderjarige] , waardoor hij mogelijk meer prikkels en stress ervaart.
Uithuisplaatsing
6.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.5.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.6.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter dat ook aan de voorwaarden voor het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing wordt voldaan. De kinderrechter ziet dat de moeder het graag goed wil doen voor [minderjarige] en dat zij zich zorgen maakt over de terugkeer van [minderjarige] naar de moeder thuis. De kinderrechter merkt op dat het een goed teken is dat [minderjarige] graag terug naar de moeder wil. De kinderrechter is van oordeel dat het daar op dit moment te vroeg voor. Er moeten eerst nog belangrijke stappen worden gezet. Aan de hand van het diagnostisch onderzoek moet een passende behandeling voor [minderjarige] worden gezocht. Ook moet er begeleiding voor de moeder worden gezocht, zodat zij handvatten heeft om met het complexe gedrag van [minderjarige] in de thuissituatie om te gaan. Het is belangrijk dat deze behandeling en begeleiding starten vanuit een rustige en stabiele plek zodat er een goede basis kan worden gelegd voor een veilige, gefaseerde terugkeer van [minderjarige] naar huis.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 maart 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 maart 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing mondeling is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 7 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.