Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3090

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/444960 / JE RK 26-249
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 4.1.3 JeugdwetArt. 1:3 AwbArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing en oplegging dwangsom inzake afgifte identiteitskaarten minderjarigen

De gecertificeerde instelling (GI) heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder van twee minderjarige kinderen, waarin zij werd opgedragen de identiteitskaarten van de kinderen af te geven zodat het pleeggezin deze kan gebruiken, onder meer voor zorg en vakantie in het buitenland. De moeder weigerde dit ondanks herhaalde verzoeken en een vooraankondiging.

De kinderrechter heeft de schriftelijke aanwijzing van 9 januari 2026 bekrachtigd, omdat de GI de aanwijzing zorgvuldig heeft voorbereid en gemotiveerd, en het belang van de minderjarigen bij het beschikbaar hebben van hun identiteitsbewijzen zwaarwegend is. De moeder heeft niet meegewerkt, waardoor de GI gerechtigd was de aanwijzing te geven.

Daarnaast is een dwangsom van €25 per dag opgelegd, met een maximum van €2.500, om naleving van de aanwijzing af te dwingen. De beslissing is direct uitvoerbaar en er is geen hoger beroep mogelijk, alleen cassatie in het belang der wet.

Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing wordt bekrachtigd en een dwangsom opgelegd aan de moeder wegens weigering afgifte identiteitskaarten van de minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444960 / JE RK 26-249
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Tilburg,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.M. d'Hont uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De moeder en haar advocaat zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en haar advocaat wel juist zijn opgeroepen. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter getracht om de advocaat van de moeder telefonisch te bereiken. Dit is niet gelukt.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een e-mailbericht geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geschreven. De aanwezige heeft daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Er dient op grond van de gegevens van te worden uit gegaan dat de moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben allebei een andere vader. De rechtbank sluit niet uit dat deze vaders naar Pools recht mogelijk over [minderjarige 1] en over [minderjarige 2] afzonderlijk met het gezag zijn belast. Echter, omdat bij de rechtbank over deze vaders geen gegevens bekend zijn, kan aan hen in deze procedure geen juridische status worden toegekend.
2.3.
Bij beschikking van 8 augustus 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 11 augustus 2025 tot 28 oktober 2025. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend in een voorziening voor pleegzorg, een gezinsgerichte voorziening (gezinshuis) en/of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 augustus 2025 tot 28 oktober 2025.
2.4.
Bij beschikking van 23 oktober 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 oktober 2026. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 oktober 2025 tot 23 april 2026.
2.5.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van voormelde machtiging in een pleeggezin.
2.6.
De GI heeft op 9 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen:
- de moeder geeft de identiteitskaarten van de kinderen af bij de GI, zodat de GI de identiteitskaarten kan overhandigen aan het pleeggezin waar de kinderen nu verblijven.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. Ook wordt verzocht een dwangsom op te leggen van € 25,00 per dag indien de schriftelijke aanwijzing niet wordt nagekomen. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift. De GI acht het noodzakelijk dat de pleegouders kunnen beschikken over de identiteitskaarten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , meer in het bijzonder wanneer zij zorg nodig hebben. Ook zouden de minderjarigen met het pleeggezin op vakantie gaan naar [attractiepark] in Duitsland, waarvoor zij hun identiteitsbewijzen nodig hebben. De GI heeft de moeder herhaaldelijk, mondeling met een tolk dan wel de partner van de moeder als vertaler én schriftelijk, gevraagd om de identiteitskaarten van de minderjarigen af te geven. De moeder heeft dit geweigerd. De weerstand van de moeder lijkt vooral te zijn gelegen in het feit dat het pleeggezin met de minderjarigen op vakantie wilde gaan in het buitenland. De GI heeft de moeder op 12 december 2025 een vooraankondiging gestuurd. In reactie daarop heeft de moeder op 17 december 2025 aangegeven dat zij de identiteitsbewijzen niet wil en zal afgeven. Hierin heeft de moeder ook tijdens een begeleid bezoekmoment tegenover [minderjarige 1] volhardt. De weigering van de afgifte heeft er uiteindelijk toe geleid dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens de vakantie van het pleeggezin tijdelijk elders moesten worden opgevangen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waren erg teleurgesteld dat zij niet mee konden op vakantie naar [attractiepark] . De GI is vervolgens op 9 januari 2026 overgegaan tot het geven van een schriftelijke aanwijzing aan de moeder. Ook nadien heeft de moeder de identiteitsbewijzen niet afgegeven. Hoewel meerdere personen hebben getracht het belang van de afgifte van de identiteitsbewijzen aan de moeder uit te leggen, is het tot op heden niet gelukt om de moeder tot afgifte van de identiteitsbewijzen te bewegen. Nu de moeder niet overgaat tot afgifte van de identiteitsbewijzen van de minderjarigen acht de GI de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en het opleggen van een dwangsom noodzakelijk.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Uit artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijkt dat de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen kan geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien een met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van het tweede lid van voormeld artikel volgen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel in de vorm van een dwangsom of een lijfsdwang worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing, tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet.
5.3.
Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij de beoordeling van de verzoeken betreffende een schriftelijke aanwijzing dient de kinderrechter te beoordelen of het besluit van de GI volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Dit betekent dat het besluit zorgvuldig tot stand moet zijn gekomen en dat het voldoende is gemotiveerd. Bij de beoordeling wordt gekeken naar de omstandigheden ten tijde van het nemen van de beslissing. De schriftelijke aanwijzing dient het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht. De kinderrechter kan de aanwijzing vervolgens slechts marginaal toetsen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.5.
Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de moeder niet heeft willen instemmen en haar medewerking niet heeft verleend aan het afgeven van de identiteitskaarten van de minderjarigen, terwijl dit wel noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is daarbij van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing, naar de huidige stand van zaken en gegeven de taak van jeugdbeschermer, past binnen de uitvoering van de ondertoezichtstelling en kwam de GI de bevoegdheid toe om de onderhavige schriftelijke aanwijzing aan de moeder op te leggen
5.6.
Naar het oordeel van de kinderrechter heeft de GI de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig voorbereid. De GI heeft de moeder voorafgaand aan het geven van de schriftelijke aanwijzing herhaaldelijk de kans geboden om over te gaan tot de afgifte van de identiteitsbewijzen en heeft de noodzaak daarvan herhaaldelijk (zowel schriftelijk als mondeling, met de bijstand van een tolk) aan de moeder kenbaar gemaakt. De GI heeft de moeder voldoende tijd en gelegenheid gegeven om hieraan te voldoen. Desondanks is de moeder daartoe niet overgegaan. Ook is niet in het geding dat aan de moeder een vooraankondiging is verstuurd en dat zij in de gelegenheid is gesteld haar mening kenbaar te maken. Hoewel de moeder op de vooraankondiging niet schriftelijk heeft gereageerd, is naar het oordeel van de kinderrechter in de schriftelijke aanwijzing in voldoende mate gereageerd op hetgeen door de moeder mondeling is aangevoerd. De kinderrechter oordeelt dan ook dat het besluit van de GI voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
5.7.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van de GI voldoende is gemotiveerd dat deze ook in redelijkheid door de GI kon worden gegeven. De GI heeft steeds toegelicht dat het beschikken over de identiteitsbewijzen van de minderjarigen door de GI en/of de pleegouders noodzakelijk is. Dit is niet enkel het geval voor een vakantie van het pleeggezin, maar ook voor het verkrijgen van zorg in Nederland. Daarbij staat het voor de kinderrechter niet ter discussie dat het in het belang van de minderjarigen is dat de pleegouders die de dagelijkse zorg voor de kinderen dragen vrijelijk over hun identiteitsbewijzen kunnen beschikken. Er kunnen zich immers situaties voordoen, waarbij om een legitimatiebewijs van het kind gevraagd kan worden. Indien een kind dan niet gelegitimeerd kan worden, kan daarmee stagnatie in de zorg en opvoeding van het kind ontstaan. Dit acht de kinderrechter niet in het belang van de minderjarigen.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter, nu de moeder ook na het geven van de schriftelijke aanwijzing niet is overgegaan tot de afgifte van de identiteitsbewijzen, de schriftelijke aanwijzing van 9 januari 2026 bekrachtigen.
5.9.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de verzochte dwangsom bij niet nakoming van de schriftelijke aanwijzing moet worden toegewezen. De kinderrechter heeft namelijk niet de verwachting dat de moeder zich, zonder dat daaraan een financiële prikkel wordt verbonden, zal houden aan de schriftelijke aanwijzing en op korte termijn zal overgaan tot de op haar rustende verplichting tot afgifte van de identiteitsbewijzen, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarbij wel gebaat zijn. De kinderrechter is daarom van oordeel dat hun belang zich niet verzet tegen de oplegging van de dwangsom. De kinderrechter zal de hoogte van de dwangsom op €25,00 bepalen per dag dat de moeder zich niet aan de schriftelijke aanwijzing houdt, waarbij in totaal niet meer dan € 2.500,00 aan dwangsommen zal worden verbeurd.
5.10.
Tegen de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing staat op grond van artikel 807, aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geen hoger beroep open, maar alleen cassatie in het belang der wet. Het afzonderlijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beslissing is dan ook niet nodig. Het daartoe strekkende verzoek van de GI zal daarom worden afgewezen. Deze uitspraak geldt wel meteen, juist omdat er geen hoger beroep mogelijk is.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 9 januari 2026;
6.2.
legt op aan de moeder een dwangsom van € 25, 00 voor iedere dag dat zij de schriftelijke aanwijzing niet nakomt tot een maximum van € 2.500 is bereikt;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).