Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3039

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/02/439633 / FA RK 25-4614
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 1:266 BWArt. 1:275 BWArt. 1:276 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd over minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 16 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige geboren in 2011. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant tot voogd te benoemen. De moeder was sinds maart 2025 onbereikbaar en gaf geen invulling aan haar gezag, mede door verslavingsproblematiek.

De minderjarige verblijft in een perspectiefbiedend gezinshuis en onderhoudt contact met zijn grootouders. De Raad stelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en dat de moeder niet in staat is om haar opvoedkundige verantwoordelijkheid binnen een aanvaardbare termijn te dragen. De grootouders maken zich grote zorgen over de situatie van de moeder en ondersteunen het verzoek.

De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke vereisten voor gezagsbeëindiging is voldaan. Het gezag van de moeder wordt beëindigd en de Stichting Jeugdbescherming Brabant wordt benoemd tot voogd. De moeder moet rekening en verantwoording afleggen over het vermogen van de minderjarige. De beschikking is direct uitvoerbaar en kan worden aangevochten binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en Stichting Jeugdbescherming Brabant wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439633 / FA RK 25-4614
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland-West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal,
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
De rechtbank merkt als informanten aan:
[de grootouders] ,
de grootouders van [minderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 september 2025;
  • de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 juli 2025;
  • het uittreksel van de akte van geboorte over [minderjarige] ;
  • de schriftelijke bereidverklaring van de GI van 5 september 2025;
  • de oproep van de moeder in de Staatscourant van 28 oktober 2025;
  • de brief en het e-mailbericht van de griffier van deze rechtbank aan de moeder op 23 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • de grootouders (via een MS-Teamsverbinding).
1.3.
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De advocaat van de moeder is aanwezig geweest op zitting. Hij heeft echter geen contact meer kunnen krijgen met de moeder om de inhoud van het verzoek en de stukken met haar te kunnen bespreken. Hij voelt zich dan ook niet gemachtigd om namens de moeder een standpunt naar voren te brengen.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 10 juli 2025 is [minderjarige] onder voorlopige voogdij gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant.
2.2.
De rechtbank heeft bij die beschikking de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft in een perspectiefbiedend gezinshuis.
2.4.
De GI heeft zich bij brief van 5 september 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, om de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad legt aan het verzoek ten grondslag dat [minderjarige] op dit moment zodanig opgroeit dat hij ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. Ook is de moeder niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbare termijn. De Raad verzoekt dan ook om het gezag van de moeder te beëindigen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad aangegeven dat de moeder geen invulling geeft aan haar gezag en dat zij niet bereikbaar is voor de hulpverlening. [minderjarige] woont momenteel in een gezinshuis en hij heeft veel contact met zijn grootouders. Bij de moeder van [minderjarige] is er sprake van verslavingsproblematiek met als gevolg dat zij niet beschikbaar is voor [minderjarige] . Het is onbekend waar de moeder verblijft en hoe het met haar gaat. Er zijn grote zorgen over haar situatie. Sinds maart 2025 is het niet mogelijk om in contact te komen met de moeder en sindsdien heeft er ook geen contact meer plaats gevonden tussen haar en [minderjarige] . Tegelijkertijd is het voor [minderjarige] noodzakelijk om zaken voor hem te regelen en om de hulpverlening te waarborgen. De Raad is dan ook van mening dat het gezag van de moeder beëindigd dient te worden en dat de GI tot voogdes benoemd dient te worden. De Raad heeft overwogen of de grootouders met de voogdij dienden te worden belast. Op dit moment is dit ingewikkeld omdat zij ook de ouders van de moeder zijn. De Raad acht het dan ook voor nu in het belang van [minderjarige] dat een neutrale professional voor hem de belangrijke opvoedingsbeslissingen zal nemen.
4.2.
De GI heeft aangegeven dat de moeder onbereikbaar is voor de hulpverlening. Hoewel er meerdere pogingen zijn gedaan om met haar in contact te komen, is dit toch niet gelukt. De situatie van de moeder is erg zorgelijk. In de periode dat het goed ging met de moeder was zij in staat om een samenwerking aan te gaan met de GI. Na een terugval in haar drugsgebruik houdt zij echter ieder contact met de GI af. De GI staat achter het verzoek van de Raad. De komende periode zal worden bekeken op welke wijze de contacten tussen [minderjarige] en zijn broertje kunnen worden vormgegeven alsmede het contact tussen [minderjarige] en zijn vader.
4.3.
De grootouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij zich erg veel zorgen maken over de situatie van de moeder. Ook voor [minderjarige] is het heel moeilijk. Het is voor hem van belang dat er meer duidelijkheid komt. Ook willen de grootouders met de GI afspraken maken over de zaken die zij voor [minderjarige] mogen regelen. [minderjarige] komt regelmatig bij hen en de deur staat altijd voor hem open. [minderjarige] voelt zich bij hen op zijn gemak en hij wordt steeds meer open naar hen toe. De grootouders blijven ook altijd openstaan voor het contact met de moeder. Zij weten echter niet in welke situatie de moeder op dit moment verblijft en zij is ook onbereikbaar voor hen. Zij hopen dat de moeder het contact met hen weer aan zal willen gaan en dat zij open zal staan voor hulp. Zij maken zich erg veel zorgen over haar.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
5.2.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is om de ontwikkelingsbedreiging van een minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van een minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat een beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en een minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van een minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. [2]
5.4.
De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de moeder van [minderjarige] al voor een langere periode geen invulling geeft aan haar gezag. Sinds maart 2025 is de moeder in het geheel niet bereikbaar voor de GI en sindsdien is er ook geen contact meer geweest tussen haar en [minderjarige] . Bij de moeder is er sprake van persoonlijke (verslavings)problematiek waardoor zij niet in staat is om haar rol als gezagdragende ouder vorm te geven. Hierdoor is er een gezagsvacuüm ontstaan waarna er een voorlopige voogdijmaatregel is uitgesproken. Als gevolg van dit gezagsvacuüm stagneerde ook de hulpverlening voor [minderjarige] en was het moeilijk om de grootouders te blijven betrekken bij de zaken rondom [minderjarige] omdat de moeder haar eerder gegeven toestemming hiervoor had ingetrokken. Dit alles had een negatieve weerslag op de ontwikkeling van [minderjarige] . Door de voorlopige voogdij kon wel hieraan gewerkt worden. [minderjarige] heeft het naar zijn zin bij de gezinshuisouders en hij gaat regelmatig naar zijn grootouders. Ook de samenwerking tussen de gezinshuisouders en de grootouders gaat erg goed, iets dat de kinderrechter enkel kan toejuichen. De situatie van de moeder is echter ongewijzigd gebleven. In het kader van het onderzoek door de Raad is de moeder ook niet bereikbaar gebleken en het is onbekend hoe haar situatie momenteel is. Tijdens de zitting is naar voren gekomen dat de zorgen over haar situatie nog groter lijken te zijn dan uit het rapport van de Raad naar voren kwam. Tegelijkertijd is het voor [minderjarige] van belang dat er beslissingen over hem genomen kunnen worden en dat de hulpverlening die nodig is, gewaarborgd wordt alsook zijn contacten met zijn grootouders en zijn broertje en mogelijk ook met zijn vader. Voor de ontwikkeling van [minderjarige] is het dan ook noodzakelijk dat de moeder niet langer is belast met het gezag over hem maar dat er uitvoering wordt gegeven aan het gezag en dat er beslissingen in zijn belang genomen kunnen worden door een voogd.
5.5.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. [3] De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen. De kinderrechter ziet dat de betrokkenheid van de grootouders erg groot is. Ook de samenwerking tussen de grootouders en de gezinshuisouders verloopt goed. Dat is heel erg fijn voor [minderjarige] en dat is ook goed voor zijn ontwikkeling. De kinderrechter ziet tegelijkertijd dat er heel veel zaken voor [minderjarige] geregeld moeten worden en dat dit mogelijk kan leiden tot spanningen tussen de grootouders en de moeder in het geval dat de grootouders op dit moment tot voogden zouden worden benoemd. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het op dit moment in het belang is van [minderjarige] dat de GI tot voogdes wordt benoemd. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de GI, zoals ook tijdens de zitting is besproken ook zal samenwerken met de grootouders zodat zij ook in de gelegenheid zullen zijn om praktische zaken rondom [minderjarige] te regelen.
5.6.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] . [4] Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.
5.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [5]
5.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de moeder], geboren op [geboortedag 2] 1984 in [geboorteplaats 2] , over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ;
6.2.
benoemt de
Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd in Etten-Leur tot voogdes over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bogaert, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026, in aanwezigheid van S. Boink als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.
3.Artikel 1:275, eerste lid, BW.
4.Artikel 1:276, eerste lid, BW.
5.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.