ECLI:NL:RBZWB:2026:301

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
12015538 VV EXPL 25-114 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 6:162 BWArt. 5:50 BWArt. 5:51 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijdering houten scherm wegens onrechtmatige hinder in burenrechtelijke zaak

In dit kort geding staat de vraag centraal of een houten scherm dat door gedaagde tegen de tuindeuren van eiser is geplaatst, onredelijke hinder oplevert. Eiser is sinds mei 2024 eigenaar van de woning en ondervindt door het scherm ernstige belemmering van lichtinval, ventilatie en uitzicht, wat zijn woongenot aantast.

Gedaagde betwist de onrechtmatigheid en stelt dat eiser de woning met het scherm heeft aanvaard en dat het scherm privacy beschermt. De kantonrechter oordeelt dat ondanks het scherm bij aankoop aanwezig was, het burenrecht van toepassing blijft en onrechtmatige hinder kan worden geëist.

De rechter stelt vast dat het scherm de lichtinval en het uitzicht aanzienlijk vermindert en onderhoud aan de ramen belemmert, wat in strijd is met het burenrecht. De vordering tot verwijdering van het scherm wordt toegewezen met een dwangsom, terwijl andere vorderingen worden afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld het houten scherm binnen 48 uur te verwijderen wegens onrechtmatige hinder, met oplegging van een dwangsom en veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12015538 \ VV EXPL 25-114
Vonnis in kort geding van 22 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: LLex Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Riep.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De zaak in het kort

In dit kort geding is het onderwerp van geschil een houten scherm dat [gedaagde] tegen de tuindeuren in de achtergevel van de woning van [eiser] heeft geplaatst. De vraag is of de aanwezigheid van dit scherm [eiser] onredelijk hindert. De kantonrechter meent dat dit het geval is en wijst de (primaire) vordering om de schutting te verwijderen en verwijderd te houden in kort geding toe en verbindt hieraan een dwangsom. De overige vorderingen worden afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is sinds mei 2024 eigenaar van de woning aan het [adres 1] .
3.2.
[gedaagde] is eigenaar van de aangrenzende woning aan [adres 2] .
3.3.
In 1922 was het perceel waarop de woningen van [eiser] en [gedaagde] zich bevinden eigendom van één eigenaar, de heer [naam 1] ( [naam 1] ). [naam 1] woonde in het pand dat thans toebehoort aan [gedaagde] .
3.4.
In 1922 heeft [naam 1] een vergunning verkregen voor het realiseren van een klein gebouw in zijn tuin ten behoeve van het exploiteren van een schoenfabriekje (thans de woning van [eiser] ). Na de realisatie van het schoenfabriekje is de functie van het schoenfabriekje in 1931 gewijzigd naar die van woning.
3.5.
[naam 1] heeft het gehele perceel in 1990 verkocht aan de heer [naam 2] ( [naam 2] ). In 1992 heeft [naam 2] een vergunning verkregen om het pandje aan het [adres 1] te verbouwen naar een atelier. [naam 2] heeft de achtergevel in 1992 voorzien van openslaande deuren, die vervolgens in 2012 zijn voorzien van glas.
3.6.
In 2017 heeft [naam 2] de woning aan [adres 2] , inclusief de gehele tuin, verkocht aan [gedaagde] . [naam 2] is eigenaar gebleven van het pandje aan de [adres 1] en is daarin gaan wonen. [gedaagde] heeft met [naam 2] een huurovereenkomst gesloten voor de huur van een stuk tuin, aangrenzend aan de woning van [naam 2] . Op de grens van het door [naam 2] gehuurde stuk tuin en de tuin van [gedaagde] is toen een schutting geplaatst.
3.7.
In mei 2024 heeft [naam 2] het pandje aan de [adres 1] verkocht aan [eiser] . Daarmee is de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [naam 2] geëindigd. [gedaagde] en [eiser] hebben geen huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de huur van een stuk tuin.
3.8.
Op het moment dat [eiser] zijn woning betrok was aan de buitenzijde van de achtergevel ter plaatse van de openslaande deuren een houten scherm bevestigd door [gedaagde] (zie onderstaande foto), waarmee de ramen van de openslaande deuren volledig waren afgeschermd.
[afbeelding geanonimiseerd]
3.9.
[eiser] heeft het houten scherm verwijderd. [gedaagde] heeft vervolgens opnieuw een vergelijkbaar houten scherm geplaatst.
3.10.
[gedaagde] heeft zich in de gevoerde correspondentie met [eiser] – samengevat en voor zover van belang – op het standpunt gesteld dat het niet mogelijk is om raamopeningen in de achterzijde van de gevel te hebben, omdat een raamopening op ten minste 2 meter van de erfgrens gelegen dient te zijn, dat het onwenselijk is dat [eiser] in de tuin van [gedaagde] kan kijken en dat het houten scherm niet zal worden verwijderd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – primair om [gedaagde] te gelasten om de door hem geplaatste obstructie voor de dubbele achterdeuren aan de [adres 1] binnen 48 uur na betekening van het vonnis volledig te verwijderen en verwijderd te houden en om hem vervolgens te verbieden om enig bouwwerk, werk of voorwerp, in welke vorm dan ook te (doen) plaatsen of in stand te houden dat de toetreding van daglicht of lucht via de dubbele achterdeuren belemmert of wegneemt. [eiser] vordert om aan de veroordelingen een dwangsom te verbinden. Verder vordert [eiser] om hem, indien [gedaagde] niet deugdelijk aan de veroordelingen voldoet, te machtigen om de verwijdering en naleving steeds zelf te mogen (doen) uitvoeren. Subsidiair, namelijk indien de voorzieningenrechter de primaire vorderingen niet toewijsbaar acht, vordert [eiser] een andere voorziening te treffen die daglicht en lucht via de achtergevel herstelt. Tot slot vordert [eiser] om [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering, samengevat, het volgende ten grondslag. [eiser] heeft de dubbele deuren in de achtergevel na aankoop conform artikel 5:51 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) vastgezet en ondoorzichtig gemaakt, zodat geen sprake is van strijd met artikel 5:50 BW Pro. De door [gedaagde] geplaatste houten panelen voor de dubbele deuren van de woning van [eiser] blokkeren volledig de lichtinval en ventilatie vanuit de achtergevel en zorgen tevens voor een ernstig ontsierend en hinderlijke aanzicht van de woonkamer van [eiser] . Ook wordt [eiser] door de obstructie de mogelijkheid van het hebben van een nooduitgang ontnomen. De door [gedaagde] geplaatste volledige afscherming is disproportioneel, onnodig en gaat verder dan wat tussen buren in een stadscentrum als normale hinder te dulden valt. Daarmee is sprake van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW Pro in samenhang met artikel 6:162 BW Pro.
4.3.
[eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. [eiser] ondervindt inmiddels bijna 18 maanden ernstige hinder. Alle redelijke pogingen om het geschil in overleg op te lossen zijn vruchteloos gebleken. [gedaagde] heeft zijn medewerking aan buurtbemiddeling geweigerd en houdt bewust een conflictsituatie in stand. De aanhoudende psychische spanning en de houding van [gedaagde] maken een ingreep in de vorm van een voorlopige voorziening volgens [eiser] noodzakelijk.
4.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.5.
[gedaagde] voert, samengevat, het volgende aan. [gedaagde] betwist allereerst dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Hij stelt daartoe dat geen sprake is van de situatie waarbij een voorlopige voorziening of ordemaatregel is vereist om bepaalde situaties of onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Ook valt niet in te zien waarom een bodemprocedure voor dit concrete geval niet geschikt zou zijn. [eiser] ondervindt namelijk geen schade. De situatie bestaat al 18 maanden en niet valt in te zien dat er al die tijd gewacht is met een procedure en de situatie nu wel spoedeisend is.
4.6.
[gedaagde] betwist vervolgens dat er sprake is van hinder of van een onrechtmatige situatie. [eiser] heeft de woning gekocht terwijl op dat moment de deuren in de achtergevel al waren afgeschermd, de schutting er al stond en de deuren niet open konden. In die staat heeft [eiser] de woning aanvaard en daar kan hij nu niet op terugkomen.
Een beroep op artikel 5:51 BW Pro kan [eiser] niet baten, omdat geen sprake is van lichtopeningen in ramen maar in deuren, die ook nog eens open kunnen en dus geen vaststaande vensters betreffen.
Verder is niet gebleken dat de openslaande deuren noodzakelijk zijn voor ventilatie en/of daglicht. Er is al veel lichtinval en ventilatiemogelijkheden via de vier dakramen in de woning. [gedaagde] heeft er belang bij dat de privacy van de bewoners van zijn woning wordt gewaarborgd en dat er geen zicht is op de tuin van zijn woning. Ook heeft [gedaagde] belang bij een erfafscheiding, zodat [eiser] niet onbevoegd het erf van [gedaagde] kan betreden. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij het recht heeft om zijn erf af te sluiten en te scheiden door het plaatsen van een scheidingsmuur.
4.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Toetsingskader kort geding
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
5.2.
De kantonrechter overweegt dat het spoedeisend belang aan de zijde van [eiser] genoegzaam voortvloeit uit de aard van de vordering (onrechtmatige hinder). Dat de houten panelen waarvan [eiser] nu verwijdering vordert al aanwezig zijn sinds [eiser] de woning heeft betrokken maakt niet dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij in de afgelopen 18 maanden geprobeerd heeft om het ontstane geschil tussen hem en [gedaagde] onderling op te lossen, dat dit niet is gelukt en dat de aanhoudende psychische spanning en de houding van [gedaagde] een ingreep in de vorm van een voorlopige voorziening noodzakelijk maken. De aanwezigheid van de houten panelen vormt nu een bron van conflict. Voorlopige duidelijkheid over ieders rechtspositie ten aanzien van de houten panelen kan escalatie voorkomen en rust tussen partijen creëren. Er zal met een beslissing van de voorzieningenrechter geen onomkeerbare situatie ontstaan.
Onrechtmatige hinder ex artikel 5:37 BW Pro
5.3.
Beoordeeld dient te worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] onrechtmatige hinder toebrengt aan [eiser] door het plaatsen van een houten scherm tegen de openslaande deuren van de achtergevel van [eiser] . Ingevolge artikel 5:37 BW Pro mag de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is, aan eigenaren van andere erven hinder toebrengen.
5.4.
Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (HR 3 mei 1991, NJ 1991, 476). Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit of – in deze zaak – het hinder toebrengende bouwsel worden gediend, en de mogelijkheid en bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.
5.5.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Dat het houten scherm reeds aanwezig was bij de aankoop van de woning door [eiser] , laat onverlet dat het burenrecht tussen partijen van toepassing is en dat, indien [eiser] onrechtmatige hinder ondervindt afkomstig van of veroorzaakt door zijn nabuur, ongedaanmaking daarvan kan eisen.
5.6.
Vaststaat dat de openslaande deuren in de achtergevel van [eiser] binnen twee meter van de erfgrens zijn gelegen en dat deze uitzicht geven op het perceel van [gedaagde] . Op grond van artikel 5:50 BW Pro zijn deze deuren in de achtergevel van [eiser] in beginsel niet geoorloofd. Op grond van artikel 5:51 BW Pro zijn muuropeningen in de achtergevel wel toegestaan, indien deze vaststaand en ondoorzichtig zijn.
5.7.
Uit de door [eiser] overgelegde foto’s (productie 14 en 15 bij dagvaarding) volgt dat de ramen van de openslaande deuren met folie zijn beplakt waardoor deze ondoorzichtig zijn. [gedaagde] heeft ook niet weersproken dat dit het geval is. De eis in artikel 5:51 BW Pro dat de lichtopeningen vaststaand moeten zijn, moet zo moet worden geïnterpreteerd dat de ramen (in dit geval in de deuren) zodanig zijn vastgezet dat deze niet meer open kunnen.
5.8.
Voor zover de discussie tussen partijen zich toespitst op de vraag of de deuren zodanig zijn vastgezet dat ze niet meer open kunnen, behoeft de kantonrechter zich niet uit te laten over deze vraag. [gedaagde] heeft namelijk geen tegenvordering ingesteld waarin hij vordert dat de deuren worden vastgezet. [eiser] heeft tijdens de zitting toegezegd dat hij nooit de tuin van [gedaagde] heeft betreden via de achterdeuren en hij dat ook niet zal doen. Gelet daarop moet worden aangenomen dat de privacy van [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende is gewaarborgd.
5.9.
Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] zelf niet in de woning aan [adres 2] woont en dat hij de woning verhuurt. Voor zover het om privacy van de bewoners gaat, heeft [gedaagde] op geen enkele wijze onderbouwd dat zij in hun privacy worden aangetast. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] gesteld dat hij klachten heeft ontvangen van de bewoners dat [eiser] in de tuin zou zijn geweest, maar dit is door [eiser] weersproken en op geen enkele wijze door [gedaagde] onderbouwd. Voor zover [gedaagde] tijdens de zitting heeft gesteld dat uit 1 van de foto’s gemaakt vanuit de woning van [eiser] , blijkt dat [eiser] de tuin van [gedaagde] heeft betreden, heeft te gelden dat op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat het om [eiser] gaat, dan wel om een persoon die via de openslaande deuren de tuin van [gedaagde] heeft betreden. Daarbij is van belang dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat de persoon op de foto de man betreft die in opdracht van [gedaagde] het houten scherm (opnieuw) heeft geplaatst.
5.10.
Bovendien blijkt uit de overgelegde foto’s dat het stuk achtertuin waaraan de achtergevel van [eiser] grenst, een overwoekerd stuk tuin is, en dus niet is ingericht om als tuin te worden gebruikt. [gedaagde] heeft dit tijdens de zitting beaamd en heeft aangevoerd dat de tuin (op een nog te bepalen termijn) heringericht moet worden. Ook daarom valt niet in te zien welk belang [gedaagde] op dit moment heeft bij het afschermen van de achtergevel van [eiser] .
5.11.
Ook de omstandigheid dat [gedaagde] [eiser] de mogelijkheid heeft geboden om een stuk tuin te huren wijst er op dat [gedaagde] zelf geen zwaarwegend belang toekent aan privégebruik van de tuin, althans van het gedeelte direct grenzend aan de achtergevel van [eiser] . [gedaagde] heeft ook geen (andere) zwaarwegende belangen gesteld.
5.12.
Daar staat tegenover dat [eiser] door de aanwezigheid van het houten scherm onredelijk in zijn belangen wordt geschaad. Uit de overgelegde kleurenfoto’s, en dan met name productie 12 in vergelijking met productie 15 bij de dagvaarding, blijkt genoegzaam dat de lichtinval aan de achterzijde van de woning van [eiser] door het plaatsen van de houten panelen pal tegen de openslaande deuren fors wordt verminderd. De aanwezigheid van de dakramen in de woning doet daaraan niet af. De woning heeft geen zijramen en ook geen noemenswaardige ramen aan de voorzijde. De enige lichtinval die de woning heeft zijn vier dakramen waarvan er twee niet op de begane grond schijnen. Daarbij komt dat ook het uitzicht vanuit de woonkamer van [eiser] vanwege het tegen de ramen geplaatste houten scherm – ook met de aangebrachte folie – bepaald onaantrekkelijker, is geworden. Deze afname van licht en zicht doet wezenlijk, zo niet ernstig, afbreuk aan het woongenot.
5.13.
Verder wordt door de aanwezigheid van het houten scherm tegen de achtergevel van [eiser] het onderhoud van de ramen (glasbewassing, schilderwerk, kozijnen) onmogelijk gemaakt. Dat is in strijd met artikel 5:50 lid 4 BW Pro.
Conclusie
5.14.
Op grond van de op dit moment kenbare feiten en omstandigheden en de afweging van belangen is de kantonrechter voorlopig van oordeel dat de hinder die [eiser] ondervindt van het houten scherm als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Daarom zal de vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van het houten scherm tegen de achtergevel van [eiser] worden toegewezen. Nu de primaire vorderingen worden toegewezen, behoeft de subsidiaire vordering geen bespreking.
Dwangsom
5.15.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] belang heeft bij oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing. De kantonrechter acht de gevorderde dwangsom redelijk en [gedaagde] heeft ook geen beroep gedaan op beperking van de dwangsom, zodat deze zal worden toegewezen zoals gevorderd.
Machtiging
5.16.
Om de verhoudingen tussen partijen niet verder op scherp te zetten, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de door [eiser] gevorderde machtiging om de nakoming zo nodig zelf te (doen) uitvoeren toe te wijzen.
Verbod plaatsen ander bouwwerk
5.17.
De vordering om [gedaagde] te verbieden om enig bouwwerk, werk of voorwerp, in welke vorm dan ook de (doen) plaatsen of in stand te houden dat de toetreding van daglicht of lucht via de openslaande deuren belemmert of wegneemt, door bijvoorbeeld een strook van minimaal 2 meter vanaf de achtergevel vrij te houden, zal worden afgewezen. Op basis van de thans voorhanden feiten kan niet worden vastgesteld welk soort bouwwerk en op welke afstand van de achtergevel van [eiser] wel als toelaatbaar kan worden aangemerkt. Daarvoor is een nader (feiten)onderzoek, door middel van bijvoorbeeld een plaatsopneming of inwinning van advies van een deskundige, noodzakelijk. Daarvoor is in deze kort geding procedure geen plaats. Overigens gaat de kantonrechter ervan uit dat voor [gedaagde] op grond van het voorgaande helder zal zijn dat het plaatsen van een nieuwe schutting of houten paneel op slechts enkele centimeters afstand van de achtergevel van [eiser] evengoed onrechtmatige hinder zal opleveren.
Proceskosten
5.18.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.184,45
5.19.
Daarmee gaat de kantonrechter voorbij aan het verzoek van [gedaagde] om de proceskosten voor rekening van [eiser] te laten komen, omdat de brief met daarin de dagbepaling van de rechtbank die de gemachtigde van [eiser] heeft doorgestuurd aan de gemachtigde van [gedaagde] , door de gemachtigde van [eiser] is bewerkt en hij daaruit gegevens heeft verwijderd. De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat het niet de bedoeling is om berichten afkomstig van de rechtbank te bewerken, maar gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] daardoor in zijn belangen is geschaad. Gelet daarop acht de kantonrechter het niet passend om aan dat handelen de sanctie te verbinden dat [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis het tegen de achtergevel van [eiser] geplaatste bouwwerk (houten scherm) geheel te verwijderen en verwijderd te houden,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.184,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.