Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 februari 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de op 24 februari 2026 ingediende producties 5 tot en met 9, van de zijde van de man;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
4.De standpunten van partijen en het advies van de Raad
Het standpunt van de man
5.De beoordeling
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ;
- [minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] ; (keuze: lichte interventie);
- [minderjarige] en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor [minderjarige] te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan dit vonnis gehecht (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde
bodemprocedurein te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
6.De beslissing
voorlopiggerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: twee keer per week gedurende (minstens) een uur, waarvan eenmaal doordeweeks en eenmaal in het weekend, een en ander met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 5.4 van dit vonnis;
1 december 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de
bodemprocedurebekend onder zaak-/rekestnummer C/02/445469 FA RK 26-1036 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;