Eiseres heeft op 6 augustus 2025 een verzoek tot herbeoordeling van een WIA-uitkering ingediend bij het UWV, dat dit verzoek op 11 augustus 2025 ontving. Volgens de wettelijke termijn had het UWV uiterlijk op 6 oktober 2025 moeten beslissen. Nadat het UWV niet binnen deze termijn had beslist, stelde eiseres het UWV op 21 oktober 2025 in gebreke. Na het verstrijken van de ingebrekestelling zonder besluit, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Het UWV gaf aan dat door een structureel tekort aan verzekeringsartsen nog geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden en kon geen termijn noemen waarop het besluit wel genomen zou worden. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om een zorgvuldige beslissing mogelijk te maken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Het UWV wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 10 april 2026.