Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3104

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
C/02/444832 / JE RK 26-225
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Phillips
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige met gefaseerde terugkeer naar moeder

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 17 maart 2026 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Dit besluit geldt tot 12 oktober 2026, de dag waarop de minderjarige meerderjarig wordt. De machtiging is noodzakelijk geacht vanwege de onhoudbare thuissituatie bij de moeder, gekenmerkt door trauma gerelateerd gedrag van de minderjarige, escalaties en een ernstig verstoorde ouder-kindrelatie.

De minderjarige verblijft sinds 6 februari 2026 zonder machtiging bij een woongroep van Sterk Huis. De gecertificeerde instelling verzocht om een formele machtiging, die de kinderrechter heeft toegekend. De ouders en de minderjarige zelf wensen een terugkeer naar huis, maar erkennen dat dit stapsgewijs en onder begeleiding moet gebeuren. Er is intensieve systemische gezinsbehandeling ingezet om de emotionele regulatie en het vertrouwen binnen het gezin te verbeteren.

De kinderrechter benadrukt het belang van een gefaseerde thuisplaatsing en het voortzetten van de hulpverlening. Tevens is het voorstel gedaan om een buddy aan de minderjarige te koppelen voor vertrouwelijke ondersteuning. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct kan worden uitgevoerd ondanks eventueel hoger beroep. De minderjarige is schriftelijk geïnformeerd over de beslissing en het vervolgtraject.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot meerderjarigheid met gefaseerde terugkeer naar moeder onder begeleiding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444832 / JE RK 26-225
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S.E.C. Segeren-Krijnen uit Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 30 december 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en heeft zij een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkvoorziening dan wel in een voorziening voor pleegzorg of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 december 2025.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 december 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 12 oktober 2026.
2.4.
[minderjarige] woont bij de moeder. Sinds 6 februari 2026 verblijft [minderjarige] echter – zonder de daarvoor benodigde machtiging van de kinderrechter – bij de [woongroep] , een woongroep van Sterk Huis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Tijdens het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij het liefst weer bij de moeder wenst te wonen. Daarvoor is het belangrijk dat er goede afspraken worden gemaakt, zodat het duidelijk is welke regels er gelden en waar iedereen zich aan moet houden.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] is bekend met zelfbepalend gedrag en heeft te kampen met traumatriggers. Hierdoor kunnen er (nachtelijke) escalaties plaatsvinden in de thuissituatie, waarin [minderjarige] zorgt voor een onveilige situatie voor zichzelf en voor de andere gezinsleden, waaronder haar broer en zusjes. Door de escalaties in de thuissituatie wordt het gehele gezinssysteem ontwricht en het is belangrijk dat de andere kinderen veilig kunnen blijven opgroeien. [minderjarige] verblijft daarom sinds 6 februari 2026 bij de [woongroep] . De GI ziet dat [minderjarige] meer stabiliteit laat zien in het verblijf op de woongroep en dat zij probeert de afspraken na te komen. [minderjarige] gaat naar school en heeft al zo’n drie maanden een bijbaantje. De komende periode zal worden onderzocht of [minderjarige] (met begeleiding en stapsgewijs) weer bij de moeder kan gaan wonen. Dit is de wens van de vader, de moeder en [minderjarige] . In de thuissituatie bij de moeder is hulpverlening betrokken, in de vorm van intensieve systemische gezinsbehandeling. De moeder en de vader werken goed mee aan de hulpverlening en er is een prettige samenwerking. Voor het verantwoord realiseren van een thuisplaatsing is het nodig dat de behandeling vanuit [hulpverlening] wordt voortgezet, zodat [minderjarige] kan worden ondersteund in haar trauma en haar emotieregulatie wordt verbeterd. Ook is het herstellen van het vertrouwen vanuit [minderjarige] in de ouders en vanuit de ouders in [minderjarige] een belangrijk proces dat nog vorm moet krijgen. Het was de wens van [minderjarige] om tijdelijk geen contact te hebben met de ouders. De emoties stonden op dat moment in de weg aan het voeren van een constructief gesprek. Inmiddels zal er op korte termijn contactherstel plaatsvinden.
4.3.
Door en namens de moeder is ingestemd met de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , waarbij de komende periode zal worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder met duidelijke afspraken. De moeder wenst dat [minderjarige] weer thuis komt wonen, maar ziet in dat dit voor nu een te grote stap is. In de thuissituatie is er veel gebeurd. Het verblijf van [minderjarige] bij de moeder is onhoudbaar geworden en ook de opvang bij de vader en binnen het netwerk is misgelopen. Het verblijf van [minderjarige] op de woongroep is daarom voor nu de enige optie. Mede gelet op het feit dat [minderjarige] in oktober 2026 al achttien jaar wordt, is het belangrijk dat er zo spoedig mogelijk passende hulpverlening wordt ingezet, zodat er kan worden gewerkt naar een thuisplaatsing al dan niet onder voorwaarden. De grootste zorg van de moeder is daarbij gelegen in het contact dat [minderjarige] heeft met haar vrienden. De mensen met wie [minderjarige] omgaat hebben een grote invloed op haar en [minderjarige] laat zich daarin meeslepen. Ook hier is hulpverlening voor nodig. Daarnaast vindt de moeder het belangrijk dat er op korte termijn wordt gewerkt aan contactherstel met [minderjarige] . De moeder en [minderjarige] hebben nu al zo’n twee maanden geen contact gehad. Het eerste contactmoment zal aankomend weekend plaatsvinden.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. [1] Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt.
5.3.
Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] te kampen heeft met trauma gerelateerde klachten. Zij vertoont al langere tijd zelfbepalend gedrag en er lijkt sprake te zijn van een beperkte emotieregulatie. Als gevolg daarvan was er in de thuissituatie bij de moeder sprake van structurele onveiligheid voor [minderjarige] en de andere gezinsleden. De thuissituatie bij de moeder wordt gekenmerkt door een ernstig verstoorde ouder-kindrelatie en hoogoplopende conflicten tussen de moeder en [minderjarige] . Deze dynamiek in de thuissituatie, als gevolg van het gedrag van [minderjarige] , maar ook de beperkte stress- en frustratietolerantie en een gebrek aan voorspelbaarheid en begrenzing vanuit de moeder, maakte de opvoedsituatie onhoudbaar. Ook de (tijdelijke) plaatsing bij de vader is recentelijk misgelopen, waarbij de vader heeft aangegeven dat hij de zorg voor [minderjarige] niet langer aankan en [minderjarige] uit huis heeft gezet. Het verblijfsperspectief van [minderjarige] bij de vader is daarmee feitelijk en abrupt beëindigd. Het netwerk is eveneens uitgeput en biedt geen mogelijkheden meer tot (tijdelijke) opvang van [minderjarige] .
5.4.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een plaatsing bij één van de ouders op dit moment niet tot de mogelijkheden behoord. Het stemt de kinderrechter positief dat [minderjarige] en haar ouders allemaal de intentie en wens hebben dat [minderjarige] op termijn weer thuis komt wonen bij de moeder. De kinderrechter is echter – met alle betrokkenen – van oordeel dat dit voor nu nog een brug te ver is. De plaatsing op de woongroep biedt [minderjarige] op dit moment de rust en structuur die zij nodig heeft. Ook biedt dit de mogelijkheid om toe te komen aan de benodigde behandeling. Het is belangrijk dat [minderjarige] ondersteuning krijgt op het gebied van haar trauma’s, beter leert omgaan met het reguleren van haar emoties en dat haar eigen-ik wordt versterkt. Ook voorkomt deze plaatsing verdere escalaties in de thuissituaties die niet alleen op [minderjarige] maar ook op haar broer en zusjes veel impact hebben.
5.5.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter vindt het daarbij belangrijk dat er de komende periode gefaseerd zal worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Om dit stapsgewijs te realiseren, is er voldoende tijd nodig. De verzochte termijn acht de kinderrechter daarom passend. Dit betekent echter niet dat [minderjarige] tot het einde van de verleende machtiging op de woongroep zal moeten verblijven. Dit is afhankelijk van het verloop van de hulpverlening en de stappen die kunnen worden gezet richting de thuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter geeft de GI daarnaast nog mee om op korte termijn te onderzoeken of de begeleiding van een buddy voor [minderjarige] mogelijk passend en helpend kan zijn. De kinderrechter vindt het namelijk belangrijk dat [minderjarige] bij een onafhankelijke derde in vertrouwen haar verhaal kan doen en dat zij bij deze ingrijpende gebeurtenissen in haar leven wordt ondersteund.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Brief aan [minderjarige]
5.7.
De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing, zodat het voor [minderjarige] duidelijk is wat er is besloten en wat er de komende periode gaat gebeuren. In deze brief leest [minderjarige] het volgende.
“Beste [minderjarige] ,
Op 16 maart 2026 heb ik met jou gesproken over het verzoek van jouw gezinsvoogd om jou uit huis te plaatsen op de groep waar jij nu al sinds 6 februari 2026 verblijft. Jij hebt toen verteld dat jij het liefst weer terug bij jouw moeder wil wonen met goede en duidelijke afspraken.
Op 17 maart 2026 heb ik hierover gepraat met jouw moeder, haar advocaat en jouw gezinsvoogd. Jouw vader was bij deze zitting niet aanwezig. Ik heb toen gehoord wat zij vinden van het verzoek en wat het plan is voor de komende periode. Ik heb begrepen dat jouw moeder, jouw vader en jouw gezinsvoogd graag willen dat er de komende maanden wordt gekeken of jij weer bij jouw moeder kan gaan wonen. Dit vind ik ook een goed idee, maar daar is wel wat tijd voor nodig. Hiervoor moeten eerst goede en duidelijke afspraken worden gemaakt en ik vind het belangrijk dat het wonen bij je moeder stap voor stap wordt opgebouwd, zodat dit ook goed gaat en jij en jouw moeder niet opnieuw ruzie krijgen. Daarom heb ik besloten om de machtiging tot uithuisplaatsing wel te verlenen tot jouw 18e verjaardag. Mocht jij eerder alweer op een goede manier volledig bij jouw moeder kunnen gaan wonen, dan kunnen jouw gezinsvoogd, jouw moeder, jouw vader en jij dit samen regelen.
Zoals ik tijdens ons gesprek al heb aangegeven, heb ik jouw gezinsvoogd gevraagd om te kijken of het goed voor jou is dat jij een buddy krijgt om in vertrouwen jouw verhaal bij te kunnen doen. Dit vind ik nog steeds belangrijk voor jou en ik hoop dat hier snel iemand voor gevonden wordt.
Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat er nu gaat gebeuren en ik wens je het allerbeste de komende tijd.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter”

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 17 maart 2026 tot 12 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.