Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3095

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/406643 FA RK 23-844 en C/02/437389 FA RK 25-3500
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:99 BWArt. 1:164 BWArt. 4:29 BWArt. 4:30 BWArt. 4:34 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie en verdeling gemeenschap van goederen na echtscheiding

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 maart 2026 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende kinderalimentatie en de verdeling van de gemeenschap van goederen na echtscheiding tussen partijen. De echtscheiding was reeds uitgesproken op 21 juli 2025, waarbij het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen voorlopig bij de vrouw was vastgesteld. De rechtbank behandelde nu de verzoeken over de kinderbijdrage en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

De rechtbank hanteerde voor de vaststelling van de kinderalimentatie de inkomensgegevens van partijen uit 2021 als uitgangspunt voor het netto besteedbaar gezinsinkomen. Het netto besteedbaar inkomen van de man werd vastgesteld op €4.106 per maand en dat van de vrouw op €2.196 per maand. De behoefte van de minderjarigen werd berekend op €1.319 per maand in 2025, rekening houdend met wettelijke indexeringen en een zorgkorting van 25%. De man werd veroordeeld tot betaling van €399 per maand per kind vanaf 17 november 2025, te verhogen naar €417 per maand per kind vanaf 1 januari 2026.

Wat betreft de verdeling van de gemeenschap van goederen werd de woning aan de man toegedeeld tegen een waarde van €380.000, onder de voorwaarde dat hij binnen zes maanden de financiering regelt en de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. Indien dit niet gebeurt, dient de woning te worden verkocht en de opbrengst gelijkelijk verdeeld. Verder werden de bankrekeningen verdeeld, waarbij de man en vrouw elk de helft van de saldi op hun rekeningen aan de ander moeten uitkeren. De auto werd aan de man toegewezen met een verplichting tot betaling van de helft van de waarde aan de vrouw, en de man werd veroordeeld tot betaling van €5.000 aan de vrouw voor de camper. Het verzoek van de man tot vaststelling van benadeling van de gemeenschap door de vrouw werd afgewezen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en verdere aangehouden verzoeken worden op een later moment behandeld. Partijen kunnen binnen drie maanden hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De man moet kinderalimentatie betalen van €399 per maand per kind vanaf 17 november 2025 en de gemeenschap van goederen wordt verdeeld met toedeling van de woning aan de man onder voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/406643 FA RK 23-844 en C/02/437389 FA RK 25-3500
17 maart 2026
nadere beschikking betreffende echtscheiding en nevenvoorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1] ,
feitelijk verblijvende te [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. G.A.P. Avontuur,
en
[de man],
wonende te [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet.

1.Het verdere verloop van het proces

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 21 juli 2025 en alle daarin vermelde stukken;
- de F9-formulier van mr. Koop-van Vliet van 25 juli 2025, 18 augustus 2025, en 2 september 2025 met bijlagen;
- de brief van mr. Avontuur van 26 augustus 2025;
- het F9-formulier van mr. Avontuur van 21 november 2025 met bijlage;
- de brief van Jeugdbescherming Brabant van 28 november 2025.

2.De nadere beoordeling

2.1
Bij voormelde beschikking van 21 juli 2025 is de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken. Daarnaast is, samengevat:
- bepaald dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;
- aan de vrouw voorlopig toestemming verleend om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats 2] en hen voorlopig in te schrijven op [basisschool] te [plaats 2] ;
- bepaald dat de man en genoemde minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op de in de beschikking aangegeven wijze;
- bepaald dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de voormalig
echtelijke woning te [plaats 1] voort te zetten;
- de beslissing op de verzoeken over de kinderbijdrage en de verdeling van de gemeenschappelijke goederen aangehouden;
- de (definitieve) beslissing op de verzoeken van de vrouw over het hoofdverblijf, het
subsidiaireverzoek over de verhuizing en de inschrijving op de basisschool in [plaats 2] aangehouden alsmede op de verzoeken van de man over de inschrijving in de BRP, de zorgregeling, de inschrijving op de basisschool in [plaats 1] en het ouderschapsplan aangehouden;
- iedere verdere beslissing voorbehouden.
2.2
Aan de orde zijn nu de verzoeken over de kinderbijdrage en de verdeling van de
gemeenschappelijke goederen. De overige (aangehouden) verzoeken zullen worden
behandeld op een nader te bepalen mondelinge behandeling.
Kinderalimentatie
2.3
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man aan haar te betalen bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van € 515,= per maand per kind, met ingang van de
datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers.
2.4
De man voert verweer tegen de hoogte van de door de vrouw becijferde behoefte en
verzochte bijdrage.
Ingangsdatum
2.5
De rechtbank zal de vast te stellen bijdrage, conform het verzoek van de vrouw, laten
ingaan op 17 november 2025, zijnde de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Behoefte
2.6
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële
draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn
neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
2.7
Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarigen is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2021, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. Daarbij wordt uitgegaan van de door de vrouw overgelegde, tot zover niet weersproken, berekening (productie 12).
2.8
Tussen partijen staat vast dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in
2021 € 3.551,= per maand bedroeg.
2.9
Het NBI van de vrouw in 2021 ter hoogte van € 1.314,= per maand is in beginsel niet in geschil. Echter, volgens de man dient hiermee geen rekening te worden gehouden omdat dit inkomen werd gestort op een spaarrekening voor de kinderen en feitelijk niet werd besteed ten gunste van het gezin. Bovendien heeft de vrouw ermee ingestemd om er in de berekening van de behoefte van de minderjarigen in de procedure voorlopige voorzieningen ook geen rekening mee te houden, aldus de man.
2.1
Naar het oordeel van de rechtbank stond het inkomen van de vrouw ter beschikking van het gezin. Dat er van werd gespaard in plaats van uitgegeven is een eigen keuze maar dat is geen reden om het niet te betrekken in de becijfering van het NBGI. Dit betekent dat de becijfering van de vrouw van haar NBI in 2021 ter hoogte van € 1.314,= per maand wordt gevolgd. Daaraan doet niet af dat in de voorlopige voorzieningen het NBI van de vrouw buiten beschouwing is gelaten, temeer omdat de vrouw ter zitting onbetwist heeft verklaard dat zij ten tijde van de zitting voorlopige voorzieningen uitdrukkelijk het voorbehoud heeft gemaakt dat in de bodemprocedure haar NBI nader moest worden beoordeeld.
2.11
Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 4.866,= per maand. Dit NBGI, gevoegd bij het ten aanzien van de minderjarigen toepasselijke aantal kinderbijslagpunten, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van de minderjarigen op van € 1.107,= per maand in 2021. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte per 2025 afgerond € 1.319,= per maand.
2.12
Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen
tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. Dat aandeel becijfert de rechtbank aan
de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt
vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde
aanbevelingen.
Draagkracht man
2.13
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
2.14
Tussen partijen staat vast dat de man een inkomen heeft van € 5.534,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag plus een eindejaarsuitkering van € 5.532,=. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde pensioenpremies en heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.
2.15
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 4.106,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 1.095,= per maand.
2.16
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van het volgende. Tussen partijen staat vast dat de vrouw een salaris heeft van € 1.432,= bruto per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering ter hoogte van € 684,=. In geschil is de vraag of het huidige inkomen van de vrouw bij deze werkgever haar eindsalaris is of dat haar inkomen gaat toenemen. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat de vrouw nog in opleiding is. Zodra deze is afgerond gaat zij volgens hem aanzienlijk meer verdienen. De vrouw stelt dat haar opleiding al is afgerond en dat haar huidige salarisschaal haar eindschaal is.
2.17
Uit de na de zitting ontvangen stukken blijkt dat de vrouw met ingang van 11 september 2023 een leer-arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan tot uiterlijk 10 september 2024. Met ingang van 11 september 2024 is het dienstverband van de vrouw verlengd tot en met 10 september 2025. Bij aanvang van het dienstverband in september 2023 was de vrouw gesalarieerd in schaal 5 trede 7. Volgens de als productie 27 overgelegde salarisspecificatie van april 2025 ontvangt de vrouw in het verlengde dienstverband een salaris ter hoogte van € 1.431,78 bruto per maand volgens schaal 6 trede 10 op basis van 0,5556 dienstverband en is zij nog steeds pedagogisch medewerker in opleiding. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om het huidige standpunt van de man te volgen (in het F-9 formulier van 25 juli 2025) dat de vrouw waarschijnlijk tussen de € 2.641,= en € 3.630,= bruto per maand gaat verdienen. De rechtbank gaat uit van de gegevens zoals vermeld op de loonstrook van de vrouw van april 2025.
2.18
De man heeft verder aangevoerd dat de vrouw over een hoger inkomen zou moeten kunnen beschikken, te weten € 24.000,= per jaar en dat bij de bepaling van haar draagkracht van dat hogere inkomen moet worden uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat bij de bepaling van kinderalimentatie het uitgaan van een redelijkerwijs te verwerven hoger inkomen er in dit geval toe kan leiden dat het bestaansminimum van de vrouw en daarmee dat van de kinderen wordt aangetast als dat fictieve inkomen niet daadwerkelijk wordt verwezenlijkt. Nog daargelaten dat de man zich pas op zitting op bovenstaand standpunt heeft gesteld, ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding om bij de berekening van de draagkracht van de vrouw ten behoeve van de kinderalimentatie uit te gaan van haar werkelijke inkomen.
2.19
De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde pensioenpremies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 8.411,= op jaarbasis per maand.
2.2
Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.196,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 159,= per maand.
2.21
Vergelijking van voormelde berekende draagkracht van de onderhoudsplichtigen
brengt mee dat de man met € 1.095,= per maand en de vrouw met € 159,= per maand moet
bijdragen in de hiervoor vastgestelde behoefte van de minderjarigen.
2.22
De huidige zorg- en contactregeling leidt in beginsel tot een zorgkorting van 15%.
Uitgangspunt is dat het contact tussen de man en de minderjarigen wordt opgebouwd.
Daarbij past naar het oordeel van de rechtbank een zorgkorting van 25%. Ervan uitgaande
dat de behoefte van de minderjarigen € 1.319,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting
een bedrag van € 330,= per maand.
2.23
Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de
behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het
tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de man betekent dit dat de
helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen
bijdrage als volgt wordt berekend: € 1.095,= – (€ 330 - € 33) is per maand € 798,=
oftewel € 399,= per maand per kind.
2.24
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage
met ingang van 17 november 2025 vaststellen op € 399,= per maand per kind en na
indexering met ingang van 1 januari 2026 op € 417,= per maand per kind.
2.25
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze
berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Verdeling gemeenschap van goederen
2.26
De rechtbank verwijst voor de verzoeken van partijen in het kader van de verdeling
van de tussen hen bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen gemeenschap van goederen
naar de beschikking van 21 juli 2025: van de vrouw zoals vermeld onder 3.1. sub 7) en van
de man zoals vermeld onder 3.2. sub 6) tot en met 8).
2.27
Partijen zijn gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden houden, voor zover relevant, het volgende in:
“(…) HOOFDSTUK 2. HUWELIJKSE VOORWAARDEN
Artikel 1
Wettelijke gemeenschap van goederen
1. Tussen de echtgenoten zal een huwelijksvermogensrechtelijke
gemeenschap van goederen als bedoeld in titel 7 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek bestaan, voor zover daarvan hierna niet wordt
afgeweken.
2. De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, ook alle goederen
van de echtgenoten, bij aanvang van de gemeenschap aanwezig,
alsmede de rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld
in de artikelen 4:29 en 30 van het Burgerlijk Wetboek, vruchtgebruik
dat op grond van die bepalingen is gevestigd, alsmede hetgeen
wordt verkregen ingevolge de artikelen 4:34, 36, 38, 56 en 63 tot en
met 92 en 126 lid 2, onderdelen a. en c. van het Burgerlijk Wetboek,
met uitzondering van:
- krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift
verkregen goederen, behoudens giften van tot de gemeenschap
behorende goederen van de andere echtgenoot;
- de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit een overeenkomst
van levensverzekering (een ongevallenverzekering daaronder
begrepen), indien deze overeenkomst is gesloten of later
overgenomen door een echtgenoot op het leven van een andere
echtgenoot.
3. De gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, ook alle schulden van
ieder van de echtgenoten, die bij aanvang van de gemeenschap
aanwezig zijn, met uitzondering van de schulden:
a. betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen;
b. die behoren tot een nalatenschap waartoe een echtgenoot is
gerechtigd;
c. uit door een van de echtgenoten gedane giften, gemaakte
bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 4:126 --
leden 1 en 2, onderdelen a en c, Burgerlijk Wetboek.(…)”.
2.28
Nu in de huwelijkse voorwaarden geen peildatum is opgenomen, is de gemeenschap van goederen op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 22 februari 2023. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap. De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.
2.29
Partijen zijn het erover eens dat op de peildatum de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
a. de woning aan [adres] in [plaats 1] ;
b. de hypothecaire geldlening bij [bedrijf] met [leningnummer] ;
c. de inboedel;
d. de saldi op de bankrekeningen;
e. de auto van het merk Mazda met [kenteken 1] ;
f. de camper van het merk Fiat Ducato met [kenteken 2] ;
g. de aanslagen en/of teruggaven van de Belastingdienst die betrekking hebben op het
jaar 2022.
Ad a. en b. De woning en de hypothecaire geldlening
2.3
Partijen zijn het erover eens dat de woning kan worden toegedeeld aan de man. De rechtbank zal dit doen tegen een waarde van € 380.000,= omdat die waarde eerder in overleg tussen partijen tot stand is gekomen aan de hand van een in opdracht van hen uitgevoerde taxatie. Op de zitting heeft de vrouw aangevoerd dat de taxatie gedateerd is en dat er een nieuwe taxatie moet plaatsvinden. Voor zover de vrouw nu terug wenst te komen op haar, ook in recente stukken ingenomen standpunt dat partijen de waarde van de woning hebben bepaald op € 380.000,=, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Het had op de weg van de vrouw gelegen haar standpunt tijdig voor de zitting en onderbouwd aan de rechtbank en de man kenbaar te maken. De vrouw heeft ter zitting nog verwezen naar haar aanvullend verzoekschrift van 25 augustus 2023 onder 4.5. maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de vrouw uitgaat van een andere waarde dan de onder 4.4. van datzelfde aanvullend verzoekschrift genoemde waarde van € 380.000,=.
2.31
Tussen partijen staat vast dat de man de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening overneemt, mits de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, en dat de overwaarde bij helfte wordt gedeeld. Tijdens de zitting zijn zij het erover eens gebleken dat voor het saldo van de hypothecaire geldlening op de datum van overdracht van de woning aan de man kan worden uitgegaan van de stand per 31 december 2022 ter hoogte van € 280.973,=. In zoverre wordt het verzoek van de man (onder sub 8) toegewezen. Aan het voorwaardelijk verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw dient bij te dragen als haar aandeel in de eigenaarslasten wordt aldus niet toegekomen omdat dit verzoek enkel is ingesteld voor zover er zou worden uitgegaan van het saldo van de hypothecaire lening per een latere datum.
2.32
Het is nog niet geheel duidelijk of de man in staat is de toedeling van de woning te financieren en of de vrouw kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarom verbindt de rechtbank aan deze toedeling de voorwaarde dat de man binnen zes maanden na deze beschikking de financiering heeft geregeld en de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan moet de woning worden verkocht. Iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering aan een derde te dragen. Na verkoop en overdracht van de woning aan een derde wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schuld en betaling van de kosten van verkoop en overdracht, gelijkelijk tussen partijen verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en betalen.
Ad c. De inboedel van de woning
2.33
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel tussen hen al feitelijk is verdeeld en dat hierover geen beslissing hoeft te worden genomen.
Ad d. De saldi op de bankrekeningen
2.34
Wat de bankrekeningen betreft, geldt het volgende. Een bankrekening met een positief saldo is in feite een vordering die partijen hebben op de bank (het geld wat een partij van de bank tegoed heeft). De waarde of omvang van die vordering is gelijk aan de hoogte van het saldo. Voor de vraag wat de omvang van de gemeenschap is en daarmee dus ook wat de omvang van deze vordering is, is het moment van ontbinding van de gemeenschap bepalend. Zoals hiervoor is besproken, is dat het moment van indiening van het verzoekschrift. Hier is het verzoekschrift ingediend op 22 februari 2023. Daarom moeten partijen de saldi op de bankrekeningen verdelen zoals deze waren op die datum.
2.35
Voor de saldi op de bankrekeningen op naam van de man met nummers [iban 1] en [iban 2] zijn partijen het erover eens dat de saldi per peildatum € 330,47 (betaalgedeelte) en € 4,42 (spaargedeelte) respectievelijk
€ 4.775,64 (betaalgedeelte) en € 600,75 (spaargedeelte) bedroegen. Op de zitting is duidelijk geworden dat de man geen vier rekeningnummers had maar twee, met een betaal- en spaargedeelte. Omdat de rekeningen op naam van de man staan en zullen blijven staan, moet de man de helft van bovenstaande saldi uitkeren aan de vrouw.
2.36
Tussen partijen staat vast dat het saldo op de bankrekening met nummer [iban 3] op naam van de vrouw per peildatum € 530,29 bedroeg. Omdat de rekening op naam van de vrouw staat en zal blijven staan, moet de vrouw de helft van bovenstaand saldo uitkeren aan de man.
2.37
Evenmin is in geschil dat het saldo op de bankrekening met nummer [iban 4] op naam van de vrouw per peildatum € 12.095,32 bedroeg. Volgens de man had er echter een veel hoger saldo op moeten staan. Deze rekening werd gebruikt om te sparen voor de kinderen en volgens de man stond er in oktober 2022 nog ruim € 30.000,= op die rekening. Ondanks zijn verzoek om inzage in het rekeningverloop heeft de vrouw die niet gegeven, aldus de man. Op de zitting heeft de vrouw verklaard dat zij na de relatiebreuk zonder inkomen zat en van het saldo op deze rekening heeft geleefd. Zij erkent dat de man om inzage heeft gevraagd maar omdat de man hieraan geen verzoek ten grondslag legde heeft zij hier niets mee gedaan.
2.38
Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de vrouw inzage geeft in het saldoverloop met bankafschriften van augustus 2022 tot de peildatum en zij de door de man verzochte stukken zal overleggen, te weten de aangifte en aanslag IB van 2022 alsmede haar arbeidsovereenkomst. In zoverre is aan het verzoek van de man – in het kader van zijn verzoek dat strekt tot de wijze van verdeling sub 6 – om inzage voldaan.
2.39
Uit de na de zitting ingekomen stukken blijkt dat de man zich nu op het standpunt stelt dat de vrouw de gemeenschap heeft benadeeld. De man stelt dat de vrouw geen volledige inzage heeft verstrekt waardoor niet kan worden vastgesteld welke mutaties in de periode voorafgaand aan de peildatum hebben plaatsgevonden. Wel kan volgens hem worden vastgesteld dat voorafgaand aan het feitelijk uiteengaan van partijen medio oktober 2022 het saldo € 30.733,54 bedroeg en op de peildatum 22 februari 2023 € 12.095,32. De man verzoekt nu te bepalen dat de vrouw, naast de helft van het saldo per peildatum, aan hem dient te voldoen, primair € 9.319.11, althans € 5.732,=, zijnde de helft van het verschil in saldo in de periode 21 augustus 2022 tot en met september 2022.
2.4
De vrouw stelt ten eerste dat het verzoek van de man tardief en in strijd met de goede procesorde is. Daarnaast betwist zij dat er sprake is van benadeling van de gemeenschap omdat zij ten tijde van het vertrek van de man geen inkomen noch spullen had voor haar en de kinderen. Zij was dan ook genoodzaakt het saldo op de rekening te gebruiken voor de kosten van de huishouding. Pas na de beschikking voorlopige voorzieningen van 26 januari 2023 is een bijdrage voor de kinderen vastgesteld.
2.41
De rechtbank stelt voorop dat een verzoek kan worden vermeerderd totdat een eindbeschikking is gegeven tenzij sprake is van strijd met de goede procesorde. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat de vrouw in de gelegenheid is geweest om schriftelijk inhoudelijk te reageren op het verzoek. Aldus staat ter beoordeling het beroep van de man op benadeling van de gemeenschap.
2.42
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:164 BW Pro lid 1 bepaalt dat indien een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van Pro dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, hij gehouden is na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
2.43
Voor de periode waarop 1:164 BW betrekking heeft, heeft de man slechts gesteld dat de vrouw, naar de rechtbank begrijpt, onterecht een bedrag van € 18.638,22 danwel
€ 11.464,= van de gemeenschap zou hebben uitgegeven. De man heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw echter onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat sprake is van verspilling of een andere grond waardoor de gemeenschap zou zijn benadeeld. Het beroep op artikel 1:164 BW Pro gaat dus niet op. Dit betekent dat het verzoek van de man wordt afgewezen en het saldo van voormelde bankrekening per peildatum ter hoogte van € 12.095,32 tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Daarbij wordt opgemerkt dat hierin is begrepen een gespaard bedrag voor de kinderen. Het is aan partijen om hierover in het belang van de kinderen afspraken te maken.
Ad e. en f. De auto en de camper
2.44
Partijen zijn het erover eens dat de auto van het merk Mazda moet worden toegedeeld aan de man. Op de zitting zijn zij het ook eens geworden over de waarde te weten
€ 12.650,= zoals die blijkt uit de door de man overlegde brief van [garage] van 9 maart 2023. De man dient de helft hiervan (€ 6.325,=) aan de vrouw te voldoen.
2.45
De man stelt dat de camper is verkocht voor € 10.000,=. Daarvoor verwijst hij naar de brief van [garage] van 9 maart 2023 waaruit volgens hem blijkt van aanzienlijke gebreken aan de camper. De vrouw stelt dat de camper veel meer waard moet zijn omdat de camper net was aangeschaft voor € 19.500,=. Bovendien betwijfelt zij of de camper wel is verkocht omdat zij herhaaldelijk om een vrijwaringsbewijs heeft verzocht maar niet heeft gekregen.
2.46
De rechtbank stelt vast dat de man een stuk heeft overgelegd waarop een waarde van de camper wordt vermeld ter hoogte van € 10.000,= per 9 maart 2023, een datum dicht bij de peildatum. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Indien en voor zover de vrouw van mening is dat de camper meer waard is, had het op haar weg gelegen haar standpunt te onderbouwen met stukken, hetgeen zij heeft nagelaten. Dat de camper niet zou zijn verkocht doet niet ter zake omdat de waarde van de camper rondom de peildatum ter beoordeling staat. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van een waarde van € 10.000,=. De man dient de helft hiervan (€ 5.000,=) te voldoen aan de vrouw.
Ad g. De aanslagen en/of teruggaven over het jaar 2022
2.47
Tussen partijen staat vast dat de IB aanslagen en/of teruggaven over het jaar 2022 nog tussen partijen afgewikkeld dienen te worden. Verder staat vast dat teruggaven zullen worden gedeeld bij helfte en dat aanslagen bij helfte zullen worden gedragen. Zoals hiervoor al overwogen, heeft de man de vrouw verzocht om inzage en heeft de vrouw zoals de zitting toegezegd haar aangifte en aanslag IB over 2022 overgelegd. Het is aan partijen om vervolgens de IB aanslagen en/of teruggaven over 2022 in onderling overleg af te wikkelen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
bepaalt dat de man ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021 en
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021,
aan de vrouw – voor de toekomst bij vooruitbetaling – moet voldoen, met ingang van 17 november 2025 een bedrag van € 399,= per maand per kind (driehonderdnegenennegentig euro) en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 417,= (vierhonderdzeventien euro) per maand per kind;
3.2
gelast de navolgende wijze van verdeling;
ten aanzien van de woning
 deelt de woning aan [adres] te [plaats 1] toe aan de man tegen een waarde van € 380.000,=;
 onder de verplichting van de man om de helft van het verschil tussen de waarde van de woning en het restant van de hypothecaire geldlening bij [bedrijf] ter hoogte van € 280.973,= aan de vrouw uit te keren;
 dit alles onder de voorwaarde dat de man binnen zes maanden na deze beschikking de financiering heeft geregeld en er zorg voor heeft gedragen dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening;
 indien de hiervoor genoemde voorwaarde niet wordt vervuld, dan dient de woning te worden verkocht. De makelaarskosten en overige kosten ter zake de verkoop en levering aan een derde zullen dan door partijen bij helfte worden gedragen;
 de verkoopopbrengst wordt, na aflossing van de hypothecaire schuld en betaling van de kosten van verkoop en overdracht, gelijkelijk tussen partijen verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en betalen;
ten aanzien van de bankrekeningen:
 bepaalt dat de rekening met nummer [iban 1] wordt voortgezet door de man en veroordeelt de man om een bedrag van € 167,45 ter zake te betalen aan de vrouw;
 bepaalt dat de rekening met nummer [iban 2] wordt voortgezet door de man en veroordeelt de man om een bedrag van € 2.688,20 ter zake te betalen aan de vrouw;
 bepaalt dat de rekening met nummer [iban 3] wordt voortgezet door de vrouw en veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 265,15 ter zake te betalen aan de man;
 bepaalt dat de rekening met nummer [iban 4] wordt voortgezet door de vrouw en veroordeelt de vrouw om een bedrag van € 6.047,66 ter zake te betalen aan de man;
ten aanzien van de auto van het merk Mazda:
 deelt deze toe aan de man en veroordeelt de man om ter zake een bedrag van € 6.325,= aan de vrouw te betalen;
ten aanzien van de camper van het merk Fiat:
 veroordeelt de man om ter zake een bedrag van € 5.000,= aan de vrouw te betalen;
3.3
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4
wijst het meer of anders verzochte ter zake de kinderalimentatie en de verdeling van de gemeenschap van goederen af;
3.5
behoudt zich, onder verwijzing naar de beschikking van 21 juli 2025, iedere verdere beslissing voor op de aangehouden verzoeken van de vrouw onder 3.1. sub 2), 4)
subsidiairen 5) en van de man onder 3.2. sub 1) tot en met 4).
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
Door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.