Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2935

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/443062 / FA RK 25-6461
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en afwijzing verzoek ontzegging omgang in belang van kinderen

Partijen zijn voormalig gehuwd en hebben gezamenlijk gezag over vier minderjarige kinderen die bij de moeder verblijven. De moeder verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag aan haar toe te kennen, en tevens de omgang van de vader met de kinderen te ontzeggen. De vader verzet zich tegen deze verzoeken en vraagt om aanhouding.

De rechtbank constateert een langdurig verstoorde relatie met incidenten van huiselijk geweld door de vader, die hiervoor in 2020 is veroordeeld. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en er zijn diverse maatregelen getroffen, waaronder een tijdelijke stopzetting van omgang. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn betrokken en signaleren een patroon van dreigend en intimiderend gedrag van de vader.

De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet langer houdbaar is en in het belang van de kinderen en de moeder het gezag aan de moeder moet worden toegekend. Het verzoek tot ontzegging van omgang wordt afgewezen omdat niet is voldaan aan de wettelijke criteria en er nog mogelijkheden zijn om het contact onder begeleiding te herstellen. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en aan de moeder toegekend; het verzoek tot ontzegging van omgang wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443062 / FA RK 25-6461
datum uitspraak 13 maart 2026
beschikking over het ouderlijk gezag en ontzegging van het contact
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools,
en
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. N. van Vliet.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 15 december 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- het op 24 februari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende een zelfstandig verzoek met bijlagen van de man;
- de beschikking van deze rechtbank van 18 november 2025.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 5 maart 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.3. Ten slotte was een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI, aanwezig. In deze zaak is de GI aangemerkt als belanghebbende ten aanzien van het verzoek tot ontzegging van het contact.
1.4. Op deze mondelinge behandeling is gelijktijdig het verzoek van de GI behandeld om de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van een jaar. Dit verzoek is bekend onder zaaknummer C/02/444600 / FA RK 26-188.

2.De feiten

2.1.
Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar getrouwd geweest van 11 juli 2011 tot 25 oktober 2021;
- tijdens hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ,
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 1] ,
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
4. [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ;
- partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen;
- de kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
2.2.
Bij beschikking van 20 december 2023 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin dan wel bij de vrouw. Deze ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is bij beschikking van 28 december 2023 verlengd met ingang van 3 januari 2024 tot 20 maart 2024.
2.3.
Vervolgens zijn de kinderen bij beschikking van 14 maart 2024 onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 maart 2024 tot 15 maart 2025. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing over diezelfde periode verleend.
2.4.
Bij beschikking van 17 april 2024 heeft de rechtbank naar aanleiding van een verzoek van de GI bepaald dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wekelijks recht hebben op (begeleide) omgang met elkaar gedurende minimaal drie uur en de man en de minderjarigen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wekelijks recht hebben op (begeleide) omgang met elkaar gedurende minimaal 30 minuten. De GI zal in het kader van de ondertoezichtstelling deze basisregeling verder vormgeven en uitbreiden.
2.5.
Bij beschikking van 14 maart 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 15 maart 2025 tot 15 maart 2026.
2.6
Bij beschikking van 18 november 2025 heeft de rechtbank naar aanleiding van een verzoek van de GI bepaald dat de man en de kinderen voorlopig geen contact met elkaar hebben zolang de GI dat in het belang van de kinderen acht en hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd. De regie voor het herstarten van (begeleide) omgang ligt bij de GI.
2.7.
Bij beschikking van 13 maart 2026 is de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 15 maart 2026 tot 15 maart 2027.

3.De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat
- bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de kinderen toekomt;
- bepaling dat de man voor onbepaalde tijd dan wel voor de duur van twee jaar geen recht heeft op omgang met de kinderen.
De man verzoekt, samengevat, de verzoeken van de vrouw af te wijzen dan wel de verzoeken aan te houden in afwachting van het verloop van de ondertoezichtstelling, voor de duur van maximaal twaalf maanden.

4.De beoordeling

Achtergrondinformatie
4.1.
De rechtbank vindt het belangrijk om voorafgaand aan de bespreking van de verzoeken in te gaan op aspecten uit de voorgeschiedenis van partijen en de manier waarop iedere partij deze duidt.
4.2.
De vrouw stelt dat zij tijdens de relatie stelselmatig is onderworpen aan fysieke en psychische mishandeling. In 2020 is de man veroordeeld voor mishandeling van haar. De man heeft zich onder behandeling laten stellen, waarna partijen zich hebben verzoend. Echter, opnieuw werd de vrouw slachtoffer van fysieke en psychische mishandeling door de man. In 2023 zijn de vrouw en de oudste dochters, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , via Veilig Thuis ondergebracht op een geheime locatie en niet lang daarna is zij bevallen van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De kinderen zijn eind 2023 onder toezicht gesteld van de GI. Eind 2025 zijn nieuwe meldingen bij Veilig Thuis binnengekomen. Naar aanleiding van deze meldingen is besloten om de vrouw en de kinderen wederom op een geheime locatie te plaatsen, omdat er zorgen waren rondom de veiligheid van haar en de kinderen. De verstoorde verstandhouding tussen partijen ligt volgens de vrouw onder andere in de persoonlijke problematiek van de man.
4.3.
Volgens de man is hij tijdens het huwelijk emotioneel en lichamelijk mishandeld door de vrouw. De vrouw wilde controle houden over hem en binnen de relatie was sprake van twee verschillende werelden. In de relatie spraken partijen over de toekomst, terwijl naar de buitenwereld toe de vrouw voornamelijk sprak over onveiligheid en problematiek. Uiteindelijk is de man zichzelf kwijt geraakt. In 2020 is de man inderdaad veroordeeld vanwege huiselijk geweld richting de vrouw. De aanleiding hiervoor was de samenloop van spanningen in de relatie en een burn-out waarmee de man te kampen had. De man heeft op enig moment zijn agressie onvoldoende onder controle gehad. Dit incident betreurt de man ten zeerste. Nadien heeft hij meegewerkt aan alle opgelegde maatregelen en hulpverlening. Van enige vorm van geweld is geen sprake meer geweest. Echter, de man ervaart dat die ene veroordeling hem blijft achtervolgen.
4.4.
De rechtbank concludeert dat de visies van partijen over de dynamiek tijdens de relatie en over het huiselijk geweld verschillen. Beide partijen beschuldigen elkaar van psychisch en emotioneel geweld. In ieder geval staat vast dat de man voor fysiek geweld richting de vrouw is veroordeeld en dat de vrouw en de kinderen tweemaal zijn ondergebracht op een geheime locatie. Verder volgt uit de beschikking van 18 november 2025 dat de kinderrechter heeft bepaald dat de man en de kinderen voorlopig geen contact met elkaar hebben zolang de GI dat in het belang van de kinderen vindt en hun veiligheid niet kan worden gewaarborgd.
Ouderlijk gezag
4.5.
De vrouw verzoekt haar voortaan alleen met het gezag over de kinderen te belasten. De afgelopen jaren heeft de vrouw als slopend ervaren. Er is geprobeerd om met intensieve hulpverlening de verstandhouding en communicatie tussen partijen te verbeteren, maar dit is niet gelukt. Het contact met de man zorgt bij de vrouw voor gevoelens van onveiligheid en brengt telkens spanningen met zich mee. Het gezamenlijk gezag leidt ertoe dat zaken met de man moeten worden afgestemd, maar dit kan zij niet meer opbrengen. Vanwege haar ervaringen met de man kan dit ook niet langer van haar worden verwacht.
4.6.
De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat niet wordt voldaan aan de vereisten om te komen tot een wijziging van het gezag. De kinderen lijden onder de situatie tussen partijen, maar deze situatie is niet dermate problematisch dat de kinderen klem of verloren raken. De spanningen tussen partijen worden met name veroorzaakt door de voortdurende onduidelijkheid en onrust rondom het contact tussen de man en de kinderen. De man erkent dat de verstandhouding tussen partijen het moeilijk maakt om met elkaar te praten over de kinderen en hun ouderschap samen vorm te geven, maar om dit te verbeteren is het nodig dat de destructieve patronen tussen ouders worden doorbroken. Het volgen van een ouderschapsprogramma kan hierin helpend zijn. Mocht de rechtbank niet zonder meer komen tot een afwijzing van het verzoek, dan verzoekt de man om de beslissing aan te houden voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4.7.
Op basis van de stukken ziet de Raad dat de man in zijn gedrag en handelen dusdanig kan worden getriggerd dat hij door anderen als dreigend en intimiderend wordt ervaren. Dit gedrag wordt niet alleen door de vrouw ervaren, maar ook door professionals (zoals Veilig Thuis en ziekenhuispersoneel). De man heeft verschillende hulpverleningstrajecten doorlopen en afgerond, maar dit patroon lijkt zich desondanks te herhalen. De Raad vraagt zich af waarom het niet lukt dit patroon te doorbreken en of de man dit patroon voldoende erkent. Het is belangrijk dat hierop meer zicht komt (door bijvoorbeeld een persoonlijkheids-/psychologisch onderzoek) en de Raad doet hierbij een beroep op de GI om dit mee te nemen binnen de ondertoezichtstelling. Een andere grote zorg van de Raad is de impact van alle gebeurtenissen op de stabiliteit van de vrouw. De kinderen zijn allemaal nog erg jong. De leeftijd maakt hen kwetsbaar, maar ook alle gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt. Op het moment dat de vrouw ‘breekt’, is het nu niet mogelijk dat de kinderen worden opgevangen door hun vader. Er zal dan een neutrale plaatsing volgen, waardoor het risico bestaat dat de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen wordt verergerd en zij nog meer getraumatiseerd raken. De Raad ziet dat het partijen al jaren niet lukt om tot een constructieve samenwerking te komen. Door professionals worden sterke signalen gezien van dwingende controle en het is nodig dat de vrouw hulp ontvangt. Bij het in stand laten van het gezamenlijk gezag maakt de Raad zich zorgen of het de vrouw lukt om een stabiele factor te blijven voor de kinderen en ook voor zichzelf een individueel hulpverleningstraject aan te gaan.
4.8.
De rechtbank kan op grond van artikel 1:253n in verbinding met artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van niet met elkaar getrouwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd, en bepalen dat het gezag voortaan aan één ouder toekomt. Dit is aan de orde als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wanneer wijziging anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat de communicatie en samenwerking tussen partijen al enige jaren ernstig is verstoord. De ouders hebben een lange geschiedenis met elkaar, waarin er in ieder geval een incident is geweest van huiselijk geweld vanuit de man richting de vrouw. Verder blijkt uit het dossier dat de opstelling van de man dwingend en intimiderend kan zijn. Dit is verklaard door zorgprofessionals, zoals blijkt uit het raadsrapport van
21 februari 2024. Ook heeft de man eind 2025 dermate zorgelijke uitlatingen gedaan op basis waarvan de vrouw en de kinderen op een geheime locatie zijn ondergebracht. De man geeft aan dat hij ‘zwarte’ humor heeft, maar wat daarvan ook moge zijn, deze uitlatingen zijn door instanties serieus opgepakt en hebben bij de vrouw voor stress en angst gezorgd. Deze spanningen hebben ook hun weerslag op de kinderen. Verder is de rechtbank met de Raad van oordeel dat voorkomen moet worden dat de vrouw aan alle gebeurtenissen van de afgelopen jaren onderuit gaat en daardoor niet meer beschikbaar is voor de kinderen. Zij is de hoofdverzorgster van de kinderen en het is belangrijk dat zij overeind blijft staan. Hiervoor is het noodzakelijk dat de vrouw de rust en ruimte gaat ervaren om voor haarzelf aan de slag te gaan met intensieve individuele hulpverlening. Zolang de vrouw met de man moet overleggen over kwesties rondom de kinderen zullen de gevoelens van angst en stress blijven en zal het risico dat de vrouw onderuit gaat blijven bestaan. Dit geldt ook in de situatie dat de GI als tussenpersoon fungeert, omdat deze vorm van overleg diezelfde gevoelens bij de vrouw teweeg brengt.
4.10.
De rechtbank verwacht niet dat de situatie tussen partijen in de nabije toekomst zal verbeteren, in die zin dat ze wel op een goede manier met elkaar kunnen overleggen over de kinderen en samen beslissingen kunnen nemen. Daarvoor is er de afgelopen jaren te veel gebeurd. Ook de GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven voorlopig geen mogelijkheden te zien voor partijen om te komen tot een constructieve samenwerking. Gezamenlijke gezagsuitoefening is naar het oordeel van de rechtbank voor nu niet meer haalbaar en kan, zoals hiervoor overwogen, ook niet langer van de vrouw worden gevraagd.
4.11.
Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de vrouw alleen het gezag krijgt. Dit neemt niet weg dat in de toekomst mogelijk weer draagvlak ontstaat voor de uitoefening van gezamenlijk gezag.
Ontzeggen van het contact
4.12.
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat haar verzoek tot ontzegging van het contact is gedaan in de periode dat zij samen met de kinderen op een geheime locatie verbleef. Er was nog geen duidelijkheid of de regie over het contact tussen de man en de kinderen bij de GI zou blijven. Inmiddels is duidelijk dat de GI in ieder geval tot 15 maart 2027 betrokken blijft en de vrouw heeft op dit moment ook vertrouwen in de handelswijze van de GI. Ondanks dit vertrouwen, handhaaft de vrouw haar verzoek.
4.13.
De man voert gemotiveerd verweer. Op grond van de beschikking van
18 november 2025 heeft hij geen contact met de kinderen. Dit contact dwingt hij ook niet af. De man is aangemeld voor hulpverlening bij [hulpverlening] en deze instantie zal onderzoeken welke vorm van contact tussen hem en de kinderen nog wenselijk en mogelijk is. Een ontzegging van de omgang is dus ook nog niet aan de orde.
4.14.
De GI heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat zij nog mogelijkheden ziet om te werken aan het contact tussen de man en de kinderen. In de afgelopen periode waren hierin stappen gezet, maar vanwege toegenomen zorgen over de veiligheid van de vrouw en de kinderen vond de GI het noodzakelijk om de omgang tussen de man en de kinderen stop te zetten. De man is aangemeld bij [hulpverlening] . Deze instantie beschikt over de expertise om te onderzoeken welke rol de man in het leven van de kinderen kan hebben.
4.15.
De Raad heeft het vertrouwen dat de GI de regie zal blijven voeren en de noodzakelijke stappen zal zetten om te kijken welke rol de man in het leven van de kinderen kan spelen. Het tempo van de kinderen en de adviezen van de hulpverlening zullen hierin gevolgd moeten worden.
4.16.
De rechtbank overweegt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter kan het recht op omgang ontzeggen, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of;
b. indien de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of;
c. indien het kind twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of;
- indien omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
4.17.
Bij beschikking van 18 november 2025 is de omgang tussen de man en de kinderen stop gezet. De kinderrechter heeft hierbij overwogen dat een dreigingsanalyse moet worden afgenomen. Het is van belang de resultaten hiervan af te wachten en aan de hand daarvan te bekijken of, en zo ja, op welke manier het contact tussen de man en de kinderen kan worden hersteld. Op de mondelinge behandeling is gebleken dat een dreigingsanalyse niet is afgenomen. De rechtbank vindt dit kwalijk, omdat het prioriteit moet hebben om in de breedste zin te onderzoeken of, en zo ja, op welke manier er contact kan zijn tussen de man en de kinderen. Inmiddels is een eerste stap hierin gezet door de aanmelding van de man bij [hulpverlening] , maar de rechtbank verwacht ook dat op korte termijn al verdere stappen worden gezet. Verder betrekt de rechtbank in haar beoordeling dat de vrouw op de mondelinge behandeling heeft verklaard dat zij het de kinderen gunt om een fijn contact te hebben met hun vader en dat zij dit niet zal tegenhouden. Op dit moment is contact alleen niet haalbaar.
4.18.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan een van de criteria om te komen tot ontzegging van het contact tussen de man en de kinderen. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Proceskosten
4.19.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dit houdt in dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat het gezag over de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats 1] ;
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] , en
4. [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2023 in [geboorteplaats 2] ,
voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
5.2.
wijst af het verzoek van de vrouw tot ontzegging van de omgang tussen de man en de kinderen;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.