Op 30 december 2024 stichtte verdachte brand bij een leegstaand bedrijfspand door met een gasbrander piepschuim aan te steken dat het pand afschermde. Hoewel verdachte niet de intentie had het pand zelf te laten afbranden, was het gevaar voor het pand voorzienbaar. Verdachte en zijn vrienden vertrokken zonder hulpdiensten te waarschuwen.
De rechtbank oordeelde dat verdachte vol opzet handelde door het piepschuim in brand te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen ontstond. De verdediging voerde aan dat verdachte geen opzet had op brandstichting, maar dit werd verworpen. De brand leidde tot het volledig uitbranden van het pand en veroorzaakte materiële schade en maatschappelijke onrust.
Verdachte was een first offender, verbleef drie dagen in voorarrest en werkte mee aan begeleidingstrajecten. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een werkstraf vanwege het lage recidiverisico. De rechtbank legde een werkstraf van 120 uur op, met een subsidiaire straf van 60 dagen jeugddetentie, waarbij de voorarresttijd in mindering werd gebracht. Een voorwaardelijke straf werd niet passend geacht gezien de omstandigheden en de positieve ontwikkeling van verdachte.