4.3.1.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangezien verdachte in de zaak met parketnummer 01-306607-25 ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dat feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 1 april 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 28 augustus 2025, pagina 7 en 8 van het eindproces-verbaal met nummer PL2100-2025192966.
Parketnummer 02-235273-25:
Op 7 september 2025 heeft er tussen verdachte en aangevers een confrontatie plaatsgevonden. Hierbij zijn [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en zijn zoon [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) verwond geraakt.
Verklaringen verdachte en aangevers
Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangifte gedaan tegen verdachte met betrekking tot de verwondingen die zij hebben opgelopen. Zij hebben daarbij niet verklaard over geweldshandelingen gepleegd tegen verdachte. [slachtoffer 1] heeft enkel verklaard tussenbeide gekomen te zijn en [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in een worsteling belandde met verdachte.
Verdachte heeft echter verklaard dat [slachtoffer 1] hem met een stalen pijp sloeg. Hij verweerde zich door zijn armen voor zijn hoofd te kruisen. Daarbij had hij een mes in zijn rechterhand. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] geraakt werd door dat mes, toen hij, [slachtoffer 1] , hem met die stalen pijp sloeg.
Daarna ontstond een worsteling tussen verdachte, [slachtoffer 2] en nog twee andere personen. Daaromheen stonden volgens verdachte meer personen. Verdachte had nog steeds een mes in zijn hand en hield zijn hoofd naar beneden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geslagen werd, zich probeerde los te rukken en dat hij daarbij zwaaiende bewegingen maakte met zijn armen. Volgens verdachte zou het kunnen dat de verwondingen bij [slachtoffer 2] daardoor ontstaan zijn.
Vaststellen feiten
Op grond van de camerabeelden van Anas Barouni stelt de rechtbank het volgende vast.
Verdachte staat op straat met een aantal andere personen. Verdachte is druk in gesprek en zwaait daarbij met zijn armen. Hij lijkt iets in zijn rechterhand vast te hebben. Op de camerabeelden is te horen dat er gezegd wordt “hij heeft gewoon een mes”. Om deze reden gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte op dat moment een mes in zijn handen had. Er is dan echter nog geen sprake van een fysieke confrontatie. Verdachte loopt achteruit weg en één persoon volgt hem nadrukkelijk. Op grond van de verklaring van verdachte zou dit [slachtoffer 2] zijn. De andere personen blijven op enige afstand. Op seconde 21 komt onder in het beeld een persoon met een lang voorwerp in zijn hand in beeld. Op grond van de verklaring van verdachte zou dit [slachtoffer 1] moeten zijn. Deze verklaring wordt ondersteund door de foto’s in het dossier van aangever [slachtoffer 1] in de ambulance. Hierop is te zien dat de kleding van [slachtoffer 1] overeenkomt met die van de rennende man met het lange voorwerp. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de man die uithaalt met het lange voorwerp [slachtoffer 1] is.
Op seconde 26 staat [slachtoffer 2] kort voor verdachte en is te zien dat verdachte een hoekbeweging richting [slachtoffer 2] maakt met zijn rechterarm. Niet te zien is of [slachtoffer 2] hierbij geraakt wordt door verdachte. [slachtoffer 2] deinst terug en verdachte loopt verder achteruit. Er is enkele meters afstand tussen verdachte en [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] op verdachte afrent met het lange voorwerp in zijn hand en hiermee op seconde 33 richting verdachte uithaalt. Verdachte probeert weg te komen, maar wordt door [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en nog een aantal personen achtervolgd.
Op de camerabeelden van [persoon] is te zien hoe een aantal personen achter verdachte aan rent. Onttrokken aan het zicht door een wit voertuig rechts in het beeld vindt een schermutseling plaats, waarbij meerdere keren een langwerpig voorwerp boven het dak van dat voertuig te zien is en gelijktijdig ook het geluid van klappen te horen is.
Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte grotendeels ondersteund wordt door de camerabeelden in het dossier. Daar tegenover staat dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] deels onvolledig en onjuist zijn en niet (helemaal) passen bij de camerabeelden. Zo wordt door hen met geen woord gerept over het slaan door [slachtoffer 1] met een langwerpig voorwerp richting verdachte. Voorts heeft [slachtoffer 2] verklaard dat verdachte meteen zou zijn begonnen met steken; ook dat volgt niet uit de beelden. Tot slot is niet door hen verklaard dat verdachte zich aan het onttrekken was aan de situatie (achteruit liep).
Verwonding [slachtoffer 1]
heeft een verwonding in zijn onderarm opgelopen. Op grond van het dossier is niet uit te sluiten dat deze verwonding is ontstaan op de door verdachte omschreven wijze en dat dus niet bewezen kan worden verklaard dat hij die verwonding opzettelijk aan [slachtoffer 1] heeft toegebracht.
Verwondingen [slachtoffer 2]
De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte één hoekbeweging met zijn rechterarm richting [slachtoffer 2] heeft gemaakt. Dat is een slaande beweging met vermoedelijk een mes in zijn rechterhand. De rechtbank kan echter niet vaststellen of op dat moment het mes gericht was op [slachtoffer 2] en of [slachtoffer 2] op dat moment geraakt is met het mes. [slachtoffer 2] heeft daar zelf ook niet over verklaard.
Vervolgens rent verdachte weg en gaan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en een aantal andere personen achter hem aan. Daarop vindt er een worsteling plaats waarbij [slachtoffer 2] zelf verklaard heeft dat hij in het mes gegrepen heeft. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de verwondingen aan zijn hand op dat moment zijn ontstaan. Ten aanzien van de andere verwondingen geldt dat niet is vast te stellen hoe en wanneer deze precies zijn ontstaan. Dat deze verwondingen tijdens de worsteling tussen verdachte en meerdere andere personen zijn ontstaan, zoals door verdachte verklaard, is aannemelijk. Bij die worsteling waren ook twee personen aanwezig met een staaf of stok in hun handen en op de camerabeelden is te zien en horen dat daarmee is geslagen naar verdachte. Dit betekent dat ook hier niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte opzettelijk de verwondingen aan [slachtoffer 2] heeft toegebracht.
Vrijspraak
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is wat aan verdachte onder parketnummer 02-235273-25 is ten laste gelegd, zodat van dit feit in de primaire en subsidiaire vorm zal worden vrijgesproken.