Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3024

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/6214
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking besluit CBR door inhoudelijke behandeling bezwaar

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het CBR waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard. Het CBR heeft dit besluit op 2 februari 2026 ingetrokken en aangegeven het bezwaar inhoudelijk te zullen behandelen, waardoor het beroep werd ingetrokken.

De rechtbank heeft het verzoek van verzoeker om het CBR te veroordelen tot betaling van proceskosten beoordeeld. Het CBR voerde geen verweer tegen dit verzoek. De rechtbank oordeelde dat het CBR aan verzoeker is tegemoetgekomen door het besluit in te trekken en het bezwaar inhoudelijk te behandelen.

Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelde het CBR tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het CBR ook verplicht is het griffierecht van € 194,- te vergoeden, waarvoor verzoeker zich rechtstreeks tot het CBR moet wenden.

De uitspraak is gedaan door rechter S.A.M.L. van de Sande en griffier E.A. Vermunt op 15 april 2026, zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het CBR wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6214

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen(het CBR), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het CBR in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van het CBR van 20 november 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat het CBR op 2 februari 2026 dit besluit heeft ingetrokken.
1.1.
De rechtbank heeft het CBR in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het CBR heeft de rechtbank meegedeeld dat geen verweer wordt gevoerd tegen de door eiser verzochte proceskostenveroordeling.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het CBR aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het CBR geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 2 december 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard. Het CBR heeft op 2 februari 2026 dit besluit ingetrokken en aangegeven dat wordt overgegaan tot inhoudelijke behandeling van het bezwaar. Hiermee is het CBR tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet het CBR aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Het CBR moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoeker een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het CBR verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het CBR wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het CBR tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Vermunt, griffier, op 15 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.