ECLI:NL:RBZWB:2026:310

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
11868236 \ CV EXPL 25-3044 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Burgt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsvordering zorgverzekeraar wegens niet-naleving eigen risico en incassokosten

CZ Zorgverzekeringen heeft een procedure aangespannen tegen een verzekerde wegens het niet betalen van het eigen risico van €64,48 en het niet nakomen van een betalingsregeling. Na meerdere aanmaningen en een verzoek van de budgetbeheerder om een specificatie van de vorderingen, is de vordering ter incasso overgedragen aan een gemachtigde van CZ. De verzekerde heeft de betalingsregeling niet nagekomen en niet gereageerd op de laatste aanmaning.

De rechtbank stelt vast dat de vordering onvoldoende is betwist en toewijsbaar is. CZ heeft de vordering verminderd met €105,00 wegens ontvangen betalingen, waardoor een restant van €3,70 aan hoofdsom resteert. Daarnaast is CZ gerechtigd tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €40,00, omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan.

De rechtbank veroordeelt de verzekerde tot betaling van het resterende bedrag van €3,70, vermeerderd met wettelijke rente over €64,48 vanaf 19 augustus 2025, en tot betaling van de proceskosten van in totaal €401,45. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van €3,70 plus wettelijke rente en proceskosten van €401,45.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 11868236 \ CV EXPL 25-3044
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: Schelde Bewindvoeringen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek
- de akte vermindering van eis van CZ.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
CZ vordert in de dagvaarding de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 108,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 64,48. Ook vordert CZ [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
2.2.
CZ heeft gesteld dat [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst bij CZ heeft afgesloten. [gedaagde] heeft een bedrag van € 64,48 wegens eigen risico niet betaald. CZ heeft [gedaagde] bij brief aangemaand tot betaling. [gedaagde] heeft niet betaald. CZ maakt om die reden ook aanspraak op € 40,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast maakt CZ aanspraak op € 4,22 wegens wettelijke rente tot 19 augustus 2025 en op de wettelijke rente na deze datum.
2.3.
[gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat de budgetbeheerder de gemachtigde van CZ heeft aangeschreven met het verzoek om een actuele opgave van alle vorderingen te verstrekken. Dit heeft de gemachtigde van CZ niet gedaan. Indien de gemachtigde van CZ dit wel had gedaan had een betalingsregeling kunnen worden getroffen en had een procedure voorkomen kunnen worden.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
CZ heeft bij conclusie van repliek aangevoerd dat deze vordering enkele maanden na het verzoek van de budgetbeheerder van [gedaagde] om een actuele opgave van alle vorderingen, ter incasso aan haar gemachtigde is overgedragen. Daarna is een betalingsregeling overeengekomen met [gedaagde]. [gedaagde] is deze betalingsregeling niet nagekomen. Op de aanmaning die daarna is verstuurd naar [gedaagde], is niet gereageerd. CZ heeft daarop deze procedure aanhangig gemaakt. [gedaagde] heeft het voorgaande bij conclusie van dupliek niet betwist. De vordering is gelet hierop onvoldoende betwist en toewijsbaar.
3.2.
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. CZ heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom is een bedrag van € 40,00 toewijsbaar.
3.3.
CZ heeft haar vordering bij akte verminderd met € 105,00, omdat van [gedaagde] na het uitbrengen van de dagvaarding drie betalingen zijn ontvangen.
3.4.
De betaling van € 105,00 strekt volgens artikel 6:44 BW Pro eerst in mindering op de kosten en daarna in mindering op de verschenen rente. De betaling van € 105,00 strekt om die reden eerst in mindering op de buitengerechtelijke incassokosten en de reeds verschenen rente, waardoor er een toewijsbaar bedrag van € 3,70 aan hoofdsom resteert.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
401,45

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 3,70 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over 64,48, met ingang van 19 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 401,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.