Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3043

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/02/418372 / FA RK 24-343
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging ouderlijk gezag en vaststelling omgangsregeling na falen hulpverlening

Partijen zijn gescheiden ouders van drie minderjarige kinderen. Ondanks intensieve hulpverlening is de communicatie tussen hen ernstig verstoord gebleven, met voortdurende conflicten en wantrouwen. De vader neemt regelmatig eenzijdige beslissingen zonder overleg, wat leidt tot onrust en gedragsproblemen bij de kinderen.

De moeder verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag aan haar toe te kennen, evenals het vaststellen van een omgangsregeling. De vader verzet zich tegen beëindiging van het gezag, maar vraagt om een ruimere omgangsregeling voor twee kinderen en geen contact met de oudste.

De Raad voor de Kinderbescherming constateert dat de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders en adviseert het gezag te wijzigen en de omgangsregeling te handhaven. De rechtbank oordeelt dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de kinderen is en kent het gezag toe aan de moeder. De omgangsregeling wordt vastgesteld zoals in het vonnis van december 2023, met rust en voorspelbaarheid als uitgangspunt.

De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend; de omgangsregeling met de vader wordt vastgesteld conform de bestaande regeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/418372 / FA RK 24-343
datum uitspraak 16 maart 2026
beschikking over het ouderlijk gezag, hoofdverblijf en contactregeling
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. S. Kievit,
en
[de man],
Wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 23 januari 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- de brief van mevrouw [persoon 1] (procesregisseur [hulpverlening 1] ) van 7 januari 2025 met als bijlage het rapport van de zorgaanbieder;
- de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (hierna: de Raad), van 3 februari 2025 en 9 juli 2025;
- de brief van mevrouw [persoon 2] (procesregisseur [hulpverlening 1] ) van 28 juli 2025 met als bijlage het rapport van de zorgaanbieder;
- de brieven van de Raad van 29 augustus 2025 en 10 november 2025, met als bijlage het raadsrapport;
- de brief van mr. Kievit van 18 november 2025;
- de brief van mr. Hendrikx-Heeren van 18 november 2025;
- de brief van mr. Kievit van 26 februari 2026 met bijlagen;
- het op 4 maart 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen van de man.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 5 maart 2026. Daarbij waren partijen aanwezig, bijgestaan door hun advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3 De minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gelet op hun leeftijd uitgenodigd om aan de kinderrechter te vertellen of te schrijven wat zij belangrijk vinden en wat hun wensen en behoeften zijn. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben op 26 januari 2026 een brief gestuurd aan de kinderrechter. Van [minderjarige 1] is geen reactie ontvangen.

2.De feiten

2.1
Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar getrouwd geweest van 12 juli 2009 tot 8 november 2013;
- tijdens het huwelijk van partijen is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
- na de beëindiging van het huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2017 in [geboorteplaats] ;
- beide partijen hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.
2.2
In het vonnis in kort geding van 7 december 2023 zijn de kinderen aan de vrouw toevertrouwd. Verder is een zorgregeling bepaald waarbij de man en de kinderen contact hebben met elkaar in een cyclus van steeds drie weken:
- twee weekenden van vrijdag tot zondag;
- een weekend op zaterdag tot na het avondeten.
Partijen en de kinderen zijn doorverwezen voor (jeugd)hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod en aan de Raad is voorwaardelijk gevraagd een onderzoek in te stellen.
2.3
In het vonnis in kort geding van 25 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter aan de vrouw vervangende toestemming verleend voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Verder is aan haar vervangende toestemming verleend voor de inschrijving van [minderjarige 1] op [school] in [plaats] .

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt, samengevat:
primair
- bepaling dat voortaan aan haar alleen het gezag over de kinderen toekomt;
- vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen.
subsidiair
- bepaling dat de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;
- vaststelling van een zorgregeling tussen de man en de kinderen.
3.2
De man verzoekt, samengevat:
- bepaling dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben en [minderjarige 1] haar hoofdverblijf bij de vrouw;
- vaststelling van een zorgregeling tussen hem en de kinderen.

4.De beoordeling

Verloop van het Uniform Hulpaanbod
4.1
Op 7 januari 2025 heeft de rechtbank het rapport van de toegang ontvangen over de resultaten van de hulpverlening. Uit het rapport volgt dat hulpverlening is ingezet door [hulpverlening 2] . Vanuit de hulpverlening is geconcludeerd dat beide partijen een goede intentie hebben naar de kinderen, maar het lukt hen niet om samen afspraken te maken in het belang van de kinderen. Beide ouders hebben een andere visie, waardoor er strijd ontstaat. Ook wordt gezien dat de man degene is die de keuzes maakt, welke keuzes gevolgen hebben voor iedereen. Ook accepteert de man de vrouw niet als moeder van de kinderen. Er zijn grote zorgen over de (ontwikkeling van de) kinderen door het gedrag van partijen, maar er wordt ook gezien dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de goede zorg op school krijgen. [minderjarige 1] is eerder weggelopen en haar schoolniveau is gedaald. Uiteindelijk is de hulpverlening gestopt, omdat de man vrij snel aangaf geen vertrouwen te hebben in het aanbod.
4.2
Vervolgens heeft de rechtbank een aantal brieven van de Raad ontvangen. Hieruit blijkt dat er contact is geweest met de procesregisseur van de gemeente en dat er met partijen vervolgafspraken zijn gemaakt. De hulpverlening is opgepakt door [hulpverlening 3] .
4.3
Op 28 juli 2025 ontvangt de rechtbank het rapport van de toegang over de resultaten van de hulpverlening bij [hulpverlening 3] . De resultaten zijn wederom niet behaald. Er is sprake van een voortdurende strijd tussen partijen. Deze strijd komt voort uit fundamenteel verschillende visies over wat het beste is voor de kinderen. Deze verschillen leiden tot spanningen en conflicten, waardoor het gezamenlijk ouderschap ernstig onder druk staat. Bij beide ouders lijkt sprake te zijn van angst en wantrouwen. De man neemt regelmatig eenzijdige beslissingen over de kinderen, zonder overleg of afstemming met de vrouw. Daarnaast lijkt het voor de kinderen moeilijk om hun mening te uiten. De kinderen zitten zichtbaar in de knel, waarbij zij worden bedreigd in hun ontwikkeling. Ook vertonen zij zorgelijk gedrag.
4.4
Na de terugkoppeling van de toegang heeft de Raad besloten over te gaan tot het verrichten van een onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek heeft de rechtbank op
6 november 2025 ontvangen. De uitkomsten zullen worden opgenomen bij de bespreking van de verzoeken.
Ouderlijk gezag
4.5
De vrouw verzoekt primair om te bepalen dat voortaan aan haar alleen het gezag over de kinderen toekomt. Volgens haar staan de visies van partijen over wat in het belang is van de kinderen lijnrecht tegenover elkaar. Daarnaast voert de man geen overleg over belangrijke beslissingen rondom de kinderen. Hij meent ook dat de vrouw hierover niets te zeggen heeft, waardoor hij de rol van de vrouw als moeder van de kinderen ondermijnt. In 2025 heeft de man geweigerd zijn toestemming te geven voor het aanvragen van nieuwe identiteitsbewijzen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en voor de inschrijving van [minderjarige 1] op [school] . Een procedure heeft ertoe moeten leiden dat aan de vrouw vervangende toestemming is verleend.
4.6
De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat er geen grond bestaat om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De communicatie tussen partijen loopt moeizaam, maar dit komt niet alleen door de man. Volgens hem informeert de vrouw hem niet voldoende over de kinderen en blijft zij vasthouden aan haar eigen ideeën. Beide partijen moeten zich inspannen om de communicatie te verbeteren. Verder heeft de man geen toestemming gegeven voor het aanvragen van nieuwe identiteitsbewijzen en de inschrijving van [minderjarige 1] op [school] , omdat hij zich zorgen maakt over de kinderen. De man meent dat een wijziging van het gezag te ingrijpend is, te meer nu er voorlopig geen gezagsbeslissingen hoeven te worden genomen.
4.7
Op de mondelinge behandeling heeft de Raad opgemerkt het spijtig te vinden dat geen onderzoek is gedaan naar het gezamenlijk ouderlijk gezag. Op basis van de beschikbare informatie ziet de Raad wel dat de kinderen klem en verloren raken tussen de ouders. Ondanks de inzet van hulpverlening is de oudercommunicatie niet verbeterd. Daarnaast is een zorg dat het voor de man moeilijk lijkt om de belangen van de kinderen voorop te stellen bij het nemen van belangrijke beslissingen. De Raad refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.8
De rechtbank kan op grond van artikel 1:253n in verbinding met artikel 1:251a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van niet met elkaar getrouwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd, en bepalen dat het gezag voortaan aan één ouder toekomt. Dit is aan de orde indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wanneer wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
4.9
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat het niet in het belang van de kinderen is dat het gezamenlijk gezag wordt voortgezet en dat zij klem en verloren raken. In de afgelopen jaren is sprake geweest van een onrustige en spanningsvolle situatie tussen partijen. Ondanks de inzet van intensieve hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] en [hulpverlening 3] is hierin geen verbetering gekomen. Er is nog altijd over en weer sprake van wantrouwen en het lukt partijen niet om met elkaar te praten over de opvoeding van de kinderen en afspraken te maken over belangrijke zaken. Ook is door de hulpverlening gezien dat de man regelmatig eenzijdige beslissingen over de kinderen neemt zonder overleg of afstemming met de vrouw. In 2025 heeft de man geweigerd zijn toestemming te geven voor het aanvragen van nieuwe identiteitsbewijzen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en voor de inschrijving van [minderjarige 1] op [school] in [woonplaats] . De man heeft verklaard dat hij zich zorgen maakt over de kinderen, maar de rechtbank is van oordeel dat een dergelijke handelswijze niet in het belang van de kinderen is en zorgt voor onduidelijkheid en onrust. Deze onduidelijkheid en onrust heeft zijn weerslag op de kinderen en er zijn ook zorgen over hun gedrag en ontwikkeling. In haar beoordeling betrekt de rechtbank ook dat niet de verwachting is dat de verhoudingen tussen de ouders binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren. Er is al veel hulp geweest en deze hulp heeft ook niet tot een verbetering van de situatie geleid.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen.
4.1
Nu de vrouw belast zal worden met het eenhoofdig gezag over de kinderen, heeft zij geen belang meer bij haar verzoek om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. Immers, het is aan de gezaghebbende ouder om te bepalen waar de hoofdverblijfplaats van een kind is. Aan het subsidiaire verzoek van de vrouw wordt dan ook niet toegekomen. Ook het verzoek van de man zal worden afgewezen.
Omgangsregeling
4.11
De vrouw verzoekt vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen. De kinderen hebben recht op omgang met hun vader. Op dit moment wordt uitvoering gegeven aan de omgangsregeling, zoals bepaald in het vonnis van
7 december 2023. Deze omgangsregeling houdt in dat de kinderen in een cyclus van steeds drie weken twee weekenden van vrijdag tot zondagavond en een weekend op zaterdag tot na het avondeten bij de man zijn. Wat de vrouw betreft kan bij deze omgangsregeling worden aangesloten en zij heeft haar verzoek op de mondelinge behandeling conform deze regeling gewijzigd.
4.12
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt als zelfstandig verzoek om een omgangsregeling tussen hem, [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vast te stellen, inhoudende dat zij iedere week vanaf donderdag na school (14.45 uur) tot zondagavond (19.00 uur) bij hem verblijven. De man wil geen ‘weekend-vader’ zijn en bij de door hem verzochte omgangsregeling is hij meer betrokken in het leven van de kinderen. Voor wat betreft [minderjarige 1] geeft de man aan dat hij op dit moment geen contact met haar heeft. De man hoopt dat de onderlinge verstandhouding weer verbeterd en het contact zal worden hersteld. Voor nu verzoekt de man om op dit moment geen omgangsregeling tussen hem en [minderjarige 1] vast te stellen.
4.13
De Raad geeft aan dat de kinderen in de afgelopen tijd veel onduidelijkheid en wisselingen hebben gehad in het contact met hun ouders. Dit heeft de nodige weerslag op hen gehad. Het is voor de kinderen belangrijk dat zij vanaf nu zoveel mogelijk rust en voorspelbaarheid gaan ervaren in het contact met hun ouders. Deze rust en duidelijkheid kan het beste worden gecreëerd door de huidige regeling aan te houden. De Raad constateert dat vanuit ouders en/of de kinderen geen zwaarwegende redenen zijn aangedragen op grond waarvan de huidige regeling niet in het belang van de kinderen zou zijn.
4.14
De rechtbank overweegt als volgt. In het vonnis van 7 december 2023 heeft de voorzieningenrechter een omgangsregeling bepaald, inhoudende dat de man en de kinderen in een cyclus van telkens drie weken omgang met elkaar hebben:
- twee weekenden van vrijdag tot zondag, en
- een weekend op zaterdag tot na het avondeten.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat deze regeling tot op heden wordt uitgevoerd. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de kinderen gebaat zijn bij rust en voorspelbaarheid. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in hun brieven aan de kinderrechter ook aangegeven dat zij deze regeling fijn vinden. Dit maakt dat de rechtbank zal bepalen dat tussen de man en de kinderen een omgangsregeling zal gelden, zoals bepaald in genoemd vonnis. Hoewel er op dit moment geen contact is tussen de man en [minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat deze regeling ook voor haar zal gelden, met dien verstande dat de man de regeling niet bij [minderjarige 1] zal afdwingen. Als [minderjarige 1] in de toekomst behoefte heeft aan omgang met haar vader dan is ook voor haar het uitgangspunt duidelijk in het contact met haar vader.
Proceskosten
4.15
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dit houdt in dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat het gezag over de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] , en
3. [minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2017 in [geboorteplaats] ,
voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
5.2
bepaalt dat de man en de kinderen in het kader van een omgangsregeling recht hebben op contact met elkaar in een cyclus van steeds drie weken:
- twee weekenden van vrijdag tot zondagavond;
- een weekend op zaterdag tot na het avondeten;
een en ander met in achtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 4.14;
5.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af;
5.5
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.