ECLI:NL:RBZWB:2026:307

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/6367
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 ZWArt. 19 ZWArt. 28 ZWArt. 30a ZWArt. 45 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Ziektewet-uitkering wegens gemiste bedrijfsartsafspraken onterecht

Eiseres, werkzaam als customer service agent op basis van een nul-urencontract, kreeg een Ziektewet-uitkering geweigerd door het UWV omdat zij zonder geldige medische reden twee afspraken bij de bedrijfsarts had gemist. Het UWV baseerde dit besluit op een rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) die stelde dat er geen medische verschoonbaarheid was voor het niet verschijnen.

Eiseres voerde aan dat zij vanwege ernstige medische klachten zoals endometriose en de ziekte van Crohn goede redenen had voor het missen van de afspraken en dat zij zelfs had geprobeerd alternatieven te regelen, die door het UWV werden afgewezen. De rechtbank stelde vast dat het UWV het besluit onvoldoende had gemotiveerd en dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig genoeg was uitgevoerd, omdat de verzekeringsarts b&b geen eigen onderzoek had verricht en onvoldoende rekening had gehouden met de medische situatie en verwijtbaarheid.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het griffierecht en een proceskostenvergoeding aan eiseres toegekend. De ex-werkgever, als eigenrisicodrager, was niet verschenen bij de zitting.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV moet een nieuw besluit nemen over de ZW-uitkering van eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6367 ZW

uitspraak van 23 januari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats 1], eiseres,

(gemachtigde: mr. J. Oversluizen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Almere), verweerder.
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[ex-werkgever] B.V., uit [plaats 2],
(gemachtigde: mr. drs. C.J. Schuren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen aan eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een ZW-uitkering toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek dat tijdens de beroepsfase niet is hersteld. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Het UWV zal worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres is werkzaam geweest als customer service agent bij [ex-werkgever] B.V. (hierna: ex-werkgever) op basis van een nul-uren overeenkomst van 9 oktober 2023 tot 29 februari 2024. De ex-werkgever is eigenrisicodrager in de zin van de ZW. Voor de uitvoering van haar taken als eigenrisicodrager op grond van de artikelen 63a en volgende van de ZW laat zij zich bijstaan door [deskundige] B.V. en een bedrijfsarts van dpo2 Verzuimmanagement.
2.1.
Op 16 januari 2024 is eiseres medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst per 29 februari 2024 van rechtswege zou eindigen. Eiseres is op diezelfde dag uitgevallen voor werk. Zij heeft vervolgens op 24 januari 2024 geprobeerd te werken, maar is in de middag vanwege buikklachten door haar ex-werkgever thuisgebracht.
2.2.
De ex-werkgever heeft het dossier van eiseres overgedragen aan de externe casemanager en eiseres hierover bericht
.Eiseres is uitgenodigd voor een spreekuur bij de bedrijfsarts op 5 en 28 maart 2024, maar is daar niet verschenen. Hierop is door de ex-werkgever bij het UWV een verzoek ingediend tot het nemen van een besluit tot weigering van een ZW-uitkering.

Procesverloop

3. Bij besluit van 11 april 2024 (primair besluit) heeft het UWV, op verzoek van de ex-werkgever, geweigerd aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen per 1 maart 2024. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft gereageerd op de brief van 28 februari 2024, waardoor niet kan worden vastgesteld of eiseres nog arbeidsongeschikt was.
3.1.
Met het bestreden besluit van 25 juli 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
3.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk Engels en [persoon] namens het UWV. De ex-werkgever en haar gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat niet kan worden vastgesteld of eiseres arbeidsongeschikt was, omdat zij zonder geldige (medische) reden twee afspraken bij de bedrijfsarts heeft gemist.
4.1.
De rechtbank zal beoordelen of het UWV om voornoemde reden terecht heeft geweigerd aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen per 1 maart 2024.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de ZW-uitkering terecht geweigerd per 1 maart 2024?
6. Het bestreden besluit is gebaseerd op de rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
6.1.
De verzekeringsarts b&b heeft op basis van de beschikbare informatie gerapporteerd dat er geen sprake is van medische verschoonbaarheid op de datum in geding (1 maart 2024). Uit de overgelegde medische informatie van rond die datum blijken geen objectiveerbare aanwijzingen voor psychische ontreddering, plotselinge ziekenhuisopname of gezondheidsschade. Eiseres lijdt al jaren aan endometriose en de ziekte van Crohn is rond de datum in geding niet bevestigd. Daarnaast lijken een arbeidsconflict en niet-medische zorgen en taken mee te spelen. Dat eiseres met haar medische klachten een keer niet verschijnt op een afspraak, is medisch plausibel op 6 februari 2024, maar vormt geen medische reden voor het structureel niet kunnen reizen en verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts en het niet bereikbaar zijn op 5 en 28 maart 2024.
6.2.
Eiseres heeft tegen het oordeel van het UWV aangevoerd dat haar ten onrechte een ZW-uitkering is geweigerd omdat zij twee afspraken bij de bedrijfsarts heeft gemist. Zij had daar namelijk goede redenen voor. Eiseres kampt met endometriose, de ziekte van Crohn en lactose intolerantie. Zij wijst op de door haar overgelegde medische stukken, waaruit blijkt dat zij vanwege ernstig ervaren buikklachten tussen 6 februari 2024 en 18 maart/mei 2024 diverse afspraken heeft gehad bij de huisarts, gynaecoloog en maag-darm-leverarts. Ook heeft communicatie over de afspraken bij de bedrijfsarts plaatsgevonden. Het UWV heeft echter uitsluitend het niet verschijnen op de eerste afspraak van 8 maart 2024 plausibel geacht, terwijl het niet verschijnen op de tweede afspraak ook niet verwijtbaar was. Zij heeft zelf geprobeerd tot een oplossing te komen door te vragen om een afspraak dichterbij zonder lange reistijd of door een Zoom-gesprek met de bedrijfsarts. Beide voorstellen zijn echter afgewezen zonder dat naar een andere oplossing is gekeken. Eiseres is daarom van mening dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. In haar beroepschrift stelt eiseres ook nog dat zij niet is gewezen op de consequenties van het niet bij de arts verschijnen, maar deze grond heeft zij ter zitting ingetrokken.
Oordeel rechtbank
7. Het UWV heeft in het bestreden besluit vermeld dat de beslissing tot weigering van de ZW-uitkering aan eiseres is genomen op grond van de artikelen 1, 19, 63a en 63c van de ZW en de artikelen 7:3 en 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het UWV heeft op zitting erkend dat deze artikelen geen wettelijke grondslag geven om de ZW-uitkering te weigeren. De rechtbank stelt met het UWV vast dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, namelijk het niet benoemen van het artikel over weigering van de uitkering onderaan het bestreden besluit. Uit de verdere inhoud van het bestreden besluit en de toelichting op zitting blijkt waarom het UWV de ZW-uitkering heeft geweigerd. Dat is namelijk vanwege het niet kunnen vaststellen dat eiseres arbeidsongeschikt is, doordat zij zonder geldige reden niet is verschenen bij de bedrijfsarts en dus niet heeft meegewerkt aan een medisch onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV met verbetering van de motivering op zitting dit gebrek hersteld. Dat het specifieke artikel hierbij niet is genoemd, doet hier niet aan af. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit door dit gebrek vernietigd moet worden. Dit betekent echter niet automatisch dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Dat zal de rechtbank hierna beoordelen.
7.1.
Het UWV herziet een besluit tot toekenning van ziekengeld of trekt dit in (beëindigt het recht), indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van, voor zover hier van belang, de artikelen 28 en 45 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat. [1] De verzekerde is op grond van artikel 28, eerste lid, van de ZW verplicht zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het UWV aangewezen arts en in het algemeen de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken, op te volgen. Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW beschrijft de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek om bij een arts van het UWV te verschijnen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De eigenrisicodrager treedt in gevallen als deze in de plaats van het UWV en de bedrijfsarts in de plaats van de arts van het UWV. [2]
7.2.
Vast staat dat eiseres op 5 maart 2024 en 28 maart 2024 niet op het spreekuur van de bedrijfsarts is verschenen. Ter beoordeling ligt de vraag voor of eiseres verwijtbaar heeft gehandeld door niet op de spreekuren te verschijnen.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b op basis van dossierstudie heeft gerapporteerd. Daarbij is de verzekeringsarts b&b ingegaan op de medische stukken in het dossier en de zienswijze van de ex-werkgever. Zij heeft in haar rapportage aangegeven dat geen medische informatie is opgevraagd omdat het medisch toestandsbeeld voldoende duidelijk was en het dossier en bezwaarschrift geen aanwijzingen bevatten die een nader lichamelijk of psychisch onderzoek noodzaken.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Bij dit oordeel heeft de rechtbank het volgende betrokken. De verzekeringsarts b&b is uitgebreid ingegaan op de medische stukken in het dossier en de contactmomenten van eiseres met haar huisarts en behandelaars. Uit het dossier blijkt echter ook dat de standpunten van de ex-werkgever en eiseres uiteen lopen ten aanzien van de (medische) omstandigheden rondom de spreekuren en de verwijtbaarheid van eiseres voor het niet verschijnen bij de bedrijfsarts. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de verzekeringsarts b&b gelegen om zich, slechts enkele maanden na de datum in geding, een eigen beeld te vormen van de (medische) omstandigheden van eiseres door haar uit te nodigen voor een spreekuur. Door dit na te laten en ook geheel niet in te gaan op de (mate van) verwijtbaarheid van de gedragingen door eiseres in combinatie met haar medische situatie, is de rapportage van de verzekeringsarts b&b onvoldoende gemotiveerd. Daar betrekt de rechtbank bij dat het UWV zelf op zitting heeft aangegeven dat de rapportage van de verzekeringsarts b&b en de conclusie in het bestreden besluit in combinatie met het contact met eiseres niet de schoonheidsprijs verdienen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en komt het voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het UWV een besluit moet nemen over het recht van eiseres op een ZW-uitkering. Het UWV zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint te lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist. [3]
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten.
8.2.
Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde in beroep krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Ziektewet
Artikel 19, eerste lid
1. De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ziekengeld en terzake van weigering van ziekengeld, herziet het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt hij dat in
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 28, 31, 45 of 49 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ziekengeld bestaat.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Artikel 28, eerste lid, van de ZW
De verzekerde is bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte verplicht, zo dikwijls dit nodig wordt geoordeeld, zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen arts, zich op last van de arts tot het ondergaan van zodanig onderzoek te laten opnemen in de hem aangewezen inrichting, en in het algemeen de voorschriften van de arts die ertoe strekken om een geneeskundig onderzoek mogelijk te maken, op te volgen.
Artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend (c) indien de verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek, ingevolge deze wet gedaan door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om te verschijnen of indien het geneeskundig onderzoek door een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen deskundige door toedoen van de verzekerde niet kan plaatshebben.
Artikel 63a
1. De eigenrisicodrager verricht met betrekking tot de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, de werkzaamheden ter zake van de voorbereiding van besluiten op grond van deze wet inzake uitkeringen, met uitzondering van besluiten op grond van artikel 45a en besluiten op grond van bezwaar of beroep. De eigenrisicodrager begeleidt de personen, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdelen a, b en c, die laatstelijk tot hem in dienstbetrekking stonden, bij gebleken ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte als zou hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de eigenrisicodrager staan, met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel artikel 71b, derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
2. Bij de uitvoering van het eerste lid treedt de eigenrisicodrager voor de toepassing van de artikelen 28, eerste lid, 29g, tweede lid, 30, derde lid, 37, eerste lid, en 39, eerste en tweede lid, in de plaats van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De eerste zin blijft buiten toepassing voorzover noodzakelijk voor het verrichten van werkzaamheden op grond van het vierde of vijfde lid door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de ZW.
2.Artikel 63a, tweede lid, van de ZW.
3.Artikel 8:106 van Pro de Awb.