Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3096

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/431592 / FA RK 25-620
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden verzoek tot wijziging hoofdverblijf en zorgregeling minderjarigen na raadsonderzoek

Partijen, de vrouw en de man, zijn ouders van twee minderjarige kinderen met gezamenlijk gezag. De rechtbank had eerder het hoofdverblijf bij de vrouw vastgesteld en een omgangsregeling voor de man. Na een kort geding is het hoofdverblijf van een kind voorlopig aan de man toegewezen, waarbij de zorgregeling tijdelijk is bevroren.

De vrouw verzoekt een verhoging van de kinderbijdrage, terwijl de man verzet aantekent en tevens een wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling vraagt. De communicatie tussen ouders is ernstig verstoord en vrijwillige hulpverlening slaagt niet. De rechtbank acht nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk om de belangen van de kinderen te waarborgen.

De rechtbank verzoekt de Raad een uitgebreid onderzoek te doen naar het hoofdverblijf en de zorgregeling en hierover te rapporteren. De behandeling van de verzoeken wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport en reacties van partijen. De kinderbijdrageprocedure wordt eveneens aangehouden om partijen de gelegenheid te geven tot onderling overleg. De beschikking is gegeven door rechter Hendriks op 17 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan voor nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en verwijst de kinderbijdrageprocedure naar een later stadium.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/431592 / FA RK 25-620
beschikking d.d. 17 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 11 februari 2025 ontvangen verzoek tot wijziging onderhoudsbijdrage minderjarige, met bijlagen;
- de brief d.d. 10 maart 2025 van mr. Bronsveld, met aanvullende stukken;
- het op 10 april 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
- het op 6 juni 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandige verzoeken;
- het F-formulier d.d. 5 september 2025 van mr. Bronsveld;
- het F-formulier d.d. 5 januari 2026 van mr. Van Beers;
- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Bronsveld;
- het F-formulier d.d. 12 januari 2026 van mr. Bronsveld;
- het F-formulier d.d. 12 januari 2026 van mr. Van Beers;
- het F-formulier d.d. 13 januari 2026 van mr. Van Beers, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 19 januari 2026 van mr. Van Beers, met bijlage;
- de brief d.d. 28 januari 2026 van mr. Bronsveld, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 28 januari 2026 van mr. Van Beers, met bijlagen;
- het F-formulier d.d. 30 januari 2026 van mr. Van Beers, met bijlage;
- het F-formulier d.d. 30 januari 2026 van mr. Bronsveld, met bijlage.
1.2.
De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 30 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal, alsmede de man, bijgestaan door zijn advocaat. Verder was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.
Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en hebben van die mogelijkheid (ieder afzonderlijk) gebruik gemaakt voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 30 januari 2026 tijdens een zogenoemd kindgesprek.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende, thans nog minderjarige, kinderen zijn geboren:
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1] (Verenigd Koninkrijk)
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] .
2.2.
Tussen ouders staat vast dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.3.
Bij beschikking van 26 februari 2021 heeft deze rechtbank – voor zover hier van belang – het hoofdverblijf van de minderjarigen bepaald bij de vrouw en in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot hebben van omgang conform de regeling zoals onder rechtsoverweging 4.24 tot en met 4.26 van die beschikking is opgenomen. Kort samengevat houdt die regeling in dat de minderjarigen één keer per twee weken van donderdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school bij de man verblijven. Verder is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen bepaald op € 75,25 per kind per maand, voor de periode van 1 maart 2021 tot 1 juli 2021, op € 94,25 per kind per maand, voor de periode van 1 juli 2021 tot 1 oktober 2021, en op € 155,= per kind per maand, voor de periode vanaf 1 oktober 2021.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 19 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat de minderjarige [minderjarige 2] voorlopig wordt toevertrouwd aan de man. Verder is in rechtsoverweging 4.9. van het vonnis het navolgende overwogen:
“Daarnaast zal de bestaande zorgregeling worden ‘bevroren’, in die zin dat [minderjarige 2] voorlopig geen omgang heeft met de vrouw en [minderjarige 1] geen omgang heeft met de man. Het contact tussen de broertjes zal echter wel in stand worden gehouden, zoals door partijen overeengekomen elke zaterdag van 14:00 uur tot 16:00 uur bij [persoon] thuis. De voorzieningenrechter benadrukt verder het belang van professionele hulpverlening voor zowel de minderjarigen als de ouders. Partijen worden dan ook dringend verzocht om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de gemeente [woonplaats] , zodat een casusregisseur kan worden aangesteld die regie voert over de te verlenen hulpverlening. Het doel van deze hulpverlening is zicht te krijgen op de opvoedsituaties bij beide ouders en het versterken van hun opvoedvaardigheden. Hiertoe dient psycho-educatie te worden ingezet, waarin ook aandacht wordt besteed aan loyaliteitsproblematiek, zodat ouders inzicht krijgen in de mogelijke spanningen en conflicten die bij de minderjarigen kunnen ontstaan als gevolg van loyaliteitsconflicten. Daarnaast dient individuele hulpverlening voor de minderjarigen te worden ingezet om hen te ondersteunen bij hun eigen ontwikkeling en welzijn. Tot slot wordt opgemerkt dat tijdens de bodemprocedure op 30 januari 2026 de voortgang van de hulpverlening zal worden besproken evenals de huidige stand van zaken.”

3.Het geschil

3.1.
De vrouw verzoekt, naar de rechtbank begrijpt onder wijziging van de beschikking van 26 februari 2021, te bepalen dat de man zal voldoen ten behoeve voornoemde minderjarigen een bedrag van € 476,00 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, met ingang van 1 januari 2025, dan wel een bedrag en ingangsdatum zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man.
3.2
De man voert verweer en verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw af te wijzen. Bij zelfstandig verzoek verzoekt de man, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 26 februari 2021 van de rechtbank te wijzigen en:
I. te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] voortaan bij de man zal zijn en dat de vrouw en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken gerechtigd zijn tot het hebben van omgang gedurende een weekend in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, door partijen in onderling overleg te bepalen, althans een zodanige zorgregeling als de rechtbank juist acht;
II. te bepalen dat de man en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken gerechtigd zijn tot het hebben van omgang gedurende één week per twee weken alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, door partijen in onderling overleg te bepalen, althans een zodanige zorgregeling als de rechtbank juist acht;
III. te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2025 met een bedrag van € 40,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen, althans met ingang van zodanige datum en met een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
IV. te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] met een bedrag van € 190,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , aan de man bij vooruitbetaling te voldoen, althans met ingang van zodanige datum en met een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
V. te bepalen dat de man met ingang van de wijzing van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] met een bedrag van € 60,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen, althans met ingang van zodanige datum en met een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
3.3
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Voorlopige ondertoezichtstelling;
4.1
De Raad heeft tijdens de zitting mondeling verzocht om [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht te stellen. Dit verzoek is gelijktijdig met onderhavige procedure behandeld en geregistreerd onder zaaknummer C/02/444583 / JE RK 26-183. De kinderrechter heeft in die procedure [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 30 januari 2026 en tot 30 april 2026.
Hoofdverblijf en zorgregeling;
4.2
De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen ouders ernstig is verstoord en dat er tussen ouders een groot gebrek is aan onderling vertrouwen. Het vrijwillige hulpverleningstraject komt niet van de grond en de zorgen nemen toe. Duidelijk is dat hulpverlening dringend is vereist voor zowel de minderjarigen als voor de ouders. De huidige situatie is dat de vrouw al geruime tijd geen contact meer heeft met [minderjarige 2] en de man niet meer met [minderjarige 1] . Daarnaast zijn de afspraken die door partijen zijn gemaakt tijdens de kort geding zitting op 18 december 2025 en die zijn opgenomen in voornoemd vonnis van 19 januari 2026 niet uitgevoerd, zodat er op dit moment evenmin contacten plaatsvinden tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onderling. De rechtbank is gelet op de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling - zoals ook met partijen besproken - van oordeel dat een onderzoek door de Raad naar het hoofdverblijf en de zorgregeling met betrekking tot de minderjarigen is geïndiceerd. De rechtbank verzoekt de Raad om het beschermingsonderzoek uit te breiden met een onderzoek naar het hoofdverblijf en de zorgregeling en vervolgens te rapporteren en te adviseren omtrent de navolgende vragen:
- Welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.3
De rechtbank houdt de zaak – in afwachting van het rapport en advies van de Raad –voor de duur van vier maanden aan. De zaak zal worden verwezen naar
de familiekamerrol van [datum 1] 2026,teneinde de Raad in de gelegenheid te stellen zijn rapport en advies te overleggen. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk hierop binnen een termijn van twee weken te reageren en het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken.
4.4
Overeenkomstig het advies van de Raad tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat een wijziging in de huidige situatie lopende het onderzoek van de Raad niet in het belang is van de minderjarigen. De rechtbank laat het aan de GI om binnen de (voorlopige) ondertoezichtstelling eventuele wijzigingen uit te voeren.
Kinderbijdrage;
4.5
Beide partijen hebben verzocht om de verzoeken betreffende de kinderbijdrage aan te houden, mede gelet ook op de onduidelijkheid met betrekking tot het hoofdverblijf en de zorgregeling. Gelet op het vorenstaande houdt de rechtbank de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage voor een periode van 5 maanden aan en verwijst deze naar
de familiekamerrol van [datum 2] 2026, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen de rechtbank alsdan mede te delen of zij in onderling overleg tot overeenstemming zijn gekomen, alsmede het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken.
5. De beslissing
De rechtbank:
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in rechtsoverweging 4.2 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) partijen;
houdt de behandeling van de zaak ten aanzien van de verzoeken van partijen betreffende het hoofdverblijf en de zorgregeling aan tot
de familiekamerrol van [datum 1] 2026 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport en advies van de Raad en de reacties van partijen hierop;
verwijst de zaak voor wat betreft de kinderbijdrage om reden zoals genoemd in rechtsoverweging 4.5 naar
de familiekamerrol van [datum 2] 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van De Pooter, griffier op 17 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.