In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 6 januari 2026, wordt het beroep van eiser tegen de Dienst Toeslagen beoordeeld. Eiser heeft een aanvraag ingediend op 14 mei 2025 voor de toepassing van de HZK-regeling, maar de Dienst Toeslagen heeft niet tijdig beslist. Eiser heeft de Dienst Toeslagen op 14 juli 2025 in gebreke gesteld, maar er is nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en doet uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bepaalt dat de Dienst Toeslagen binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen en legt een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast stelt de rechtbank zelf de bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-, omdat de Dienst Toeslagen deze niet tijdig heeft vastgesteld. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen, maar het griffierecht van € 53,- moet door de Dienst Toeslagen aan eiser worden vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over hun recht om verzet aan te tekenen.