Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
op 28 maart 2024 in de gemeente Roosendaal en elders in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16 en A17 en op de afrit en toerit van die A16 en A17, en op de Roosendaalsebaan en andere (openbare) wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- nadat hij, verdachte, een stopteken van de politie negeerde - meermalen met (zeer) hoge snelheid te rijden en (hierbij) over kruisingen te rijden en op de vluchtstrook te rijden en door rode verkeerslichten te rijden en rechts en links in te halen, door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar voor anderen te duchten was;
als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Roosendaal aan de Roosendaalsebaan, op 28 maart 2024 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander letsel en schade was toegebracht.
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De vordering van de benadeelde partij
[benadeelde]vordert een schadevergoeding van
€ 10.000,=voor
feit 1.
€ 2.500,=aan immateriële schade billijk.
9.De wettelijke voorschriften
10.Beslissing
een gevangenisstraf van 60 dagen;
een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden;
[benadeelde]van
€ 2.500,=,aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 maart 2024 tot aan de dag der voldoening;
[benadeelde] , € 2.500,=te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 maart 2024 tot aan de dag der voldoening;
25 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
feit 1een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
feit 2een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op: