Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3012

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/3152
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OmgevingswetArt. 5.18 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 22.29 lid 1 onder b Omgevingsplan gemeente TilburgArt. 5:50 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning tijdelijke woonunit wegens evenwichtige toedeling functies

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op een perceel in Tilburg.

De vergunninghouders hebben de tijdelijke woonunit aangevraagd vanwege renovatiewerkzaamheden aan hun woning. Eiser, eigenaar van de naastgelegen woning, betwist de vergunning op grond van strijd met het bestemmingsplan, onvoldoende ruimtelijke onderbouwing, en mogelijke aantasting van zijn woon- en leefklimaat, waaronder privacy en natuurwaarden.

De rechtbank overweegt dat de tijdelijke woonunit als bijgebouw kwalificeert binnen het perceel en dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de vergunning in overeenstemming is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bezwaren over afstand tot bomen, brandveiligheid en technische eisen zijn afdoende meegenomen door het college. De vrees van eiser voor privacy-inbreuk en waardevermindering is onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de tijdelijke woonunit wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, verweerder

als derde-partij nemen aan de zaak deel: [persoon 1] en [persoon 2] uit [woonplaats] (de vergunninghouders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit voor maximaal 2 jaar op het perceel [adres 1] in [woonplaats] (het perceel). Het college heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 26 september 2024 hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit voor maximaal 2 jaar op het perceel.
2.1.
Met het besluit van 19 november 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de verlening van de omgevingsvergunning.
2.3.
Met het bestreden besluit van 7 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de [gemachtigde] namens het college en de vergunninghouders.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. Vergunninghouders hebben een woning gekocht aan het [adres 1] in [woonplaats] . Vanwege de grondige renovatie van die woning hebben vergunninghouders een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit op het perceel. Vergunninghouders wonen momenteel met hun gezin in de tijdelijke woonunit op het perceel. Eiser is eigenaar van de naastgelegen woning met adres [adres 2] in [woonplaats] .
Het toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Wandelbos 2007” van toepassing. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg.
4.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Omvang van het geding
5. Ter zitting heeft eiser te kennen gegeven dat de grond met betrekking tot het hoorrecht wordt ingetrokken. De rechtbank zal die grond daarom niet inhoudelijk beoordelen.
De beroepsgronden
6. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet heeft mogen verlenen, omdat deze in strijd is met het bestemmingsplan. De woonunit betreft een extra hoofdgebouw en is groter dan is toegestaan. Eiser voert aan dat het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet had mogen verlenen. De afwijkingsmogelijkheid die het college heeft toegepast, is volgens eiser onvoldoende onderbouwd. Daartoe voert eiser aan dat een concrete ruimtelijke onderbouwing onderbreekt, zodat niet kan worden vastgesteld of hier sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast heeft eiser gesteld dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiser. Ook hadden vergunningshouders hun voormalige woning kunnen aanhouden zodat zij niet tijdelijk in de woonunit hoeven te wonen.
Is er sprake van strijd met het bestemmingsplan?
6.1.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet heeft mogen verlenen, omdat deze in strijd is met artikel 8.0a lid 1 en lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en met artikel 22.29 lid 1 onder b van het omgevingsplan.
6.2.
Op grond van artikel 5.4 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan tijdelijk, kortstondig of incidenteel (afwijkend) gebruik binnen bestemmingen worden toegestaan. Deze mogelijkheden zijn echter niet van toepassing op het plaatsen van een tijdelijke woonunit. Dit betekent dat er sprake is van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat, als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, deze alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De verschillende argumenten van eiser worden hierna afzonderlijk van elkaar beoordeeld.
Extra hoofdgebouw
6.3.
Eiser heeft aangevoerd dat de tijdelijke woonunit in strijd is met het bestemmingsplan omdat er sprake is van een extra hoofdgebouw. Het perceel is namelijk opgedeeld in twee kavels.
6.4.
De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van één perceel gekeken moet worden naar de feitelijke actuele situatie, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden. [1] De tijdelijke woonunit is gesitueerd in de tuin, aan de voorzijde van de woning van vergunninghouders. Het perceel is ingericht als tuin bij de woning. De rechtbank is van oordeel dat de woning en tuin als geheel worden aangemerkt, zodat de tijdelijke woonunit als een bijgebouw kwalificeert. Het perceel is volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestemd voor ‘wonen’. Op het perceel is al een woning aanwezig waardoor de nieuw te plaatsen tijdelijke woonunit als een bijgebouw wordt gezien. Aangezien hierin tijdelijk gewoond gaat worden is er geen sprake van strijdigheid met artikel 5.2 onder c van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Afstand tot bomen, brandveiligheid en technische aspecten
6.5.
Eiser voert aan dat de woonunit tussen 5 bomen is gesitueerd. Volgens artikel 3.3.3 onder a van het tijdelijk deel van het omgevingsplan had de afstand tot de bomen 8 meter moeten bedragen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat dit ook het natuurbelang van de bomen raakt en dit belang onvoldoende door het college is meegewogen. Daarnaast vraagt eiser zich af of aan de eisen van brandveiligheid en technische eisen wordt voldaan. Het college heeft onvoldoende onderzocht of de woonunit voldoet aan de huidige regelgeving en de technische eisen van het Bouwbesluit en de Bouwverordening. Ook ontbreekt een ruimtelijke onderbouwing, met onder meer onderzoeken naar geluid, flora en fauna, water, archeologie, enzovoorts.
6.6.
Het college heeft aangevoerd dat ten aanzien van het waarborgen van het voortbestaan van de bomen aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden. Verder voert het college aan dat een aannemelijkheidstoets is uitgevoerd ten aanzien van de vergunde functies. Het college heeft aannemelijk geacht dat is voldaan aan de brandveiligheidseisen en technische eisen.
6.7.
De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning is aangevraagd en verleend voor het afwijken van het omgevingsplan. Uit het bestreden besluit blijkt dat de belangen van eiser in de bezwaarfase zijn meegewogen door het college. De aanvullende voorschriften met betrekking tot de bomen binnen 8 meter afstand van de woonunit zijn namelijk terug te voeren op de bezwaren van eiser. Nader onderzoek naar de brandveiligheid en technische eisen was, anders dan eiser kennelijk meent, in dit geval niet noodzakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende gemotiveerd dat het aannemelijk is dat aan brandveiligheidseisen en technische eisen is voldaan.
Is de woonunit groter dan vergund?
6.8.
Eiser voert aan dat de tijdelijke woonunit in strijd is met het bestemmingsplan omdat het bijgebouw niet mag worden vergroot. Door de veranda en de vlonder bij de woonunit te trekken, wordt de woonunit feitelijk uitgebreid. Eiser vreest bovendien dat de tijdelijke woonunit langer dan 2 jaar zal blijven staan.
6.9.
De rechtbank overweegt dat de beoordeling zich richt op de vraag of de verleende omgevingsvergunning terecht is, ongeacht de feitelijke uitvoering. Voor zover eiser vreest voor een langer gebruik van de woonunit dan 2 jaar, overweegt de rechtbank dat de omgevingsvergunning hier ter beoordeling voorligt. Een langer gebruik dan 2 jaar of een groter bouwwerk dan is aangevraagd is niet vergund. Mocht hier sprake van zijn, dan betreft dit mogelijk een handhavingskwestie.
6.10.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eiser niet.
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
7. Eiser voert aan dat het bestreden besluit van het college onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat daarin onvoldoende rekening wordt gehouden met zijn belangen. Daartoe voert eiser aan dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend voor een buitenplanse omgevingsactiviteit, omdat die alleen kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De woonunit is groot en staat vol in het zicht. Eiser vreest dat de woonunit daarom negatieve invloed heeft op de verkoopmogelijkheden van zijn perceel. Daarnaast heeft het college volgens eiser een onzorgvuldige en onvolledige belangenafweging gemaakt, door het privacybelang van eiser onvoldoende mee te wegen. Eiser stelt dat dat de woonunit een directe en onevenredige inbreuk op zijn privacy oplevert, mede omdat er via het raam uitzicht is op het perceel van eiser. Verder stelt eiser dat vergunninghouders hun voormalige woning hadden kunnen aanhouden, zodat zij niet in een tijdelijke woonunit hoeven te verblijven.
7.1.
Het college stelt dat er terecht een omgevingsvergunning is verleend voor deze buitenplanse omgevingsactiviteit. Het perceel is bestemd voor ‘wonen’. Met het plaatsen van de tijdelijke woonunit wordt deze bestemming niet veranderd, aangezien in de tijdelijke woonunit wordt gewoond. Dat een woonruimte vanaf de straatkant te zien is, is een veelvoorkomende situatie in een gebied waar wonen is toegestaan. Het raam zorgt niet voor een dusdanige inbreuk voor eiser dat de omgevingsvergunning geweigerd had moeten worden. Daarbij merkt het college op dat eiser niet woonachtig is in de naastgelegen woning. Verder betreft het een tijdelijk bouwwerk waardoor op grond van artikel 22.29 lid 1 onder b van het omgevingsplan gemeente Tilburg de tijdelijke woonunit is uitgezonderd van de redelijke eisen van welstand.
7.2.
De vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde woonunit voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ‘Evenwichtige toedeling’ is een open norm en het bevoegd gezag heeft beleidsruimte om deze in te vullen. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
7.3.
De rechtbank overweegt dat de woonunit is bestemd om tijdelijk in te wonen en dat deze is gesitueerd in een gebied waar wonen is toegestaan. Ter zitting is met partijen vastgesteld dat de afstand tot de erfgrens circa drie meter bedraagt. Daarmee staat dus vast, gezien artikel 5:50 van Pro het Burgerlijk Wetboek, dat er geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering om de omgevingsvergunning te verlenen. Gezien deze afstand tot de erfgrens kon het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot de conclusie komen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- of leefklimaat van eiser. Dat de woonunit een negatieve invloed zal hebben op de verkoopbaarheid van de woning van eiser is door eiser niet nader onderbouwd met stukken. De enkele vrees van eiser dat zijn privacy wordt geschonden, kan geen doorslaggevende rol spelen in de beoordeling van de aanvraag. Het college kon het belang van vergunninghouder om te mogen wonen tijdens de bouwwerkzaamheden naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid zwaarder laten wegen dan het privacybelang van eiser. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat eiser ten tijde van het bestreden besluit niet in de woning woonde.
7.4.
Voor zover eiser heeft betoogd dat vergunninghouders hun voormalige woning hadden kunnen aanhouden, overweegt de rechtbank dat dit buiten de beoordeling van de omgevingsvergunning ligt. Het college hoeft alleen te toetsen of de gevraagde woonunit kan worden gerealiseerd met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.5.
Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond van eiser niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college op goede gronden de omgevingsvergunning heeft verleend. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 16 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Omgevingswet
Artikel 5.1. (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een bouwactiviteit,
(…)
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18. (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur)
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Artikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
(…)
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Burgerlijk Wetboek (BW)
Artikel 5:50, eerste lid van het BW
1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.