Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3098

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/425788 FA RK 24-3849 en C/02/440787 FA RK 25-5256
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Keijzerwaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 BWArt. 6:10 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en verdeling beperkte gemeenschap van goederen met jeugd- en gezagsregeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 april 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen sinds 2021. Uit het huwelijk is een minderjarig kind geboren, daarnaast zijn er minderjarige kinderen uit eerdere relaties van de vrouw. Partijen konden geen ouderschapsplan overeenkomen en het huwelijk is duurzaam ontwricht.

De vrouw verzocht onder meer om echtscheiding, het voortgezet gebruik van de woning, eenhoofdig gezag over het kind, en een onderhoudsbijdrage. De man verzocht eveneens om echtscheiding, het hoofdverblijf van het kind bij de vrouw, een voorlopige zorg- en contactregeling en een lagere alimentatie. De rechtbank achtte de verzoeken tot echtscheiding, woninggebruik en hoofdverblijf gegrond en wees deze toe.

Gezien de complexe hulpbehoefte van het kind en het ontbreken van overeenstemming over gezag en zorg, verwees de rechtbank partijen naar een (jeugd)hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod (UHA) met een pro forma datum van 18 september 2026. De beslissing over gezag en zorgregeling werd aangehouden. Voorlopig werd een contactregeling vastgesteld en een alimentatiebedrag van €100 per maand.

De rechtbank bepaalde verder de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen, waarbij de woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat zij de hypotheek overneemt en de man wordt ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Indien dit niet lukt, wordt de woning verkocht. De activa van de eenmanszaak van de vrouw worden aan haar toegedeeld met de verplichting schulden te dragen. Belastingschulden worden gelijk verdeeld met een regresrecht voor de vrouw indien zij meer heeft betaald.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijf kind bij moeder, woning toegewezen onder voorwaarden, voorlopige contactregeling en alimentatie vastgesteld, en verwijzing naar jeugd(hulp)traject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummers: C/02/425788 FA RK 24-3849 en C/02/440787 FA RK 25-5256
beschikking betreffende echtscheiding van 17 april 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.M.H.B. Stoffels, op de mondelinge behandeling waargenomen door
mr. E.J.E.M. Edelmann.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 21 augustus 2024 ontvangen verzoekschrift met producties genummerd 1 tot en met 7;
- het op 22 oktober 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met producties genummerd 1 tot en met 6;
- het op 8 november 2024 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek;
tot en met 12;
- het op 24 juni 2025 ontvangen aanvullend verzoekschrift met productie genummerd 2;
- het op 6 augustus 2025 ontvangen aanvullend verzoekschrift tevens houdende verweerschrift op aanvullend verzoek met producties genummerd 8 tot en met 14;
- het op 9 oktober 2025 ontvangen verweerschrift op aanvullend verzoek met producties
genummerd 3 tot en met 8;
- de brief van mr. Stoffels van 19 februari 2026 met producties genummerd 9 tot en met 13 houdende wijziging verzoek;
- de brief van mr. Stoffels van 9 maart 2026 met producties genummerd 14 en 15;
- de brief van mr. De Jongh van 9 maart 2026 met producties genummerd 15 tot en met 28 houdende wijziging verzoek;
- de beschikking voorlopige voorzieningen van 1 mei 2025.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 20 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 2021 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;
- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2019;
-uit eerdere relaties van de vrouw zijn geboren de minderjarigen:
- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2013;
- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedag 3] 2009;
- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3.De verzoeken

3.1
De vrouw verzoekt, nu, samengevat,
- echtscheiding;
- het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door haar;
- bepaling dat de minderjarige [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf zal hebben bij haar;
-
primair: te bepalen dat zij het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] zal krijgen;
subsidiair:te bepalen dat aan haar vervangende toestemming wordt verleend in plaats van toestemming van de man voor voortzetting van de hulp bij [hulpverlening] voor [minderjarige 1] ;
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] van € 232,= per maand;
- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.
3.2
De man verzoekt, nu, samengevat,
- echtscheiding;
- bepaling dat de minderjarige [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;
- vaststelling van een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken;
- te bepalen dat partijen over [minderjarige 1] co-ouderschap hebben zodra de man over een eigen woning beschikt;
- vaststelling van een door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige [minderjarige 1] van € 25,= per maand;
- vaststelling van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen,

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank acht partijen ontvankelijk in hun echtscheidingsverzoek. De door hen aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van hen redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld ouderschapsplan wordt overgelegd.
4.2
De verzoeken tot
- echtscheiding;
- het uitsluitend gebruik van de woning;
- bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige 1] bij de vrouw;
liggen als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed.
4.3
Ter beoordeling staan de verzoeken tot:
- bepaling van het eenhoofdig gezag/vervangende toestemming;
- vaststelling van een zorg- en contactregeling;
- vaststelling van een bijdrage voor [minderjarige 1] ;
- verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen.
Gezag, vervangende toestemming, regeling zorg- en opvoedingstaken
4.4
De vrouw legt aan haar verzoeken het volgende ten grondslag. [minderjarige 1] is
hulpbehoevend. Hij ontving hulp via [hulpverlening] maar de man heeft zijn toestemming voor die
zorg stopgezet. Dit betekent dat alle hulp nu bij de vrouw komt te liggen. Gevolg van het
ontbreken van hulp is dat [minderjarige 1] al lange tijd niet naar school gaat en dat het verblijf op
een zorgboerderij is stopgezet. Omdat de man noodzakelijke hulp blokkeert verzoekt de
vrouw enkel aan haar het gezag toe te kennen. Subsidiair verzoekt de vrouw dat aan haar
vervangende toestemming wordt verleend in plaats van toestemming van de man voor
voortzetting van de hulp bij [hulpverlening] voor [minderjarige 1] .
4.5
Voor wat betreft de zorg- en contactregeling stelt de vrouw dat de man de regeling zoals vastgesteld in de beschikking voorlopige voorzieningen niet nakomt. Deze zou niet passen in zijn huidige woonsituatie. Maar ook een door hem zelf bedachte regeling komt hij niet na. De vrouw verzoekt daarom een dwangsom te verbinden aan de door haar verzochte regeling.
4.6
Op de zitting heeft de man toegelicht dat [minderjarige 1] fysiek en in zijn gedachte erg levendig is. Hij laat escalerend en afwijkend gedrag zien, zowel op school als in het speciaal vervoer. Volgens de man zit [minderjarige 1] nu in een overlevingsstand. Er was hulp ingeschakeld maar [minderjarige 1] moet eerst stabiliseren. Daarvoor is co-ouderschap helpend. Daarna moet [minderjarige 1] goed getest worden en een diagnose worden gemaakt, aldus de man.
4.7
De Raad heeft op zitting vooropgesteld dat zij veel informatie en stukken missen. Waarom [hulpverlening] , Centrum Jeugd en Gezin en de zorgboerderij betrokken zijn is niet bekend, maar volgens de Raad staat vast dat [minderjarige 1] enorm veel hulp nodig heeft. Dat deze is stopgezet is zeker niet in zijn belang. [hulpverlening] moet kijken wat [minderjarige 1] nodig heeft. Hoewel de Raad op basis van de beperkte stukken zou adviseren een Raadsonderzoek op te starten heeft de Raad op zitting betrokken ouders gezien die er voor open staan om de onderlinge communicatie te verbeteren. De Raad adviseert dan ook een hulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod (UHA) te starten waarna de Raad na een eventueel mislukt traject ingeschakeld kan worden.
4.8
De rechtbank stelt vast dat het de ouders samen niet lukt de problemen tussen hen op te lossen. Beide ouders staan in beginsel co-ouderschap voor maar daarvoor acht de rechtbank het te vroeg, ook gezien de voorliggende verzoeken. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en [minderjarige 1] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet.
Ouders hebben na en korte schorsing tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige 1] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 20 maart 2025 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.9
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
4.1
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders en de Raad besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het (de) volgende resultaten:
- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte systeemgerichte interventie);
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
4.11
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk
18 september 2026pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.12
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige 1] .
4.13
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.14
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.15
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige [minderjarige 1] klem of verloren zal raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van [minderjarige 1] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
4.16
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.17
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.18
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.19
Omdat ouders en [minderjarige 1] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet definitief op de verzoeken met betrekking tot het gezag en de zorg- en contactregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
4.2
Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat de man en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere donderdag tijdens het brengen naar en halen van de zorgboerderij en gedurende 1,5 uur op de zorgboerderij. Daarnaast is overeengekomen dat de man [minderjarige 1] iedere vrijdag om 8.30 uur ophaalt bij de vrouw en dat de vrouw [minderjarige 1] tussen 18.00 uur en 18.30 uur ophaalt bij de man. [minderjarige 1] heeft dan gegeten bij de man. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
4.21
Daarnaast heeft de man op de zitting uitdrukkelijk weer zijn toestemming gegeven voor hulpverlening aan [minderjarige 1] door [hulpverlening] . Dit leent zich niet voor opname in het dictum maar de rechtbank wijst erop dat de man aan deze toezegging is gehouden.
Kinderalimentatie
4.22
Na bespreking van de standpunten op zitting zijn partijen overeengekomen dat de man met ingang van 1 april 2026 voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 100,= per maand.
Verdeling beperkte gemeenschap
4.23
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat voor hen de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen geldt.
4.24
Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op 21 augustus 2024 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat dat de goederen die op die datum (de zogeheten ‘peildatum’) tot de beperkte gemeenschap behoorden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die op de peildatum tot de beperkte gemeenschap behoorden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd). Tot de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen behoren alle goederen die al vóór het huwelijk samen van partijen waren en alle goederen die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor genoemde datum van ontbinding hebben verkregen. Daarvan zijn (onder meer) uitgezonderd erfenissen en giften, maar ook pensioenrechten die al op basis van de wet moeten worden verevend. Wat de schulden betreft, behoren tot de gemeenschap die schulden waarvan partijen al samen schuldenaar waren vóór het huwelijk en alle schulden die zij ieder tijdens het huwelijk en vóór de hiervoor voornoemde datum van ontbinding zijn aangegaan. Daarvan zijn uitgezonderd (onder meer) de schulden die betrekking hebben op goederen die niet tot de gemeenschap behoren.
4.25
De rechtbank zal hierna eerst in kaart brengen welke goederen en schulden deel uitmaken van de ontbonden gemeenschap. Daarna zal de rechtbank per goed de wijze van verdeling gelasten en per schuld de interne draagplicht vaststellen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de waarde van de goederen en ieder van hen de helft van de schulden zal moeten dragen. Voor de waarde van de goederen geldt dat de rechtbank in beginsel kijkt naar de waarde die de goederen hebben op het moment van de verdeling.
4.26
Partijen zijn het erover eens dat op de peildatum de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:
a. de woning aan de [adres] ;
b. de hypothecaire geldlening bij Florius met [leningnummer] .;
c. de inboedel van de hiervoor genoemde woning;
d. het saldo op de bankrekeningen;
e. de auto’s;
f. de schuld aan de ING;
g. de activa en passiva van de eenmanszaak van de vrouw;
h. de aanslagen en/of teruggaven van de Belastingdienst.
4.27
Daarnaast is tijdens het huwelijk aan ieder van partijen € 10.000,= geschonken door familie. Beide partijen beroepen zich op een vergoedingsrecht.
Ad a. en b. De woning en de hypothecaire lening
4.28
In geschil is de verdeling van de woning. Met name de waarde van de woning en de vraag of de vrouw de woning tegen zich toe kan laten scheiden met ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening. Wel zijn partijen het erover eens dat de woning in beginsel wordt toebedeeld aan de vrouw onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening.
Wanneer toebedeling van de woning aan de vrouw onder voornoemde (financiële) voorwaarde niet haalbaar blijkt, dient de woning aan een derde verkocht te worden. Partijen zijn het er ook over eens dat zij voor de waardebepaling van de woning [makelaar] te [woonplaats] zullen benaderen.
Met partijen is op de zitting afgesproken dat de rechtbank een ‘spoorboekje’ in deze beschikking zal opnemen voor de toebedeling, althans de verkoop van de woning. Onder de streep betekent dit dat de rechtbank de volgende wijze van verdeling van de woning zal gelasten:
a. partijen geven binnen een week na betekening van deze beschikking aan [makelaar] te [woonplaats] gezamenlijk opdracht voor taxatie van de woning, waarbij de huidige marktwaarde bepalend is en de uitkomst van de taxatie bindend zal zijn. Partijen dragen ieder de helft van de taxatiekosten;
b. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde onder de opschortende voorwaarde dat deze toedeling moet zijn afgerond binnen drie maanden nadat het taxatierapport door de makelaar aan partijen ter beschikking is gesteld. Dit betekent dat binnen deze termijn van drie maanden:
- de vrouw aan de man aan moet tonen dat zij in staat is de toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren door overname van de hypothecaire geldlening bij Florius;
- de man wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
- de woning goederenrechtelijk aan de vrouw moet worden geleverd, waarbij de kosten voor toedeling van de woning voor rekening van de vrouw zijn;
- partijen zijn overeengekomen om voor de hoogte van de hypothecaire lening uit te gaan van de stand per 1 november 2024. De vrouw moet aan de man voldoen de helft van de overwaarde, zijnde de getaxeerde waarde minus de waarde van de hypothecaire geldlening per 1 november 2024;
c. slaagt de vrouw er niet in om toedeling van de woning aan haar te financieren, dan moet de woning te koop worden aangeboden via de gezamenlijk ingeschakelde makelaar (vgl. onder a. hiervoor). Partijen moeten dan binnen twee weken nadat duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet over kan nemen, aan die makelaar een opdracht tot verkoop van de woning geven, met inachtneming van het volgende:
- de aanwijzingen van de makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs voor de woning;
- bij verkoop van de woning moeten alle verkoopkosten, waaronder de kosten van de makelaar, eerst van de opbrengst worden voldaan. De resterende overwaarde, zijnde de verkoopprijs (na aftrek van de verkoopkosten) minus de waarde van de hypothecaire geldlening per 1 november 2024, wordt bij helfte tussen partijen verdeeld.
Ad c. De inboedel
4.29
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel inmiddels tussen partijen is verdeeld. Een beslissing hierover is niet langer nodig.
Ad d. De bankrekeningen
4.3
Tussen partijen staat vast dat ieder de saldi van de op haar/zijn naam staande bankrekening behoudt zonder nadere verrekening en dat die rekeningen op haar/zijn naam worden voortgezet.
Ad e. De auto’s
4.31
Partijen zijn het erover eens dat ieder de in haar/zijn bezit zijnde auto behoudt zonder nadere verrekening.
Ad f. De schuld aan de ING bank
4.32
Partijen hebben een huwelijkse schuld aan de ING bank ter hoogte van € 15.932,48 per 31 december 2025.
De man verzoekt om de schuld te voldoen uit de overwaarde van de woning.
De vrouw verzoekt om te bepalen dat de schuld wordt gesplitst in die zin dat ieder van partijen een gedeelte van de schuld overneemt op eigen naam onder vrijwaring van de ander. De schuld vormt nu nog een belemmering voor toedeling van de woning aan haar.
4.33
De rechtbank stelt vast dat de schuld door beide partijen dient te worden gedragen. Zoals besproken op zitting kan de rechtbank de schuld niet splitsen. Daarvoor is medewerking van de bank nodig. Op de zitting zijn partijen overeengekomen dat zij gezamenlijk de ING bank zullen benaderen met het verzoek de schuld bij helfte te splitsen zodat ieder van partijen zijn/haar deel op eigen naam overneemt onder vrijwaring van de ander. Indien en voor zover de ING bank hier niet mee akkoord gaat, gaan partijen op zoek naar een alternatief.
De rechtbank overweegt dat deze afspraak partijen onderling bindt maar dat deze zich niet leent voor opname in het dictum.
Ad g. en h. De eenmanszaak en de Belastingschulden
4.34
De vrouw voert een [eenmanszaak] (voorheen [naam] ). De man verzoekt de eenmanszaak toe te delen aan de vrouw onder de voorwaarde dat de vrouw de schulden van de eenmanszaak aan de Belastingdienst volledig voor haar rekening neemt omdat dit zakelijke schulden zijn.
Naar de rechtbank begrijpt verzoekt de vrouw de eenmanszaak zonder nadere verrekening aan haar toe te delen.
4.35
De rechtbank stelt voorop dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft. De activa van de eenmanszaak vallen in de huwelijksgemeenschap en de schulden van de eenmanszaak zijn verhaalbaar op de huwelijksgemeenschap. Partijen zijn het er over eens dat de eenmanszaak aan de vrouw kan worden toegedeeld. De rechtbank zal dan ook de activa van de eenmanszaak zonder nadere verrekening met de man aan de vrouw toedelen,
onder de verplichting de schulden samenhangend met de uitoefening van de eenmanszaak voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen.
h. de aanslagen en/of teruggaven van de Belastingdienst.
4.36
De vrouw verzoekt te bepalen dat ieder van partijen draagplichtig is voor de schulden aan de Belastingdienst ter hoogte van, volgens haar, in totaal € 19.076,=. De man betwist dat hij dient mee te dragen in deze schulden omdat het schulden zijn van enkel de vrouw omdat de schulden voortvloeien uit haar werkzaamheden in haar eenmanszaak.
4.37
De rechtbank overweegt als volgt. In de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW Pro het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit.
4.38
Zonder nadere toelichting ziet de rechtbank in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet in dat de schulden aan de Belastingdienst, die in dit geval zien op inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen, inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, Kinderopvangtoeslag en Kindgebondenbudget, de eenmanszaak van de vrouw betreffen. De rechtbank passeert daarom de stelling van de man. Nu niet is gebleken dat schriftelijk anders is overeengekomen of dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere draagplicht voortvloeit, geldt de hoofdregel van artikel 1:100 BW Pro dat ieder van partijen de schulden voor een gelijk deel dienen te dragen.
4.39
Op de zitting is de hoogte van schulden besproken. Daarbij heeft de vrouw verwezen naar de haar overlegede productie 16 tot en met 19. Daaruit kan echter niet worden afgeleid van de hoogte van de schulden was per peildatum. Bovendien blijkt daaruit dat in ieder geval aanslag Inkomstenbelasting 2024 en de aanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2024 per 9 december 2025 volledig zijn betaald. In dit verband heeft de vrouw verklaard dat zij een betalingsregeling heeft getroffen met de Belastingdienst en in ieder geval vanaf de peildatum € 500,= per maand heeft betaald. De rechtbank begrijpt dat de vrouw zich op regres beroept.
Gelet hierop kan de rechtbank slechts bepalen dat ieder van partijen in hun interne verhouding draagplichtig is voor de door de vrouw per peildatum opgevoerde Belastingschulden. Indien en voor zover de vrouw meer heeft bijgedragen in de schulden dan het gedeelte dat haar aangaat, dan heeft of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht op de man. Bij gebreke aan stukken is het aan partijen om uit te zoeken om welke bedragen het gaat, zowel voor wat betreft de schuldenlast als de door de vrouw betaalde bedragen.
4.4
Zoals hiervoor is overwogen, zijn partijen het eens over de verdeling van een aantal vermogensbestanddelen. Voor die bestanddelen zal de rechtbank geen beslissing opnemen in het dictum, omdat er in dat geval geen taak is weggelegd voor de rechter. Partijen moeten uitvoering geven aan de gemaakte afspraken.
4.41
Voor wat betreft de over en weer ingestelde vergoedingsvorderingen ter hoogte van
€ 10.000,= zijn partijen op de zitting overeengekomen dat deze tegen elkaar wegvallen in die zin dat zij in dit verband over en weer niets van elkaar te vorderen hebben.

5.De rechtbank

5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2021 in de gemeente Moerdijk met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2019, zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
5.3
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning, gelegen aan [adres] en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand;
5.4
verwijst ouders en [minderjarige 1] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal ouders en [minderjarige 1] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige 1] verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.5
verzoekt het loket om uiterlijk op
18 september 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.6
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.7
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.8
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.15. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.9
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en [minderjarige 1] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en in afwachting van het hulverleningstraject voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar
  • iedere donderdag tijdens het brengen naar en halen van de zorgboerderij en gedurende 1,5 uur op de zorgboerderij;
  • iedere vrijdag van 8.30 uur tot 18.00/18.30 uur waarbij de man [minderjarige 1] ’s-ochtends ophaalt bij de vrouw en de vrouw [minderjarige 1] ’s-avonds ophaalt bij de man waarbij [minderjarige 1] al gegeten heeft;
5.11
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 april 2026 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 100,= (honderd euro) per maand;
5.12
gelast de navolgende wijze van verdeling van de echtelijke woning aan [adres] :
a. partijen geven binnen een week na betekening van deze beschikking aan [makelaar] te [woonplaats] gezamenlijk opdracht voor taxatie van de woning, waarbij de huidige marktwaarde bepalend is en de uitkomst van de taxatie bindend zal zijn. Partijen dragen ieder de helft van de taxatiekosten;
b. de woning wordt toegedeeld aan de vrouw tegen de getaxeerde waarde onder de opschortende voorwaarde dat deze toedeling moet zijn afgerond binnen drie maanden nadat het taxatierapport door de makelaar aan partijen ter beschikking is gesteld. Dit betekent dat binnen deze termijn van drie maanden:
- de vrouw aan de man aan moet tonen dat zij in staat is de toedeling van de woning tegen de getaxeerde waarde aan haar te financieren door overname van de hypothecaire geldlening bij Florius;
- de man wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
- de woning goederenrechtelijk aan de vrouw moet worden geleverd, waarbij de kosten voor toedeling van de woning voor rekening van de vrouw zijn;
- partijen zijn overeengekomen om voor de hoogte van de hypothecaire lening uit te gaan van de stand per 1 november 2024. De vrouw moet aan de man voldoen de helft van de overwaarde, zijnde de getaxeerde waarde minus de waarde van de hypothecaire geldlening per 1 november 2024;
c. slaagt de vrouw er niet in om toedeling van de woning aan haar te financieren, dan moet de woning te koop worden aangeboden via de gezamenlijk ingeschakelde makelaar (vgl. onder a. hiervoor). Partijen moeten dan binnen twee weken nadat duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet over kan nemen, aan die makelaar een opdracht tot verkoop van de woning geven, met inachtneming van het volgende:
- de aanwijzingen van de makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs voor de woning;
- bij verkoop van de woning moeten alle verkoopkosten, waaronder de kosten van de makelaar, eerst van de opbrengst worden voldaan. De resterende overwaarde, zijnde de verkoopprijs (na aftrek van de verkoopkosten) minus de waarde van de hypothecaire geldlening per 1 november 2024, wordt bij helfte tussen partijen verdeeld.
5.13
gelast voor het overige de wijze van verdeling als volgt:
d. deelt de activa van de eenmanszaak op naam van de vrouw zonder nadere verrekening met de man toe aan de vrouw onder de verplichting de schulden samenhangend met de uitoefening van de eenmanszaak voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen;
e. bepaalt dat ieder van partijen in hun onderlinge verhouding voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst zoals genoemd in bijlagen 16,17,18 en 19 in de brief van mr. De Jong van 9 maart 2026 en bepaalt dat indien en voor zover de vrouw meer heeft bijgedragen in die schulden dan het gedeelte dat haar aangaat, zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht heeft op de man;
5.14
houdt de beslissing voor het overige aan tot 18 september 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. Keijzerwaard, en, in tegenwoordigheid van mr. Van der Plas, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.