ECLI:NL:RBZWB:2026:30

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
BRE 25/3796
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep inzake kinderopvangtoeslag en de toepassing van de regeling tegemoetkoming opzet/grove schuld

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 januari 2026, wordt het beroep van eiser beoordeeld, die stelt dat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 16 mei 2025 voor de regeling tegemoetkoming opzet/grove schuld met betrekking tot de kinderopvangtoeslag. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat eiser niet heeft aangetoond dat zijn aanvraag gebaseerd is op nieuwe feiten. De rechtbank wijst erop dat verweerder al op 29 september 2023 een besluit heeft genomen over de regeling, en dat de aanvraag van 16 mei 2025 niet de vereiste informatie bevatte om als een nieuwe aanvraag te worden beschouwd. Hierdoor is er geen grond voor een dwangsom of proceskostenveroordeling. De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is om verweerder een nadere beslistermijn op te leggen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3796

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,
en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) van 16 mei 2025 om toepassing van de regeling tegemoetkoming opzet/grove schuld op zijn situatie met betrekking tot de kinderopvangtoeslag.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder al, voor de aanvraag van 16 mei 2025, op 29 september 2023 een besluit heeft genomen met betrekking tot de regeling tegemoetkoming opzet/grove schuld. Voor zover eiser in zijn brief van 23 september 2025 aanvoert dat hij een nieuwe aanvraag heeft gedaan, omdat er sprake zou zijn van nieuwe feiten, stelt de rechtbank vast dat dit niet uit zijn aanvraag van 16 mei 2025 blijkt, zodat ook verweerder hier niet van uit hoefde te gaan.
3.1.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank kan geen beslistermijn opleggen en verweerder hoeft daarom geen dwangsom aan eiser te betalen. Omdat verweerder niet te laat is met beslissen, heeft eiser ook geen recht op de bestuurlijke dwangsom. De rechtbank ziet in de brief van eiser van 16 oktober 2025 dan ook geen aanleiding om verweerder een nadere beslistermijn op te leggen voor het nemen van een dwangsombeschikking. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4. Uit de brief van 23 september 2025 blijkt pas dat eiser een aanvraag doet op grond van door hem gestelde nieuwe feiten. De rechtbank heeft deze brief (met bijlagen) op 20 oktober 2025 aan verweerder toegestuurd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verweerder de aanvraag, op grond van de door eiser gestelde nieuwe feiten, in behandeling neemt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 6 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.