Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 36f Wetboek van StrafrechtArt. 57 Wetboek van StrafrechtArt. 176 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gevangenisstraf voor vluchtmisdrijf en gevaarlijk rijgedrag op snelwegen
Op 28 maart 2024 veroorzaakte verdachte door het negeren van een stopteken en het rijden met zeer hoge snelheden op de A16, A17 en omliggende wegen een situatie van levensgevaar voor anderen. Hij reed onder meer door rode verkeerslichten, over de vluchtstrook en haalde links en rechts in, waardoor meerdere voertuigen moesten uitwijken. De politie moest de achtervolging staken vanwege de onveilige situatie.
De dollemansrit eindigde in een aanrijding waarbij een andere bestuurder ernstig letsel opliep en moest revalideren. Verdachte verliet de plaats van het ongeval terwijl hij wist dat er letsel en schade was toegebracht. Verdachte legde een bekennende verklaring af.
De rechtbank achtte beide feiten wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot 60 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en een rijontzegging van 6 maanden met aftrek van de reeds ingehouden periode. Daarnaast werd een schadevergoeding van €2.500 aan immateriële schade aan de benadeelde toegekend, met wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval. Bij niet-betaling kan gijzeling worden toegepast.
De rechtbank nam de ernst van het gedrag en de gevolgen voor de slachtoffers zwaar mee in de strafoplegging. De vordering van de benadeelde partij voor een hogere schadevergoeding werd deels afgewezen als onevenredig hoog. De bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen werd gelast ten behoeve van de rechthebbenden.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda op 14 april 2026, waarbij verdachte verstek liet verschijnen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 dagen gevangenisstraf en 6 maanden rijontzegging wegens gevaarlijk rijgedrag en vluchtmisdrijf met letsel.
Uitspraak
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-108943-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Chili), op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
wonende te [adres] , [plaats] , Spanje.
raadsman mr. A.M.J. Joris, advocaat te Breda.
1.Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 31 maart 2026. Tegen verdachte is verstek verleend. De officier van justitie mr. S.A.A.P. van Hees heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1:door zijn verkeersgedragingen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen heeft veroorzaakt;
Feit 2:de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of kon vermoeden dat aan een ander letsel en/of schade was toegebracht.
3.De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan, gelet op de processen-verbaal met nummers eindigend op -27 en -29 en de bekennende verklaring van verdachte. Wat feit 1 betreft is de officier van justitie van mening dat er levensgevaar te duchten is geweest.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank
4.2.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1. op 28 maart 2024 in de gemeente Roosendaal en elders in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16 en A17 en op de afrit en toerit van die A16 en A17, en op de Roosendaalsebaan en andere (openbare) wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door - nadat hij, verdachte, een stopteken van de politie negeerde - meermalen met (zeer) hoge snelheid te rijden en (hierbij) over kruisingen te rijden en op de vluchtstrook te rijden en door rode verkeerslichten te rijden en rechts en links in te halen, door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar voor anderen te duchten was;
2. als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Roosendaal aan de Roosendaalsebaan, op 28 maart 2024 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander letsel en schade was toegebracht.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5.De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitslui
6.De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van voorarrest en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd dat zijn rijbewijs al was ingenomen.
6.2.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft nagelaten om een stopteken van de politie op te volgen en heeft hierna in een poging om aan de politie te ontkomen met enorm hoge snelheden - tussen de 150 en 210 km/uur - over de A16 en A17 en de tussengelegen toe- en afritten gereden. Verdachte heeft daarbij verkeer links en rechts ingehaald, is over de vluchtstrook gereden en is na het negeren van verkeerslichten die rood licht uitstraalden kruisingen op- en overgereden. Meerdere voertuigen hebben door het rijgedrag van verdachte moeten uitwijken en remmen om een aanrijding ternauwernood te voorkomen. Voor de eigen veiligheid en die van het overige aanwezige verkeer heeft de politie de achtervolging moeten stoppen, omdat deze niet langer verantwoord was. Deze dollemansrit eindigde uiteindelijk doordat verdachte met een auto in aanrijding kwam en vervolgens tegen de linkervoorzijde van een vrachtwagen tot stilstand kwam. Verdachte heeft toen wederom geprobeerd aan de politie te ontkomen door uit zijn auto te komen en - ondanks serieus letsel - weg te rennen. De bestuurder van de auto die verdachte had geraakt, had een fikse kneuzing aan het borstbeen en namens hem is ter zitting verklaard dat de aanrijding flinke gevolgen voor zijn (kwaliteit van) leven heeft gehad. Hij heeft enige tijd moeten revalideren en kon niet meer voor zijn hulpbehoevende vrouw zorgen. Ook de inzittende van de auto waarin verdachte reed, had letsel. De rechtbank neemt verdachte zijn handelen bijzonder kwalijk en dan vooral ook het feit dat er slachtoffers zijn gevallen waar verdachte zich vervolgens niet om heeft bekommerd.
Bij de bepaling van de soort en de hoogte van de op te leggen sanctie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat de redelijke termijn in zeer beperkte mate is geschonden. Immers, volgens artikel 6 EVRMPro dient de behandeling ter terechtzitting te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, in dit geval op 28 maart 2024, de datum van de inverzekeringstelling.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen passend en geboden is, met aftrek van voorarrest. Daarnaast zal de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur als gevorderd, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte al ingevorderd en ingehouden is geweest.
7.Het beslag
7.1.
De teruggave
Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen wordt de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbenden, omdat geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8.De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde]vordert een schadevergoeding van € 10.000,=voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De grondslag voor de immateriële schade is het lichamelijk letsel van [benadeelde] . [benadeelde] heeft een bedrag van € 10.000,= aan immateriële schade gevorderd. De rechtbank acht het gevorderde bedrag, gelet op wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, onevenredig hoog. Met dat oordeel wil de rechtbank niks afdoen aan het leed en de gevolgen die het strafbare feit voor benadeelde hebben gehad.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen hiervan voor de benadeelde en de bedragen die rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht de rechtbank de toewijzing van een bedrag van € 2.500,=aan immateriële schade billijk.
De rechtbank zal de vordering van de immateriële schade voor het overige afwijzen.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 28 maart 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
9.De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5a, 7, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10.Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2: overtreding van artikel 7 vanPro de Wegenverkeerswet 1994;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Bijkomende straf
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;
Benadeelde partij
T.a.v. feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde]van € 2.500,=,aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 maart 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] , € 2.500,=te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 maart 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 25 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
10 STK Sieraden, voorwerp nummer PL2000-2024077817-2708292.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.R.R. Loeve, voorzitter, mr. E.B. Prenger en mr. R. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 28 maart 2024 in de gemeente Roosendaal en/of elders in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de A16 en/of A17 en/of op de afrit en/of toerit van die A16 en/of A17 en/of de Roosendaalsebaan en/of één of meer andere (openbare) wegen, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- terwijl en/of nadat hij, verdachte, enig(e) stopteken(s) van de politie negeerde - meermalen althans eenmaal, met (zeer) hoge snelhe(i)d(en) te rijden, in elk geval met (een) snelhe(i)d(en) die hoger lagen dan de wettelijk toegestane maximum snelhe(i)d(en), en/of (hierbij) over één of meer kruising(en) te rijden en/of op de vluchtstrook te rijden en/of door één of meer rode/rood verkeerslicht(en) te rijden en/of rechts en/of links in te halen, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )
2.
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Roosendaal op/aan de Roosendaalsebaan, op of omstreeks 28 maart 2024 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander letsel en/of schade was toegebracht;
( art 7 lid 1 ahfPro/ond a Wegenverkeerswet 1994, art 7 lid 1 ahfPro/ond b Wegenverkeerswet 1994 )
Bijlage II: De bewijsmiddelen
Aangezien verdachte ten aanzien van feit 1een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie, opgenomen op dossierpagina 74 e.v. van het eindproces-verbaal van de politie Zeeland-West-Brabant met nummer PL2000-2024077817-1;
- het proces-verbaal bevindingen, opgenomen op dossierpagina 17, 18 en 19 van het voornoemde eindproces-verbaal;
-het proces-verbaal bevindingen, opgenomen op dossierpagina 29, 30 en 31 van het voornoemde eindproces-verbaal.
Aangezien verdachte ten aanzien van feit 2een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie, opgenomen op dossierpagina 74 e.v. van het voornoemde eindproces-verbaal;
-het proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde] , opgenomen op dossierpagina 43 van het voornoemde eindproces-verbaal;
-het proces-verbaal bevindingen, opgenomen op dossierpagina 17, 18 en 19 van het voornoemde eindproces-verbaal.