Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2900

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/445673 / JE RK 26-365
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen wegens onveilige opvoedsituatie en impasse in samenwerking ouders en hulpverlening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen uit een gezin met ernstige opvoedkundige problemen. De minderjarigen wonen bij hun ouders, die belast zijn met het ouderlijk gezag. Er zijn grote zorgen over emotionele en fysieke kindermishandeling, emotionele stress en ontwikkelingsproblemen bij de kinderen. De ouders vertonen wantrouwen en weerstand tegen hulpverlening, wat leidt tot een impasse.

De GI heeft MST-CAN ingezet, een intensieve gezinsbehandeling, maar constateert dat de ouders onvoldoende meewerken en de veiligheid van de minderjarigen niet langer kan worden gegarandeerd. De ouders ontkennen de ernst van de situatie en benadrukken hun bereidheid tot hulpverlening, maar erkennen ook incidenten en spanningen.

De kinderrechter concludeert dat de situatie onveilig is en dat de samenwerking tussen ouders, GI en hulpverlening is vastgelopen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 8 augustus 2026, met de verwachting dat de minderjarigen op dezelfde groep worden geplaatst en zo spoedig mogelijk binnen de eigen regio. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen tot 8 augustus 2026 wegens onveilige opvoedsituatie en impasse in samenwerking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445673 / JE RK 26-365
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
beide wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.A. Nunnikhoven te Tilburg.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven beschikking van 5 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;
- het e-mailbericht van de vader van 10 maart 2026, inhoudende dat de minderjarigen niet naar het kindgesprek kunnen komen;
- het bericht met bijlage van de GI van 11 maart 2026, betreffende een tussenevaluatie van MST-CAN.
1.2.
Op 13 maart 2026 heeft de kinderrechter het resterende verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord;
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat,
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kingesprek’. Hiervan hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gebruik gemaakt op 10 maart 2026. [minderjarige 3] heeft niet met de kinderrechter gepraat. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] digitaal, via MS-Teams, gesproken. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] haar hebben verteld, waarna zij in de gelegenheid zijn gesteld om daarop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).
2.2.
De minderjarigen wonen bij hun ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd met ingang van 8 augustus 2025 tot 8 augustus 2026.
2.4.
Laatstelijk, bij de in deze zaak gegeven beschikking van 5 maart 2026, heeft de kinderrechter het spoedverzoek van de GI om de minderjarigen uit huis te plaatsen afgewezen onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het (resterende) verzoek

Ter beoordeling ligt thans het volgende resterende verzoek voor.
3.1.
De GI verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlenen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het (nadere) standpunt van de GI

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Hoewel wordt gezien dat de ouders zielsveel van hun kinderen houden, zijn er grote zorgen. Het gezin is bekend met emotionele en fysieke kindermishandeling. De minderjarigen zijn getuige van ruzies tussen hun ouders. Bij de minderjarigen is sprake van emotionele stress, mogelijk trauma en ontwikkelingsproblemen. Op school zijn er zorgelijke uitspraken gedaan. Zo heeft [minderjarige 3] verteld dat het niet fijn is thuis, dat er ruzies zijn en dat er geschreeuwd wordt. Verder is zorgelijk dat de minderjarigen zich zorgen maken om hun moeder. Ook de ouders zelf hebben te kampen met persoonlijke problematiek.
4.2.
De ouders zijn ermee bekend dat zij hulpverlening en de GI wantrouwen. Met de vorige jeugdbeschermers was er een slechte samenwerkingsrelatie. Met de nieuwe jeugdbeschermers is dat niet anders. Naar de jeugdbeschermers en ook richting school worden door de ouders dingen benoemd als ‘we zoeken jullie op’ of woorden van gelijke strekking. De veiligheid van de jeugdbeschermers komt daarmee in het geding. Op 6 februari 2026 is het thuis, in het bijzijn van de hulpverlening, geëscaleerd.
4.3.
Binnen de ondertoezichtstelling is MST-CAN ingezet. Dit is een intensieve, outreachende gezinsbehandeling door een multidisciplinair behandelteam voor
gezinnen waarbij sprake is van kindermishandeling en/of -verwaarlozing. Samen met [hulpverlening 1] , vanwege de licht verstandelijke beperking van de ouders, is bekeken hoe MST-CAN binnen het gezin kan worden vormgegeven. Binnen MST-CAN wordt gezien dat de ouders graag stappen willen zetten, maar hen dit vanuit hun eigen persoonlijke problematiek niet lukt. Hoewel de fysieke mishandeling is afgenomen, kunnen de ouders niet structureel de juiste stappen zetten. Zij hebben traumabehandeling nodig, maar MST-CAN komt hierin niet verder. De vader had hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] , welke is afgesloten omdat hij geen hulpvraag had. Het patroon wat de ouders hiermee laten zien, is al twee jaar aan de gang. De vader die veel werkt, is voor hulpverlening weinig beschikbaar. Hoewel de GI weet dat de vader een drukke baan heeft en hij de kostwinner van het gezin is, is zijn deelname aan hulpverlening te beperkt. Daarnaast blijft de situatie bestaan dat de ouders de bestaande problemen onvoldoende erkennen en zij deze externaliseren. MST-CAN heeft aangegeven de veiligheid van de minderjarigen niet langer te kunnen waarborgen. Dat deze specialistische hulpverlening dit aangeeft is reden tot grote zorg en daarmee een reden tot ingrijpen.
4.4.
De GI wil met de machtiging enerzijds de minderjarigen beschermen, en anderzijds de ouders de ruimte geven om met hun persoonlijke problematiek aan de slag te gaan en trauma te verwerken. Wanneer het verzoek wordt toegewezen, zullen de minderjarigen samen, op dezelfde groep, worden geplaatst. Dit zal zijn buiten de eigen regio. Dit betekent dat de minderjarigen niet op hun huidige scholen kunnen blijven. Op korte termijn zal er echter plek zijn voor een plaatsing binnen de eigen regio. De GI benadrukt tot slot dat zij de machtiging beschouwt als een ultimum remedium en het de bedoeling is dat er zal worden teruggewerkt naar een thuisplaatsing.
4.5.
De GI vraagt de kinderrechter in deze zaak mondeling uitspraak te doen, nu de GI ervoor vreest dat wanneer de minderjarigen op een later moment thuis moeten worden opgehaald dit voor veiligheidsproblemen zorgt en betrokkenheid van de politie noodzakelijk is. Dat is niet in het belang van de minderjarigen.

5.Het standpunt van de ouders

5.1.
Door de vader wordt, samengevat, naar voren gebracht dat hij zich tegen het verzoek verzet. Dat de vader geen hulpverlening wil is onjuist. Hij wil juist meewerken aan hulpverlening, maar dit kan simpelweg niet altijd vanwege zijn beroep als vrachtwagenchauffeur. Hij is de kostwinner van het gezin en kan niet te pas en te onpas thuis zijn als de GI daarom vraagt. Daarnaast heeft de vader zelf hulpverlening proberen te zoeken in de vorm van PMT. Hier wordt door de GI geen gevolg aan gegeven. De vader benadrukt altijd het beste voor zijn kinderen te willen en de hulpverlening, zoals MST-CAN, nooit te hebben tegengewerkt. Hulpverlening is nooit de deur geweigerd. De ouders kunnen met een agenda aantonen dat het juist beter gaat. De ouders hebben de minderjarigen uit de wind proberen te houden en hebben de GI daarom gevraagd om hen niet via school te benaderen. De vader erkent dingen te hebben gezegd uit emotie, wat hij achteraf gezien niet had moeten doen. Ook de woordenwisseling van 6 februari 2026 wordt door de vader erkend. Dit kwam omdat de spanning hoog zat.
5.2.
De moeder vult hierop, samengevat, het volgende aan. Wanneer de minderjarigen uit huis worden geplaatst gaan zij daaraan kapot. Het zal hen slecht doen. Ook de moeder geeft aan open te staan voor MST-CAN. Het is echter de hulpverlening die afspraken afzegt of niet op komt dagen op afgesproken momenten. In de stukken worden dingen verdraaid en dat stoort de ouders.
5.3.
Namens de ouders voert mr. Nunnikhoven, samengevat, het volgende aan. De ouders verzetten zich tegen het verzoek en verzoeken de kinderrechter dan ook om dit af te wijzen. Volgens de ouders kloppen de zorgen van de GI niet. Sterker nog, er zijn ook doelen behaald. Zo is van fysieke mishandeling geen sprake meer. De GI benoemt daarover dat dat doel enigszins is behaald. Het stoort de ouders dat de GI niet meldt dat het doel gewoon behaald is. Immers, als de GI constateert dat er geen fysieke mishandeling is, dan moet geconstateerd worden dat het doel is behaald. Door dit niet te doen, zet de GI in de stukken een bepaalde toon. Daar hebben de ouders moeite mee. Ook wordt steeds teruggegrepen naar de escalatie op 6 februari 2026, wat slechts een incident was en niet vaker is voorgevallen. De ouders hebben bovendien een agenda ter beschikking waaruit volgt dat er vinkjes worden gezet, wat laat zien dat het meer dan twaalf weken achter elkaar goed gaat. Ook dit wordt door de GI niet benoemd. De ouders benadrukken dat zij hulpverlening willen, sterker nog, zij proberen dit ook zelf te organiseren ondanks persoonlijke problematiek en de fysieke toestand van de moeder. Zij beseffen dat er sprake is van trauma en daarvoor hulpverlening nodig is. Een machtiging tot uithuisplaatsing is bedoeld als ultimum remedium en kan worden ingezet als dit strikt noodzakelijk is. Volgens de ouders is daarvan geen sprake. Daarbij komt dat het schadelijk voor de minderjarigen zal zijn als zij buiten de regio worden geplaatst en zij niet meer naar hun eigen school kunnen. Die situatie is ernstiger dan de situatie thuis.

6.De (nadere) beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
6.2.
Uit de overlegde stukken en wat is besproken tijdens de zitting, is gebleken dat er grote zorgen zijn over de minderjarigen. Binnen het gezin is sprake geweest van fysieke en emotionele kindermishandeling, verbale en fysieke agressie en verwaarlozing van de minderjarigen. Bij de minderjarigen is sprake van emotionele stress, ontwikkelingsproblemen en mogelijk trauma. Er is sprake van een instabiele en onveilige opvoedsituatie waarbij de minderjarigen chronisch worden blootgesteld aan risico’s die hun welzijn ernstig bedreigen. De moeder heeft lichamelijke problemen en valt regelmatig flauw. De minderjarigen zijn hiervan getuige en maken zich zorgen om hun moeder. Bij [minderjarige 1] is sprake van parentificatie, zo neemt zij verantwoordelijkheden op zich die bij de ouders horen.
6.3.
In het kader van de ondertoezichtstelling is MST-CAN ingezet. Deze intensieve en specialistische behandeling vindt plaats in de thuissituatie. Gezien wordt dat de vader, vanwege zijn werk, beperkt beschikbaar is. Erkenning van de onderliggende problematiek blijft voor de ouders een probleem. MST-CAN verwacht daardoor dat er geen verbetering op de behandeldoelen behaald zal worden. De kinderrechter acht dit zorgelijk. Binnen het gezin wordt door hulpverlening gezien dat de problemen vooral systeemgedreven zijn. De ouders lijken de problemen regelmatig te normaliseren of te externaliseren. Dit wordt mede beïnvloed door het licht verstandelijke beperkt functioneren van beide ouders, wat hun inzicht en reflectievermogen beperkt. Gezien wordt dat de ouders veel om de minderjarigen geven maar dat de ouders hulpverlening nodig hebben. Weliswaar zetten de ouders hierin kleine stappen maar het bewerkstelligen van grote veranderingen wordt niet mogelijk geacht. De GI en MST-CAN hebben herhaaldelijk met de ouders besproken dat doelen moeten worden gehaald om een uithuisplaatsing te voorkomen. Desondanks is er geen structurele verbetering zichtbaar.
6.4.
Uit de overlegde stukken en tijdens de zitting is daarnaast gebleken dat de ouders het vertrouwen in de GI zijn verloren. De ouders betichten de GI van liegen en zij stellen zich dreigend op naar de jeugdbeschermers. Ook in de hulpverlening van MST-CAN hebben de ouders geen vertrouwen meer, waarbij de vader als hij spanning ervaart en zijn emoties niet goed kan reguleren, met stemverheffing spreekt en schreeuwt richting hulpverlening, alsook richting de minderjarigen die op dat moment in de woning aanwezig waren. Op dit moment komt hulpverlening niet meer bij de ouders binnen en ook de GI wordt geweerd. Hiermee is de situatie ontstaan dat er onvoldoende zicht is op de minderjarigen die in een toch al kwetsbare situatie zitten.
6.5.
Samen met de GI maakt de kinderrechter zich enerzijds zorgen over de beperkte mogelijkheid van de ouders waardoor hulpverlening niet verder komt. Anderzijds heeft ook de kinderrechter zorgen over de emotionele veiligheid van de minderjarigen.
6.6.
De kinderrechter kan niet anders dan constateren dat er een impasse is bereikt waar de ouders, de GI en hulpverlening niet kunnen uitkomen. De samenwerking tussen de ouders en de GI en de ouders en betrokken hulpverlening is gestagneerd. De GI schat in dat er een risico is op een onveilige opvoedsituatie. De ouders zitten hoog in de emotie en hebben moeite met de regulatie daarvan, ook richting de GI en de hulpverlening. MST-CAN schat in dat er een verhoogd risico is op onveiligheid. Daarnaast acht de GI het doorbreken van de barrière (zoals wantrouwen, zich dreigend opstellen en het niet meewerken aan hulpverlening) en het verder werken aan gestelde doelen niet mogelijk zonder uithuisplaatsing. De kinderrechter volgt de GI hierin. Sterker nog, het lijkt erop dat de weerstand van de ouders tegen de GI en de hulpverlening alleen maar is toegenomen.
6.7.
Dit leidt ertoe dat de kinderrechter een uithuisplaatsing noodzakelijk acht. Naar het oordeel van de kinderrechter kunnen de ouders op dit moment onvoldoende verantwoordelijkheid dragen voor de veiligheid van de minderjarigen. Hulpverlening krijgt hierop geen zicht meer. De kinderrechter hoopt dat de ouders deze periode aangrijpen om individuele hulpverlening aan te gaan, waarbij voor de vader een traject passend wordt geacht gericht op het omgaan met stress, eventueel ondersteund door traumabehandeling. Voor de moeder hoort hierbij dat zij een traject volgt in het kader van haar pedagogische vaardigheden en zich daarin verder te versterken, rekening houdend met haar fysieke beperking.
6.8.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlenen voor de verzochte duur, te weten voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 8 augustus 2026.
6.9.
Hoewel de kinderrechter niet gaat over de invulling en uitvoering van de machtiging, hecht zij er wel waarde aan om op te merken dat zij uitgaat van de toezegging van de GI dat de minderjarigen op dezelfde groep worden geplaatst. De kinderrechter gaat daarbij ook uit van de toezegging dat de minderjarigen op een zo’n kort mogelijke termijn binnen de eigen regio worden geplaatst. Daarnaast geeft de kinderrechter de ouders nog het volgende mee. In de komende maanden is het van belang – hoe moeilijk dat ook is –
dat de stress en spanning vermindert zodat een vorm van samenwerking kan ontstaan met de GI en de hulpverlening, waarbij ieder voor zich alsook gezamenlijk daadwerkelijk gewerkt kan worden aan de afspraken en doelen. De kinderrechter moedigt beide ouders aan om ook in de komende maanden met de GI en andere hulpverlening op een constructieve wijze om de tafel te gaan.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.10.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er daartegen beroep wordt ingesteld.
6.11.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 maart 2026 tot
8 augustus 2026;
7.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 20 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.