Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3102

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/445779 / JE RK 26-393
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 2 Besluit gezagsregistersArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige, die reeds op 6 maart 2026 voor twee weken was ingesteld. De moeder had zonder toestemming van de rechtbank en de vader de minderjarige verhuisd naar een andere regio, wat leidde tot een toename van de reisafstand en spanningen tussen de ouders. Hierdoor ontstond onduidelijkheid over de impact op het welzijn van de minderjarige, die bovendien niet naar school gaat vanwege het ontbreken van toestemming van de vader.

Tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 bevestigden de ouders en de gecertificeerde instelling de problematiek. De moeder erkende de situatie en zocht naar stabiliteit, terwijl de vader het belang van een stabiele en vertrouwde omgeving benadrukte. De kinderrechter constateerde dat er geen nieuwe feiten waren die de eerdere spoedbeschikking zouden herroepen, maar dat de omstandigheden een verlenging van de ondertoezichtstelling rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd. De verhuizing zonder toestemming en het ontbreken van schoolbezoek vormen een risico. De spanningen tussen de ouders en de toegenomen afstand bemoeilijken de zorgregeling. Daarom is voortzetting van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de bedreiging weg te nemen en het belang van de minderjarige te waarborgen. De beschikking is gegeven door kinderrechter Dijkman en griffier Bakker-Maljers en is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 6 juni 2026 wegens ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/445779 / JE RK 26-393
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom.
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1.Het nadere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 maart 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- het door tussenkomst van mr. Nieland ontvangen e-mailbericht van de grootmoeder moederszijde;
- de ter zitting overgelegde schriftelijke verklaring van de vader.
1.2.
Op 17 maart 2026 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat (laatstgenoemde via Teams);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij spoedbeschikking van 6 maart 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt te beslissen op het verzoek zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
3.2.
De kinderrechter heeft op 6 maart 2026 deels beslist op dit verzoek. Thans is aan de orde de vraag of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn die aanleiding geven om de spoedbeschikking van 6 maart 2026 met ingang van heden te herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten de periode met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar de onderbouwing van het verzoek. Ondanks dat de rechtbank bij haar beschikking van 17 februari 2026 de moeder geen toestemming heeft verleend om met [minderjarige] en zijn [halfzusje] te verhuizen naar [woonplaats 1] , heeft zij dit toch doorgezet. Dit heeft als gevolg dat de reisafstand tussen de ouders enorm is toegenomen en dit zet druk op de zorgregeling. De Raad acht de verhuizing niet in het belang van [minderjarige] , maar het is vanwege het ontbreken van zicht onduidelijk wat de exacte impact van de verhuizing op hem is. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader acht de Raad op dit moment niet passend, omdat dit een nieuwe verhuizing voor [minderjarige] zou betekenen. De Raad is daarom van mening dat het het beste voor [minderjarige] is als de moeder zich zal vestigen in de regio Zeeland / Brabant in plaats van [woonplaats 1] . Wegens het ontbreken van de toestemming van de vader voor de inschrijving van [minderjarige] op een school in [woonplaats 1] , volgt hij op dit moment geen onderwijs. De Raad maakt zich hier ernstige zorgen om. Daarnaast zijn er zorgen over de relatie tussen de ouders. De spanningen lopen hoog op en er is tussen hen een impasse ontstaan. Het kan niet anders dan dat [minderjarige] hier last van ondervindt. Vanuit het gedwongen kader moet zicht op [minderjarige] verkregen worden en keuzes worden gemaakt die tegemoet komen aan zijn belang en behoeften.
4.2.
De moeder kan zich vinden in een ondertoezichtstelling. De huidige situatie is niet alleen te wijten aan de moeder, maar is mede gecreëerd door de vader. De moeder heeft in afwachting van een beslissing van de rechtbank ten aanzien van haar verhuizing met de kinderen tijdelijk ingewoond bij oma. Dit was geen houdbare situatie en heeft er inmiddels toe geleid dat oma niet langer achter dit verblijf kon staan. De verhuizing naar [woonplaats 1] was dus in eerste instantie niet haar wens en noodgedwongen, maar ze heeft daar nu wel stabiliteit voor haar kinderen gecreëerd. De moeder betreurt dat [minderjarige] op dit moment daar niet naar school kan. De moeder is hard op zoek naar een woning in de regio Zeeland / Brabant , maar de wachttijden zijn echter erg lang. Verder heeft de moeder momenteel geen direct contact met de vader, dit gaat via de advocaat van de vader. De omgang tussen de vader en [minderjarige] verloopt goed en volgens de afgesproken regeling.
4.3.
De vader stemt in met het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling. De moeder trekt haar eigen plan, legt de recent gegeven beslissing van de rechtbank naast zich neer en geeft aan dat haar toekomst in Groningen ligt. De vader is het hier niet mee eens. De toekomst van [minderjarige] ligt in Zeeland of Brabant . Er is op dit moment geen zicht op de situatie in [woonplaats 1] . De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer onderwijs krijgt in een voor hem vertrouwde en stabiele omgeving. Bij de vader in [woonplaats 2] is dit per direct mogelijk. Vanuit deze situatie vindt de vader het belangrijk dat [minderjarige] een goed contact kan blijven onderhouden met zijn moeder. Tot slot benoemt de vader dat partijen zich houden aan de afgesproken zorgregeling.
4.4.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. De GI benadrukt dat zij uitgaat van de bestaande situatie, in die zin dat de moeder en [minderjarige] woonachtig zijn in [woonplaats 1] . Het onderzoek naar waar [minderjarige] zal moeten wonen is aan de Raad, niet de GI. Er zijn op dit moment geen acute zorgen over de nieuwe leefomgeving van [minderjarige] behalve dat [minderjarige] nu niet naar school gaat omdat de toestemming van de andere ouder met gezag, te weten de vader, hiervoor ontbreekt.

5.De nadere beoordeling

Spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling
5.1.
Bij spoedbeslissing van 6 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Naar aanleiding daarvan constateert de kinderrechter dat zich geen nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat deze beslissing moet worden herroepen.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daarom zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen en de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de resterende duur, met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat [minderjarige] acuut en ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ondanks dat de rechtbank geen toestemming heeft verleend, heeft de moeder toch besloten om de verhuizing met [minderjarige] en zijn [halfzusje] naar [woonplaats 1] door te zetten. De verhuizing naar de andere kant van het land leidt ertoe dat er geen zicht meer is op [minderjarige] . Wel is bekend dat [minderjarige] niet naar school gaat vanwege het ontbreken van de toestemming van de vader. De situatie die thans is ontstaan baart de kinderrechter ernstige zorgen. Die situatie is ingewikkeld, nu de vader in [woonplaats 2] woont en de moeder in [woonplaats 1] . Het handelen van de moeder heeft de verstandhouding tussen ouders onder druk gezet. Daarbij komt dat door de forse toename van reistijd het contact tussen de vader en [minderjarige] wordt bemoeilijkt. Reden voor de vader om de rechtbank te verzoeken het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen. In deze omstandigheden is het naar het oordeel van de kinderrechter hard nodig dat de Raad onderzoek gaat doen naar wat de impact is van de verhuizing op [minderjarige] en welke stappen in dit kader nodig zijn. Duidelijk is dat [minderjarige] door een onrustige tijd heen gaat, waarin hij abrupt van school is gehaald en wordt blootgesteld aan een andere opvoedomgeving. Bovendien krijgt [minderjarige] , al dan niet bewust, de opgelopen spanningen tussen de ouders mee. Door de impasse die is ontstaan tussen de ouders is de situatie binnen het vrijwillig kader niet op korte termijn op te lossen.
5.4.
Voortzetting van de voorlopige ondertoezichtstelling is dus noodzakelijk om de acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te kunnen nemen alsmede om ervoor te zorgen dat er in de komende periode beslissingen in het belang van [minderjarige] worden genomen. Het resterende deel van het hiertoe strekkende verzoek zal daarom worden toegewezen tot 6 juni 2026. De kinderrechter geeft de ouders mee om goed in gesprek te blijven en het belang van [minderjarige] voorop te blijven stellen.
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst toe het restantverzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 31 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [3]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.
3.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).