Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3040

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/02/443631 / JE RK 26-6
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van drie minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging in onrustige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om drie minderjarigen onder toezicht te stellen vanwege een onrustige thuissituatie met veel spanningen en verstoord contact met de vader. De kinderen wonen bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De vader heeft geen gezag en de biologische relatie met twee van de kinderen is recentelijk ter discussie gesteld, wat extra spanningen veroorzaakt.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de meningen van de kinderen betrokken, waarbij twee van hen via e-mail hun mening gaven. De Raad en de gecertificeerde instelling benadrukten de noodzaak van een gedwongen kader om regie te voeren en de situatie te verbeteren, terwijl de ouders en de moeder twijfels hadden over de noodzaak van ondertoezichtstelling, maar wel achter voortzetting van hulpverlening stonden.

De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd door de langdurige onrust en spanningen, het verstoorde contact met de vader en de psychische kwetsbaarheid van de vader. Vrijwillige hulpverlening bleek onvoldoende effectief, waardoor een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De beschikking geldt voor de duur van een jaar en is direct uitvoerbaar, met als doel betere regie en passende hulpverlening voor het gezin.

Uitkomst: De kinderrechter stelt drie minderjarigen onder toezicht wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443631 / JE RK 26-6
Datum uitspraak: 16 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A.J.C. Nuijten uit Bergen op Zoom.
Als informanten zijn in de procedure betrokken:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom.
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Etten-Leur.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 januari 2026;
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI (via Teams).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een mail gestuurd. [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om zijn mening te geven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter verteld wat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend.
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in een e-mailbericht aan de kinderrechter aangegeven dat ze het fijn vinden als er iemand komt helpen.
4.2.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing naar het raadsrapport van 5 januari 2026. De Raad ziet dat de kinderen opgroeien in een onrustige thuissituatie met veel spanningen. Er zijn veel ruzies geweest tussen de ouders. Het contact met de vader is verstoord. Bovendien is er onvoldoende ondersteuning voor de kinderen nadat hen is verteld dat de vader niet de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Door alle gebeurtenissen en psychische kwetsbaarheid van de vader maakt de Raad zich zorgen in hoeverre de kinderen een veilige hechtingsrelatie met de vader hebben kunnen opbouwen. De ouders werken weliswaar mee aan vrijwillige hulpverlening, maar door de complexiteit van de situatie is er onvoldoende regie gepakt. Dit komt ook door de tegengestelde visies van de ouders en de zorgen over en het wantrouwen naar elkaar wat maakt dat zij nauwelijks contact met elkaar hebben. Het dwangkader is noodzakelijk om met meer regie de ouders te kunnen begeleiden bij hetgeen nodig is om de situatie van de kinderen te verbeteren.
4.3.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder achter de ondertoezichtstelling kan staan, mits de reeds ingezette vrijwillige hulpverlening voortgezet kan worden. Er zijn bij haar echter ook twijfels of het gedwongen kader noodzakelijk is. Vanuit het vrijwillig kader gaat [kinderpsycholoog] namelijk binnenkort starten. Hierbij zal niet alleen naar de kinderen worden gekeken, maar ook naar het gezin als systeem. De moeder vreest dat [kinderpsycholoog] zal worden stopgezet als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken. Daarnaast loopt de moeder ertegen aan dat de weerstand van de kinderen ten aanzien van de omgang met de vader toeneemt. De moeder betwijfelt of [kinderpsycholoog] voldoende hulp hiervoor biedt. Het is belangrijk dat de kinderen zo snel mogelijk hulp krijgen. Verder zijn er zorgen dat de vader niet mee gaat werken met de ondertoezichtstelling. Aangezien de vader geen gezag heeft, kan hem niks worden verplicht.
4.4.
De GI sluit aan bij de doelen van de Raad. De GI zet echter vraagtekens bij de noodzaak van het gedwongen kader. Regievoering is nodig, maar dit kan ook vanuit het vrijwillig kader. De ouders lijken namelijk welwillend. Als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken kan [kinderpsycholoog] van start gaan, mits blijkt dat deze organisatie aansluit bij de problematiek van de kinderen. Er zijn geen financiële belemmeringen voor de start van [kinderpsycholoog] .
4.5.
Door en namens de vader wordt aangegeven dat de vader achter de ondertoezichtstelling staat. Er is regie nodig op een overstijgend niveau. De GI heeft meer juridische instrumenten waar de kinderen het meeste baat bij zullen hebben. Het is belangrijk dat de hulpverlening snel wordt ingezet. De problematiek van de kinderen is breed en het is daarom belangrijk om naar het systeem van het gezin te kijken. Het zou goed zijn als de al ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader voortgezet kan worden binnen het kader van de ondertoezichtstelling. Verder geeft de vader aan dat hij positieve energie haalt uit het contact met zijn kinderen. Hij heeft de wens dit contact te behouden. In de veilige omgeving van een ondertoezichtstelling zal het wantrouwen van de vader een mindere rol spelen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt ernstig bedreigd, omdat de kinderen al een lange tijd in een onrustige en stressvolle thuissituatie opgroeien. De ouders hebben, in ieder geval sinds dat ze uit elkaar zijn, veel ruzie en de visies over wat goed is voor de kinderen, onder andere in het contact met de vader verschillen sterk. Hierdoor is het contact tussen de vader en de kinderen verstoord geraakt. Op dit moment is het onduidelijk of de contacten tussen de vader en kinderen voortgezet en uitgebouwd gaan worden. De ouders hebben veel wantrouwen naar elkaar. De kinderrechter maakt zich door alle gebeurtenissen en de psychische kwetsbaarheid van de vader zorgen over de hechtingsrelatie tussen de vader en de kinderen. Bovendien hebben de kinderen onlangs de boodschap gekregen dat de vader niet de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Deze situatie is onderbelicht en de kinderen krijgen hiervoor onvoldoende ondersteuning. Er moet zicht komen op de wat de behoeften en wensen van de kinderen zijn in het contact met de vader. Ook de ouders moeten hulp krijgen in hoe ze moeten aansluiten bij wat de kinderen nodig hebben. Tot slot moet er zicht komen op de psychische gesteldheid van de vader en welke hulpverlening hij nodig heeft.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat met de reeds ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende resultaat is geboekt. De hulpverlening die nodig is voor de kinderen, het systeem en de contacten met de vader is in het vrijwillig kader onvoldoende opgestart. De inzet van [kinderpsycholoog] is zeker positief, maar het is nog onduidelijk of deze vorm van hulpverlening ook geschikt is om te werken aan de verstoorde contacten tussen de kinderen en de vader. Er moet stevige regie gevoerd worden, waardoor het vrijwillig kader ontoereikend is. Er moet voorkomen worden dat de situatie de komende tijd niet verbetert.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
  • Er is meer zicht op hoe het met de kinderen gaat, op waar hun mogelijkheden liggen in het contact met de vader en op de mogelijke gevoelens van onveiligheid van de kinderen naar de vader;
  • Het is duidelijk welke hulpverlening er voor de kinderen nodig is;
  • De ouders krijgen passende hulpverlening met betrekking tot verdere statusvoorlichting, met voldoende aandacht voor passende ondersteuning voor de kinderen;
  • De ouders krijgen passende hulpverlening zodat ze op voornoemde punten bij de kinderen kunnen aansluiten;
  • De vader geeft openheid ten aanzien van zijn psychische problematiek en huisvesting.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 2 maart 2026 en tot 2 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026, in aanwezigheid van Den Boer, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.