Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.[de vrouw] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. 1],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele zaak verzoekt de man de rechtbank om herstel dan wel aanvulling van het vonnis van 17 december 2025. Hij wil een specifieke zinsnede toegevoegd zien aan het dictum, die betrekking heeft op de voorwaarden waaronder hij kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en de levering van de woning.
De vrouw en haar vennootschap verzetten zich tegen dit verzoek. De rechtbank beoordeelt dat herstel op grond van artikel 31 Rv Pro alleen mogelijk is bij een kennelijke schrijffout, rekenfout of evidente omissie die zich leent voor eenvoudig herstel. Aanvulling op grond van artikel 32 Rv Pro is alleen mogelijk als de rechter heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek van de man niet ziet op een kennelijke fout of verzuim, maar op een verduidelijking van het dictum. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af. Het vonnis is gewezen door de rechters Hopmans, Van Dijk en Bastiaansen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Uitkomst: Het verzoek tot herstel dan wel aanvulling van het vonnis wordt afgewezen omdat geen sprake is van een kennelijke fout of verzuim.