De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 16 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, geboren in 1978 in Afghanistan. Betrokkene ontkende de aanwezigheid van een psychische stoornis en verzette zich tegen het verzoek, terwijl zijn begeleider en behandelaar een stabiele situatie rapporteerden.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene lijdt aan schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, alsmede middelgerelateerde en verslavingsstoornissen, die leiden tot ernstig nadeel zoals lichamelijk letsel, psychische schade, agressie en gevaar voor veiligheid. Betrokkene vertoont gevaarlijk gedrag en zelfverwaarlozing, en heeft geen ziekte-inzicht, waardoor vrijwillige zorg niet mogelijk is.
Op basis van het zorgplan, medische verklaring en advies van de geneesheer-directeur besloot de rechtbank tot toewijzing van verplichte zorg, waaronder medicatietoediening en beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten (factzorg). Verzoeken tot medische controles en gebruik van communicatiemiddelen werden afgewezen wegens onwaarschijnlijkheid van niet-meewerken.
De rechtbank oordeelde dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de toegewezen zorgvormen evenredig en effectief zijn, met het oog op stabilisatie van de geestelijke gezondheid en bevordering van maatschappelijke deelname. De zorgmachtiging geldt voor twaalf maanden tot 16 maart 2027. Tegen deze beschikking staat cassatie open.