De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 maart 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met complexe kind-eigen en medische problematiek. De minderjarige verblijft sinds enige tijd op een woongroep waar zij de noodzakelijke intensieve zorg en begeleiding ontvangt die thuis niet geboden kan worden.
De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. De vader stemde in met het verzoek, hoewel hij het moeilijk vindt zijn dochter los te laten. De moeder stemde eveneens in en bezocht de minderjarige regelmatig. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de verlenging toe te wijzen gezien de kwetsbare gezondheid en ontwikkelingsachterstand van de minderjarige.
De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De positieve ontwikkeling van de minderjarige op de woongroep en de stabilisatie van haar medische toestand rechtvaardigen voortzetting van de plaatsing. Tevens werd een contactregeling vastgesteld waarbij de vader in de even weken het weekend contact heeft en in de oneven weken één keer per vier weken, met ruimte voor overleg over schoolvakanties.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om continuïteit in de zorg en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. Het verzoek van de vader tot verdere uitbreiding van het contact is afgewezen. De rechtbank complimenteerde de ouders met hun betrokkenheid en inzet ondanks de moeilijke situatie.