Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2932

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/424892 FA RK 24-3384
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 EU-Verordening 2019/1111Art. 265 RvArt. 15 HKBV 1996Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gezamenlijk ouderlijk gezag en omgangsregeling voor minderjarige na erkenning

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man om gezamenlijk ouderlijk gezag te verkrijgen over zijn erkende minderjarige kind en om een omgangsregeling vast te stellen. De vrouw voerde verweer en verzocht onder meer om een omgangsregeling in de oneven weken en een kinderalimentatie van €155 per maand.

Na een jeugd(hulpverlening)traject via het Uniform Hulpaanbod (UHA) en diverse rapportages, bleek dat beide ouders een stabiele thuissituatie bieden en een concept ouderschapsplan hadden opgesteld. De rechtbank oordeelde dat gezamenlijk gezag in het belang van het kind is, ondanks het broze vertrouwen tussen ouders. De omgangsregeling werd vastgesteld op vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur in de oneven weken, met praktische afspraken over halen en brengen.

De man trok zijn verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning en de informatie- en consultatieregeling in. De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op €70 per maand, ingaande maart 2026, en compenseerde de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De taak van de bijzondere curator werd beëindigd en de gemaakte afspraken werden opgenomen in de beschikking.

Uitkomst: Partijen worden gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag en een omgangsregeling en kinderalimentatie worden vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/424892 FA RK 24-3384
datum uitspraak: 13 maart 2026
Nadere beschikking betreffende vervangende toestemming erkenning, gezag, omgang en informatie
in de zaak van
[de man], hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.S. Winter, gevestigd te Rotterdam,
en
[de vrouw], hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. M.B.R. Kranenburg, gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022, hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal in de procedure worden gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 28 november 2024 tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] en alle daarin genoemde stukken;
- het verslag van de bijzondere curator van 16 december 2024;
- de brief van mr. Kranenburg van 13 maart 2025;
- het F4-formulier van mr. Winter van 14 maart 2025;
- het op 25 juli 2025 ontvangen rapport van het UHA met bijlage;
- de brief van 28 augustus 2025 van de Raad;
- het F9-formulier van de bijzondere curator van 4 september 2025;
- het F9-formulier van mr. Winter van 30 oktober 2025;
- de brief van de Raad van 28 oktober 2025;
- de brief van de bijzondere curator van 13 november 2025;
- het F9-formulier van mr. Winter van 25 november 2025;
- de brief van mr. Kranenburg van 25 november 2025;
- het op 24 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 30 juli 2024;
- de beschikking provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro van 20 december 2024.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 2 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat, alsmede een juridisch medewerkster van het kantoor van mr. Kranenburg. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster en stagiair van de Raad.

2.De feiten

2.1.
Uit de vrouw is geboren de minderjarige:
- [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .
2.2.
[minderjarige] is in 2025 door de man erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
De man heeft de Surinaamse nationaliteit. De vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De man, de vrouw en [minderjarige] hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 30 juli zijn de man en de vrouw onder andere verwezen naar een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod (UHA). Dit traject is inmiddels afgerond en heeft geleid tot een concept ouderschapsplan.

3.De nu nog voorliggende verzoeken

3.1.
De man verzoekt nu, samengevat:
  • hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ;
  • vaststelling van een omgangsregeling;
  • vaststelling van een informatie- en (voorwaardelijke) consultatieregeling, in die zin dat de vrouw tenminste eenmaal per maand aan de man informatie verstrekt omtrent de ontwikkelingen van [minderjarige] , waarbij de man ook op de hoogte wordt gehouden van medische aangelegenheden, zoals afspraken met artsen en ziekenhuisbezoeken, alsook van eventuele wijzigingen in de geestelijke en lichamelijke gesteldheid van [minderjarige] en van buitenlandse vakanties.
3.2.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht, bij wege van zelfstandig verzoek, samengevat:
  • het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] in de oneven weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur waarbij [minderjarige] door de man op zaterdag 10.00 uur wordt opgehaald van het station te [plaats] en op zondag om 17.00 uur weer wordt opgehaald door de vrouw van het station [plaats] ;
  • te bepalen dat de verdeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen en bijzondere dagen zal gelden conform het geldende en getekende ouderschapsplan van 24 juli 2025 en zoals opgenomen vanaf pagina 6 e.v.;
  • De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , met ingang van 1 december 2025 wordt vastgesteld op € 155,= per maand.

4.De nadere beoordeling

Erkenning
4.1.
De man heeft zijn verzoek om vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige] op 30 oktober 2025 ingetrokken, nu de erkenning inmiddels heeft plaatsgevonden. Dit verzoek behoeft dan ook geen nadere bespreking meer en zal vanwege de intrekking worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in de procedure dan ook als beëindigd kan worden beschouwd.
Omgangsregeling, gezag en informatieregeling
4.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van de man te beoordelen, nu [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek zijn gewone verblijfplaats had in Nederland. Op grond van artikel 265 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank.
4.3.
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 15 HKBV Pro 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op de verzoeken over gezag, omgang en informatie.
4.4.
Op 25 juli 2025 heeft de rechtbank de rapportage van het UHA ontvangen. Uit dat rapport blijkt, kort samengevat, dat het traject deels is geslaagd. Beide ouders bieden [minderjarige] een stabiele en warme thuissituatie, de communicatie vindt plaats op ouderniveau en er zijn nauwelijks conflicten of discussies. Partijen hebben een concept ouderschapsplan opgesteld, waarin zij een reguliere omgangsregeling zijn overeengekomen en ook een verdeling van de vakanties, mede gericht op de toekomst. [minderjarige] zal volgens de reguliere regeling in de oneven weken op zaterdag van 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven. Hierbij is rekening gehouden met de afstand tussen partijen en de omstandigheid dat per openbaar vervoer gereisd wordt. Het doel van beide ouders is dat [minderjarige] op vrijdagavond al naar de man toe kan gaan. Ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan nam de man het halen en brengen voor zijn rekening in verband met de zwangerschap van de vrouw. Uit de rapportage blijkt dat moeder open staat om de omgang uit te breiden naar de vrijdagavond, maar er kan nog geen besluit genomen worden door onenigheid over het halen en brengen. De zorgaanbieder adviseert de rechtbank om uitspraak te doen over uitbreiding van de omgang naar vrijdagavond en de verdeling van het halen en brengen. Ondanks de positieve ontwikkeling in de samenwerking, blijft het onderlinge vertrouwen broos als gevolg van negatieve ervaringen in het verleden. De procedure bij de rechtbank vormt een risico, deze kan leiden tot verhoogd wantrouwen en verslechtering van de samenwerking.
4.5.
Volgens de vrouw verloopt de reguliere omgangsregeling goed. [minderjarige] wordt in de oneven weken op zaterdag om 10.00 uur door de man opgehaald op het station van [plaats] en op zondag om 17.00 uur weer door de vrouw van het station [plaats] opgehaald. De vrouw bevestigt dat het doel van beide ouders is dat [minderjarige] vanaf vrijdagavond al naar de man toe kan. Soms is hij door de man om 17.00 uur vanaf het station [plaats] opgehaald, maar door zijn 40-urige werkweek is dit vaak niet haalbaar. Nu er niet frequent genoeg uitvoering wordt gegeven aan de vrijdag hoeft de regeling vanaf vrijdag van haar niet vastgelegd te worden. De bij ouderschapsregeling vastgestelde regeling is goed voor de vrouw. De vrouw verzoekt de rechtbank dan ook deze regeling definitief vast te leggen. De vrouw ziet ook graag de gemaakte afspraken over de vakanties opgenomen vanaf pagina 6 tot en met 10 van het ouderschapsplan bekrachtigd middels een beschikking van de rechtbank. Met betrekking tot het halen en brengen van [minderjarige] zijn nog geen definitieve afspraken gemaakt. De man woont in [woonplaats 1] en de vrouw in [woonplaats 2] . De man is daarbij afhankelijk van openbaar vervoer. De vrouw kan overdag niet beschikken over een auto, in de avond en als zij oppas heeft voor de twee broertjes van [minderjarige] dan zou zij [minderjarige] weg kunnen brengen. Indien het halen en brengen gelijkelijk wordt verdeeld en de man [minderjarige] terug moet brengen naar huis in [plaats] , dan is dat praktisch gezien niet mogelijk en neemt de reistijd enorm toe ten opzichte van de huidige regeling. Voor de vrouw is brengen op vrijdag ook geen optie. Zij kan thuis pas vertrekken vanaf 18.45 uur en dan is zij om 19.45 uur in [woonplaats 1] met [minderjarige] . Op die tijd gaat hij normaliter naar bed. De kans is groot dat hij al in de auto in slaap valt. Als hij straks naar school gaat zal het ook vermoeiend voor hem zijn om op de vrijdag naar de man te gaan.
4.6.
Ter zitting zijn de standpunten van partijen uitvoerig besproken en zijn meerdere varianten over de contactregeling en het halen en brengen de revue gepasseerd. Ook is de zitting enige tijd geschorst geweest voor beraad. Partijen zijn het erover eens dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag ophaalt op station [plaats] en op zondag terugbrengt op station [plaats] . De man krijgt de opdracht mee om met zijn werkgever te bespreken dat hij tweemaal per maand op vrijdag om 17.00 uur op het station [plaats] kan zijn. De vrouw zorgt dan dat [minderjarige] om 17.00 uur op station [plaats] is, zodat zij hem overdraagt aan de man. Indien de man het niet redt om op vrijdag om 17.00 uur op station [plaats] te zijn, enkel vanwege zijn werk, dan brengt de vrouw [minderjarige] naar de man in [woonplaats 1] . Daar staat tegenover dat de man in dat geval [minderjarige] op zondag terugbrengt bij de vrouw in plaats van op station [plaats] . De rechtbank is, met de Raad, van oordeel dat deze contactregeling, ook met het oog op de toekomst, een reële en werkbare regeling is.
4.7.
Ten aanzien van het gezag heeft de man verzocht mede belast te worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Hij wil nauw betrokken worden bij de belangrijke beslissingen die genomen worden over [minderjarige] . Er is geen sprake van afwijzingsgronden genoemd in artikel 1:253c, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.8.
De vrouw wil het eenhoofdig gezag behouden. De vrouw is van mening dat het niet in het belang van [minderjarige] is dat ouders gezamenlijk belast worden met het ouderlijk gezag danwel hij klem of verloren raakt tussen ouders. Er is namelijk nog weinig communicatie tussen de ouders. En hoewel de situatie zeker verbeterd is in de afgelopen periode, meent de vrouw dat het de man onvoldoende lukt aansluiting te zoeken bij hetgeen [minderjarige] nodig heeft. De omgangsregeling is dusdanig summier dat de man onvoldoende weet wat er in het leven van [minderjarige] speelt. De man neemt nauwelijks verzorging en opvoeding voor zijn rekening. Het is voor hem ook lastig aan te sluiten bij de wensen en behoeften van [minderjarige] . Er is ook geen nadere betrokkenheid gebleken vanuit de man, wat de samenwerking bemoeilijkt en het risico op klem of verloren raken vergroot. Het belang van [minderjarige] is erin gelegen dat hij voor nu stabiliteit en rust verkrijgt nu er de eerste jaren van zijn leven de man weinig betrokken is geweest. Er bestaat geen gezonde basis tussen partijen dat nodig is voor uitoefening van gezamenlijk gezag.
4.9.
Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.10.
De rechtbank wijst het verzoek van de man toe. Gezamenlijk ouderlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt en niet is gebleken dat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. Met hulpverlening zijn partijen in staat geweest een contactregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen en ter zitting hebben zij deze verder weten te ‘finetunen’. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de vrouw dat, gelet op de voorgeschiedenis, haar vertrouwen in de man nog verder zal moeten groeien, is dit geen reden om de man het ouderlijk gezag te onthouden. De man wil graag zijn verantwoordelijkheid nemen en het vertrouwen van de vrouw in de man kan ook alleen maar groeien indien de man mee mag beslissen en meedenken aangaande belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige] . Ter zitting is ook besproken en zijn partijen overeen gekomen dat de toekomstige basisschool van [minderjarige] in de buurt/woonomgeving van de vrouw zal zijn, mede gelet op de hiervoor afgesproken contactregeling. De man begrijpt ook dat met belangrijke beslissingen (zoals de keuze voor de basisschool) de vrouw iets meer gewicht in de schaal legt als het gaat om wat meer past bij/passend is voor [minderjarige] , aangezien zij de meeste zorg voor hem draagt. De man vertrouwt de vrouw dat zij de juiste afweging kan maken. Gezamenlijk ouderlijk gezag acht de rechtbank dan ook in het belang van [minderjarige] .
4.11.
De man heeft zijn verzoek omtrent het vaststellen van een informatie- en consultatieregeling ingetrokken, gelet op de omstandigheid dat hij ook belast zal worden met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en de bereikte overeenstemming over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Tevens is er een informatie- en consultatieregeling opgenomen in artikel 4 van Pro het concept ouderschapsplan, welk ouderschapsplan, zoals hierna zal volgen, deel zal uitmaken van de beschikking.
4.12.
De vrouw heeft verzocht een bijdrage vast te stellen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Partijen zijn, na beraad, overeengekomen dat de man € 70,= per maand als kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] zal betalen, ingaande per maart 2026. De man betaalt de maandelijkse bijdrage telkens aan het einde van de maand. Uit de wettelijke bepaling vloeit voort dat dit bedrag jaarlijks geïndexeerd zal worden, voor het eerst per 1 januari 2027.
4.13.
Tot slot hebben partijen ter zitting gezamenlijk verzocht om de regelingen zoals partijen deze zijn overeengekomen in het ouderschapsplan, met de aanvullingen zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 4.6., 4.10. en 4.12., deel uit zal maken van deze beschikking. De rechtbank zal hiertoe overgaan, nu zij het ook in het belang acht van [minderjarige] dat partijen de gemaakte afspraken bestendigen.
4.14.
Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de regelingen uit het als bijlage toegevoegde ouderschapsplan, met de aanvullingen zoals hierna vermeld in 5.2., 5.3. en 5.4., deel uitmaken van deze beschikking en beveelt partijen om de verplichtingen uit het ouderschapsplan na te komen;
5.2.
bepaalt dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ;
5.3.
bepaalt, dat de man en genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de man [minderjarige] ophaalt op vrijdag op station [plaats] en op zondag weer terugbrengt op station [plaats] . Met dien verstande dat als de man enkel vanwege zijn werk het niet redt om op vrijdag om 17.00 uur op station [plaats] te zijn, de vrouw [minderjarige] bij de man in [woonplaats 1] zal brengen en in dat geval zal de man [minderjarige] op zondag om 17.00 uur bij de vrouw terugbrengen; een en ander met inachtneming van hetgeen is vermeld in rechtsoverweging 4.6.;
5.4.
bepaalt dat de man met ingang van maart 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 70,= (zeventig euro) per maand, welk bedrag telkens aan het einde van de maand door de man zal worden voldaan;
5.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
5.7.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.