Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2933

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/443575 FA RK 25-6781
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Meyboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:159 lid 3 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige opschorting partneralimentatie wegens dringende financiële situatie man

Partijen zijn gescheiden sinds 2019 en hebben een convenant met een niet-wijzigingsbeding voor partneralimentatie. De man verzoekt om nihilstelling of opschorting van de partneralimentatie wegens een ingrijpende wijziging van omstandigheden, waaronder het verlies van opdrachten door handhaving Wet DBA en overgang naar loondienst met lager inkomen.

De vrouw voert verweer dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet meer kan verdienen en dat de omstandigheden niet zodanig ingrijpend zijn. De rechtbank oordeelt dat de beoordeling van het niet-wijzigingsbeding en de verdiencapaciteit in de bodemprocedure thuishoort en wijst het verzoek tot nihilstelling af.

Wel is er sprake van een zodanig dringend belang dat opschorting van de alimentatieverplichting gerechtvaardigd is. De man heeft geen draagkracht meer en kan de rekening-courantschuld niet verder laten oplopen. Daarom wordt de alimentatieverplichting opgeschort vanaf 1 oktober 2025 tot de uitspraak in de bodemprocedure.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot nihilstelling af maar schort de partneralimentatie op vanaf 1 oktober 2025 tot de bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443575 FA RK 25-6781
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Beschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.C.M. Vreeswijk,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J. Nederlof.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 31 december 2025 ontvangen verzoekschrift met producties 1 tot en met 25;
- het op 19 februari 2026 ontvangen verweerschrift met productie 1;
- de brief van mr. Vreeswijk van 20 februari 2026 met producties 26 tot en met 32;
- de beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 december 2019 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan.
1.2. Bij verzoekschrift ontvangen op 20 oktober 2025 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/441032 FA RK 25-5379. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie ter beoordeling voor.
1.3. De zaak is behandeld op de zitting van 25 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 12 oktober 2012 tot 20 december 2019. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 december 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de inhoud opgenomen van het door partijen op 20 november 2019 ondertekende echtscheidingsconvenant, tevens houdende ouderschapsplan.
2.2.
Partijen zijn ouders van de volgende kinderen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2002,
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2005,
3. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2006.
[minderjarige 1] werkt fulltime en woont bij de vrouw. [minderjarige 2] volgt een Vavo opleiding en woont ook bij de vrouw. [minderjarige 3] volgt een MBO 3 opleiding en woont sinds mei 2023 bij de man.
2.3.
De man betaalt ten behoeve van de kosten van levensonderhoud en studie van [minderjarige 2]
€ 518,02 per maand aan de vrouw. Daarnaast betaalt hij ter zake partneralimentatie een brutobedrag van € 3.402,14 per maand aan de vrouw.
2.4.
In het op 20 november 2019 door partijen ondertekende convenant, tevens houdende ouderschapsplan, dat is aangehecht aan de echtscheidingsbeschikking en daarvan onderdeel uitmaakt, zijn de man en de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie het volgende overeengekomen

(…)
2.1.
Partijen stellen de huwelijksgerelateerde behoefte van ieder der partijen hierbij vast op
€ 5.005,- netto per maand, uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 9.857,- per maand
De kosten van de kinderen zijn door partijen gesteld op € 1.515,- netto per maand hetgeen
op de behoefte van partijen al in mindering is gebracht.
2.2.
De draagkracht van ieder van partijen is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
Ten tijde van ondertekening van dit convenant bedraagt de belastbare winst uit de
onderneming van de man van post 75 van de alimentatienormen € 138.926,- en van de vrouw
€ 15.932,=. Het draagkrachtloos inkomen van de man post 135 alimentatienormen bedraagt
€ 1.680,- en van de vrouw € 1.143,-.
Het resterende netto bedrag voor partneralimentatie dus voor brutering van post 143 van de
alimentatienormen bedraagt voor de man € 3.015,- en voor de vrouw € 0,-
2.3.
Bij de vaststelling van de partneralimentatie zijn partijen welbewust afgeweken van de
wettelijke maatstaven. In het bijzonder zijn zij afgeweken op het punt van de hoogte van het
bedrag aan partneralimentatie. Uit de berekening van de vastgestelde behoefte en draagkracht van partijen volgt dat er ruimte is voor de man om bij te dragen aan het
levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 6.067,= bruto per maand. In afwijking
van de wettelijke maatstaven zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw met
ingang van de datum waarop de woning als genoemd in artikel 3.1 van dit convenant
goederenrechtelijk geleverd wordt aan derden, zal bijdragen in het levensonderhoud van de
vrouw, zodanig dat de vrouw een bedrag van € l.500,- netto per maand extra zat overhouden
hetgeen dan ook gebruteerd in 2020 neerkomt op een bedrag van € 3.205,- bruto per
maand. De vrouw zal hierover dan de inkomstenbelasting en de premie zvw betalen en krijgt hierdoor een lager kindgebonden budget.
Hel hierboven genoemde netto bedrag van € 1.500,- zal worden verhoogd met de wettelijke
indexering als bedoeld in art.1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2021.
Partijen wijken eveneens af van de wettelijke maatstaven als het gaal om de duur van de
Partneralimentatie. Partijen zijn overeengekomen dat de man in totaal 15 jaar zal bijdragen
in het levensonderhoud van de vrouw, waarvan de eerste 10 jaar na inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking de vrouw netto € 1.500,- extra overhoudt, in het elfde en twaalfde
jaar € 1.250,- netto extra overhoudt en in het dertiende tot en met het vijftiende jaar
€ 1.000,- extra overhoudt. De hierboven genoemde netto bedrage van € 1.500,-, € 1.250,- en
€ 1.000,- zullen worden verhoogd met de wettelijke indexering als bedoeld in art.1:402a BW, voor het eerste per 1 januari 2021.
(… )
2.5
Partijen zullen jaarlijks de hoogte van de bruto bijdrage aan partneralimentatie opnieuw
laten berekenen.
2.6
Het in artikel 2.3 bepaalde kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van de omstandigheden, behoudens in geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die wijzing verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in art.1:159 lid 3 BW Pro is bepaald. Partijen verstaan daaronder het geval dat de man kan aantonen dat hij (ernstig) arbeidsongeschikt is of dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen waardoor hij hel vastgestelde bedrag aan partneralimentatie niet meer kan voldoen. Partijen zullen in dat geval in onderling overleg opnieuw de partneralimentatie vast (laten) stellen. (…)"
2.5.
In de beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2022 is het verzoek van de man tot wijziging van de overeengekomen partneralimentatie afgewezen.
2.6.
In de beschikking van 11 mei 2023 heeft het gerechtshof Den Bosch in hoger beroep het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie afgewezen.
2.7.
De man heeft sinds 1 oktober 2025 geen partneralimentatie meer voldaan aan de vrouw.

3.Het verzoek

3.1.
De man verzoekt, na aanvulling van zijn verzoek ter zitting, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, primair te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage op nihil wordt gesteld, dan wel wordt vastgesteld op een bedrag als de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht, met ingang van 26 juni 2025, dan wel per datum indiening van dit verzoekschrift, dan wel per datum als de rechtbank in goede justitie redelijk en billijk acht. De man verzoekt subsidiair de alimentatieverplichting met ingang van 26 juni 2025 op te schorten dan wel de vrouw te bevelen de executie te staken tot de rechtbank in de hoofdzaak de eindbeslissing geeft.
3.2.
De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Een voorlopige vordering op grond van artikel 223 Rv Pro strekt ertoe om voor de duur van de aanhangige hoofdprocedure voorlopige maatregelen te treffen. Als uitgangspunt geldt dan ook dat een voorlopige voorziening een tijdelijk karakter heeft. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering in de voorlopige voorziening moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3533).
4.2.
Aangezien de hoofdzaak tussen partijen bij deze rechtbank aanhangig is – het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie met ingang van 26 juni 2025 – en die samenhang dus bestaat, is de man ontvankelijk in zijn verzoek tot het vaststellen van een voorlopige voorziening.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv Pro slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank moet daarbij de belangen van alle betrokkenen afwegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De man grondt zijn verzoek tot nihilstelling van de overeengekomen partneralimentatie, zo begrijpt de rechtbank, op artikel 1:159 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Hij stelt dat sinds het sluiten van het convenant van 20 november 2019 waarin partijen een bedrag aan partneralimentatie zijn overeengekomen, de omstandigheden zijn gewijzigd en hij op dit moment in een zodanig nijpende financiële situatie verkeert dat hij niet langer in staat is om de nu geldende bijdrage te voldoen. Ter onderbouwing van zijn verzoeken stelt de man, samengevat, het volgende. De in het convenant overeengekomen partneralimentatie was gebaseerd op een gemiddeld bedrijfsresultaat in zijn onderneming van € 173.204,= per jaar. Sinds 2008 werkte hij als zzp’er in zijn eenmanszaak gespecialiseerd in ICT-diensten. Gedurende de echtscheidingsprocedure werkte hij op fulltime opdrachtbasis voor het [bedrijf 1] . Hij moest fysiek aanwezig zijn in [bedrijf 1] , maar was vrij in het indelen van zijn werkzaamheden die hij ook in de avonden en weekenden verrichte. Naast deze fulltime opdracht kon hij daardoor ook werken aan andere opdrachten en die uren bij deze opdrachtgevers declareren. Een werkweek van zestig uur of meer was in die tijd gebruikelijk voor hem. In die periode heeft hij zijn MKB-klantenkring kunnen uitbreiden en onderhouden. In 2020 heeft hij zijn eenmanszaak omgezet in een BV met een holdingconstructie ( [B.V. 1] ). Zijn werkzaamheden verrichte hij vanuit [B.V. 2] Nadat per 1 januari 2025 het handhavingsmoratorium rond de wet DBA (wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) is opgeheven, heeft zijn toenmalige grootste opdrachtgever, [bedrijf 2] , de inhuurovereenkomst beëindigd. Als gevolg van de strenge handhaving op de wet DBA zijn opdrachtgevers in de ICT-branche terughoudend geworden in het inhuren van zzp’ers. In 2025 heeft hij geen nieuwe opdrachten meer kunnen verwerven. Kleine deeltijdopdrachten waaraan hij voorheen in de avonduren werkte zijn ook weggevallen. Voor zijn BV heeft hij nog een paar kleine klanten, maar deze brengen heel weinig op. Omdat hij niet voldoet aan de voor ICT-vacatures in loondienst veelal vereiste afgeronde hbo- of wo-opleiding, heeft hij zich genoodzaakt gezien om per 1 juli 2025 in fulltime loondienst te gaan werken als ICT’er bij [bedrijf 2] en zijn werkzaamheden als zzp’er te beëindigen. Zijn jaarinkomen uit loondienst is nu € 81.595,= bruto per jaar. Hij is met dat salaris niet meer in staat de afgesproken partneralimentatie te betalen. Zijn ondernemingen hebben geen liquiditeiten om de partneralimentatie te voldoen. Zijn onderneming is niet winstgevend meer. In 2024 bedroeg zijn winst € 79.234,=, in 2025 is de verwachte winst uit onderneming hooguit € 17.765,= en voor 2026 en 2027 is de verwachting dat het bedrijfsresultaat negatief zal zijn. De gevolgen van de gewijzigde omstandigheden, te weten de handhaving van de Wet DBA, waardoor hij geen nieuwe opdrachten meer kan krijgen, en het als gevolg daarvan per 1 juli 2025 noodgedwongen in loondienst treden bij zijn voormalige grootste opdrachtgever [bedrijf 2], zijn volgens de man zodanig ingrijpend dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden.
Inmiddels is hij lange tijd gedwongen geweest om de alimentatieverplichtingen aan de vrouw te voldoen uit de rekening-courant, die is opgelopen tot € 212.489,03 per eind 2025. De rekening-courantschuld kan hij niet verder laten oplopen. Deze schuld, die niet vermijdbaar en verwijtbaar is, zal hij moeten gaan terugbetalen in maandelijkse termijnen van € 650,= gedurende 10 jaar lang. Het geringe bedrag aan liquide middelen in de holding kan hij niet aanwenden voor de betaling van partneralimentatie, omdat van deze middelen fiscale vorderingen moeten worden betaald die nog openstaan. Gelet op zijn huidige inkomen, zijn terugbetalingsverplichting inzake de rekening-courantschuld en zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heeft hij geen financiële middelen om een bijdrage te voldoen in het levensonderhoud van de vrouw. Vanaf 1 oktober 2025 betaalt hij geen partneralimentatie meer. In afwachting van de beslissing in de bodemprocedure heeft hij voldoende dringend belang bij de verzochte voorziening. De vrouw heeft het LBIO ingeschakeld om de sinds 1 oktober 2025 achterstallige partneralimentatie te incasseren. Hij kan niet meer rondkomen en zijn schulden, waaronder de verplichtingen aan de Belastingdienst, zullen alleen maar toenemen. Zijn alimentatieverplichting moet dan ook voor de duur van het geding worden opgeschort.
4.5.
De vrouw voert primair het verweer dat toewijzing van het verzoek tot nihilstelling van de verschuldigde partneralimentatie op grond van artikel 1:159 lid 3 BW Pro tot een feitelijk onomkeerbare beslissing leidt, hetgeen niet te verenigen is met het karakter van deze procedure. Het onderzoek en de beoordeling van de vraag of het niet-wijzigingsbeding opengebroken moet worden, hoort in de bodemprocedure thuis. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de door de man gestelde omstandigheden geen zo ingrijpende wijziging opleveren dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is hem nog langer aan het niet-wijzigingsbeding te houden. De wet DBA was al op het moment van de echtscheiding van kracht, zodat de man bij het maken van de afspraken ten behoeve van het echtscheidingsconvenant met de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet rekening had kunnen houden. De man heeft niet onderbouwd dat hij niet meer kan verdienen dan het inkomen dat hij op dit moment bij zijn huidige werkgever geniet. Hij heeft zich onvoldoende ingespannen om zijn oorspronkelijke inkomen te behouden, dan wel het inkomensverlies zo minimaal mogelijk te laten zijn. De man heeft daarnaast meer inkomsten dan hij stelt, in 2025 € 78.450,= uit dienstverband en € 21.098,= uit winst uit onderneming. De door de man gestelde inkomensdaling kan in ieder geval niet worden aangemerkt als niet voor herstel vatbaar en duurzaam inkomensverlies. De vrouw betwist verder dat het onbillijk zou zijn om de man aan het niet-wijzigingsbeding te houden, omdat zij volledig arbeidsongeschikt is en is aangewezen op een uitkering. Een nihilstelling of verlaging van de partneralimentatie zou leiden tot een onevenredige verslechtering van haar inkomenspositie. Tot slot stelt de vrouw zich op het standpunt dat er aan de zijde van de man geen sprake is van een financiële noodsituatie, die een beroep op opschorting van de alimentatieverplichting rechtvaardigt. De man heeft een behoorlijk inkomen uit arbeid en beschikt daarnaast over voldoende financiële middelen (saldi op de bankrekeningen en een rekening-courantverhouding) om aan de alimentatieverplichting te kunnen voldoen.
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat partijen in het convenant een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen. Artikel 1:159 lid 3 bepaalt Pro – voor zover hier van belang – dat, ondanks een nietwijzigingsbeding, de overeenkomst betreffende levensonderhoud tussen ex-echtgenoten op verzoek van een van partijen door de rechter bij latere beschikking kan worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. De rechtbank moet bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid betrachten. Wijziging wordt slechts in uitzonderingsgevallen toegelaten.
4.7.
De man heeft gesteld dat zijn inkomsten door omstandigheden buiten zijn toedoen in relevante mate zijn verminderd, waardoor hij het vastgestelde bedrag aan partneralimentatie niet meer kan voldoen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist en zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat de man de gestelde inkomensvermindering had kunnen voorkomen en zich onvoldoende heeft ingespannen om zijn inkomsten te vermeerderen. De beoordeling van de vraag of sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man niet langer aan het niet-wijzigingsbeding kan worden gehouden moet naar het oordeel van de rechtbank echter in de bodemprocedure aan de orde komen. In dat kader is de beoordeling van de vragen of aan de zijde van de man sprake is van een niet vermijdbaar en niet verwijtbaar inkomensverlies en, indien sprake is van verdiencapaciteit in hoeverre van hem kan worden verwacht dat hij deze verwezenlijkt, relevant en daarvoor is in deze procedure tot het treffen van een provisionele voorziening evenmin plaats. Het kader van deze procedure leent zich niet voor een onderzoek naar de relevante feiten ter beantwoording van die vraag. Het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie zal dan ook worden afgewezen.
4.8.
Subsidiair verzoekt de man opschorting van de alimentatieverplichting dan wel de vrouw te bevelen de executie te staken. De vraag die in het kader van het verzoek tot opschorting aan de rechtbank voorligt is of er sprake is van een zodanig dringend belang dat niet van de man kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de door hem aangespannen bodemprocedure afwacht.
4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds 1 juli 2025 in loondienst werkzaam is bij [bedrijf 2] -Noord. Volgens de door de man overgelegde salarisspecificaties van november en december 2025 bedraagt zijn salaris € 6.143,= bruto per maand. Als niet weersproken staat vast dat de man aan Individueel Keuzebudget (IKB) € 13.733,= bruto per jaar, omgerekend € 1.1441,41 bruto per maand ontvangt. Daarnaast ontvangt de man op dit moment een arbeidstoelage van € 307,15 bruto per maand. Het bruto jaarinkomen van de man uit loondienst bedraagt dan in totaal afgerond € 91.135,= bruto per jaar. Daarnaast is tussen partijen ook niet in geschil dat de man op dit moment weinig activiteiten ontplooit in zijn ondernemingen. Volgens de jaarrekening van 2024 van de ondernemingen [B.V. 1] en [B.V. 2] en de meerjarenprognose van beide ondernemingen, bedroeg de geconsolideerde winst in € 79.234,= en zal deze in 2025 naar verwachting € 17.765,= bedragen. De rekening-courantschuld van de man aan [B.V. 1] is opgelopen per eind 2025 naar € 212.489,03. Niet weersproken is dat de saldi van de zakelijke rekening en de bedrijfsspaarrekening van [B.V. 1] per 31 december 2025 respectievelijk € 12.658,12 en € 15.512,12 bedroegen en dat het saldo van de zakelijke rekening van [B.V. 2] per 31 december 2025 € 41.039,94 bedroeg. De man heeft verder gesteld dat hij van deze saldi de aanslagen van de fiscus moet voldoen.
4.10.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat van de man verwacht kan worden dat hij zijn inkomen uit dienstverband aanvult met winst uit onderneming en dat hij de liquide middelen in de onderneming aanwendt dan wel opnames doet uit de rekening-courant voor het kunnen blijven voldoen van de partneralimentatie.
4.11.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het grote verschil tussen de omvang van de rekening-courantschuld en de omvang van het eigen vermogen van de ondernemingen, van de man niet kan worden verlangd dat hij de rekening-courantschuld nog verder laat oplopen door de partneralimentatie daaruit te voldoen dan wel uit de liquide middelen in de onderneming. Verder betreft de discussie tussen partijen over de vraag of de man zijn huidige inkomen kan verhogen een onderwerp dat, zoals hiervoor onder 4.7. overwogen, in de bodemprocedure aan de orde zal moeten komen. Dat betekent dat de rechtbank in het kader van deze procedure tot het treffen van een provisionele voorziening zal uitgaan van de feitelijke situatie. Uit de door de man overgelegde berekeningen volgt dat hij geen draagkracht heeft om, naast de bijdrage die hij aan de vrouw betaalt voor [minderjarige 2] en de kosten die hij moet maken voor [minderjarige 3] , de partneralimentatie aan de vrouw te blijven voldoen. Dit betekent dat er sprake is van een zodanig dringend belang dat niet van de man kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de door hem aangespannen bodemprocedure afwacht.
4.12.
Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat bij opschorting van de alimentatieverplichting van de man geen onomkeerbare situatie ontstaat. In de bodemprocedure zullen de geschilpunten tussen partijen immers in volle omvang worden beoordeeld. Eerder zal de vrouw bij een eventuele toewijzing van het verzoek tot nihilstelling in de bodemprocedure de verbruikte partneralimentatie niet meer aan de man kunnen terugbetalen, omdat zij over beperkte eigen financiële middelen beschikt.
4.13.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
schort, uitvoerbaar bij voorraad, de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw op met ingang van 1 oktober 2025 voor de duur van de bodemprocedure;
5.2.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
weigert het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in tegenwoordigheid van Molema, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.