Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3138

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/439552 / FA RK 25-4568 en C/02/441503 FA RK 25-5641
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Haerkens-Wouters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 1:275 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming gecertificeerde instelling tot voogd

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 18 maart 2026 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om het ouderlijk gezag van de moeder over twee minderjarigen te beëindigen en de gecertificeerde instelling (GI) aan te wijzen als voogd. De kinderen verblijven sinds 2020 bij pleegouders en zijn sinds 2024 onder toezicht gesteld van de GI. De moeder is cognitief beperkt door een herseninfarct en niet in staat adequaat voor de kinderen te zorgen.

De Raad stelde dat de kinderen ernstige emotionele schade hebben opgelopen en behoefte hebben aan stabiliteit en duidelijkheid over hun toekomst. De moeder erkende haar onmacht en stemde in met het verzoek. Pleegouders en GI ondersteunden het verzoek en benadrukten de noodzaak van continuïteit en een neutrale voogd.

De rechtbank oordeelde dat de moeder het gezag niet misbruikte, maar onvoldoende in staat was de zorg en opvoeding te dragen binnen een aanvaardbare termijn. Gezien de langdurige verblijfssituatie bij de pleegouders en de emotionele behoeften van de kinderen, achtte de rechtbank beëindiging van het gezag passend. De voogdij werd toegewezen aan de GI om conflicten te voorkomen en de belangen van de kinderen te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de minderjarigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/439552 / FA RK 25-4568 en C/02/441503 FA RK 25-5641
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Beschikking over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.H.M. van Laarhoven te Tilburg,
[de grootouders vz] ,
grootouders vaderszijde,
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Tilburg .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1.
Het verloop van de procedures
1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
C/02/439552 FA RK 25-4568
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 augustus 2025;
  • het proces-verbaal van de zitting van 1 september 2025;
  • het bericht van mr. Van Laarhoven van 3 februari 2026;
  • het bericht van de griffier aan mr. Van laarhoven van 3 februari 2026.
C/02/441503 FA RK 25-5641
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 november 2025;
  • het bericht van de GI van 18 februari 2026.
1.2. Op de zitting van 18 februari 2026 zijn de verzoeken met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- mr. Van Laarhoven namens de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De pleegvader heeft de zitting via een Teams-verbinding bijgewoond.
De moeder, de vader en de pleegmoeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3. [minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven in een brief of in een gesprek met de kinderrechter. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
1.4. Gelet op de nauwe samenhang tussen beide verzoeken van de Raad, zijn de verzoeken gelijktijdig behandeld.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Binnen deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.2.
De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet erkend.
2.3.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds december 2020 bij de pleegouders. Sinds 18 september 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. Doordat de kinderen niet bij de ouders met gezag verbleven en een ondertoezichtstelling werd uitgesproken was het van belang om de plaatsing van de kinderen bij pleegouders te formaliseren. Bij voornoemde beschikking van 18 november 2024 heeft de kinderrechter daarom tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend, tot 18 september 2025.
2.5.
Bij beschikking van 24 juni 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/436974/FA RK 25-3269), op schrift gesteld op 27 juni 2025, heeft de kinderrechter het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geschorst en de GI belast met de voorlopige voogdij over de kinderen.
2.6.
De GI heeft zich bij brief van 27 oktober 2025 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de GI tot voogd over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun jonge leven al veel meegemaakt. Hun moeder heeft in december 2020 een herseninfarct gekregen, waaraan zij hersenletsel heeft overgehouden. Sinds die tijd verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij opa en oma vaderszijde (de pleegouders). In de zomer van 2022 is hun oudere [broer] overleden. Bij de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is een ernstige nierziekte gediagnostiseerd en hij staat inmiddels op de wachtlijst voor een niertransplantatie. Door al deze heftige gebeurtenissen hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanzienlijke schade opgelopen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De moeder is door haar cognitieve beperkingen niet meer in staat de juiste beslissingen tijdig en adequaat te nemen. Daarbij hebben de kinderen veel last van onzekerheid over hun toekomst. Bij hen speelt de angst dat zij plotseling weg moeten bij hun huidige pleegouders. Zij ervaren hierdoor veel onrust.
[minderjarige 1] heeft behoefte aan traumatherapie, waar nu door de onrust en draagkracht geen ruimte voor is. Ook zijn er bij hem zorgen over de hechting. [minderjarige 1] heeft een grote angst weg te worden gehaald bij de pleegouders en klampt zich (letterlijk) vast aan de pleegvader. Hij lijkt geaccepteerd te hebben dat hij niet bij zijn moeder kan opgroeien.
Bij [minderjarige 2] komt de benodigde traumatherapie evenmin van de grond. Ook zij heeft al langere tijd geen duidelijkheid over waar zij mag opgroeien. Zij lijkt wat minder last te hebben dan [minderjarige 1] van angst om gescheiden te worden van de pleegouders, maar ook zij hangt erg aan de pleegvader en heeft het fijn bij de pleegouders. Zij toont meer interesse in haar moeder en zou het fijn vinden om haar af en toe te zien.
De Raad meent dat het volgende moet gebeuren om de zorgen over het veilig opgroeien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben duidelijkheid over waar zij mogen opgroeien;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een veilig en voorspelbaar contact met beide ouders;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mogen vertrouwen hebben dat beslissingen over hen tijdig en weloverwogen worden gemaakt;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met volwassen zaken;
- de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verloopt positief, dit wil zeggen dat zij traumatische of nare ervaringen een plekje hebben kunnen geven.
De eerder ondertoezichtstelling is onvoldoende toereikend gebleken. Ook tijdens de ondertoezichtstelling kwamen zaken die geregeld moesten worden voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet of pas na lange tijd van de grond. De cognitieve beperkingen van de moeder zijn van dusdanige aard dat zij zich afspraken niet kan herinneren, maar ook problemen heeft met begrip oorzaak en gevolg. Dit zal niet binnen een voor de kinderen acceptabele termijn veranderen. Daarbij is de aanvaardbare termijn voor de kinderen ruimschoots verstreken gelet op het feit dat zij al vijf jaar bij de pleegouders wonen en nog steeds in onzekerheid verkeren over hun toekomstperspectief.
Het is belangrijk dat een neutrale derde partij, de GI, de belangen van de kinderen zal behartigen en keuzes voor hen zal maken. Zij is het best in staat de moeder een rol te geven in het leven van de kinderen. De Raad heeft overwogen of de WSG beter passend zou zijn gezien de problematiek van moeder, maar de Raad ziet dat de moeder na veel inzet haar wantrouwen richting de hulpverlener heeft kunnen omzetten in vertrouwen dat zij betrokken blijft bij haar kinderen. Dat is positief en waardevol. Er is sprake van een goed contact en afdoende samenwerking. Dit moet niet doorkruist worden door een verandering van een hulpverlener. Tevens is de GI van mening dat zij inmiddels goed zicht hebben op de dynamieken binnen het systeem. De Raad verzoekt derhalve het gezag van de moeder te beëindigen en de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

5.Het standpunt van belanghebbenden en informant

De moeder
5.1.
Namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij zich herkent in het rapport van de Raad, en met name ook dat wordt benadrukt dat er geen sprake is van onwil maar onmacht bij haar als het gaat om de kinderen. De moeder begrijpt het verzoek van de Raad en kan, en zal, weliswaar met veel pijn in haar moederhart, instemmen met dit verzoek van de Raad. Zij ziet in dat de kinderen niet (meer) bij haar kunnen wonen en dat het ingewikkeld voor haar is om tijdig de juiste en noodzakelijke beslissingen te nemen. Tijdens de afgelopen periode waarin de GI de tijdelijke voogdij over de kinderen had, heeft de moeder rust ervaren. Zij benadrukt wel dat het voor haar heel belangrijk is dat zij contact met de kinderen kan en mag blijven houden.
De pleegouders
5.2.
De pleegvader heeft, samengevat, naar voren gebracht dat het met de kinderen goed gaat. Sinds kort gaan zij op woensdag naar [accommodatie] . Ze gaan daar binnenkort ook om het weekend overnachten. De kinderen vinden het daar leuk. Door inzet van [accommodatie] worden enerzijds zij als pleegouders ontlast en anderzijds kunnen de kinderen hier gewoon kind zijn. Dat vindt pleegvader erg belangrijk. De pleegouders hebben, en ervaren, veel hulp en ondersteuning vanuit de GI, [hulpverlening 1] en Sterk Huis. De pleegouders zijn blij met alle hulp die zij krijgen en er is een goede samenwerking tussen alle hulpverleners en pleegouders ontstaan. Zij staan achter het verzoek van de Raad. Tenslotte hebben de pleegouders aangegeven dat zij open staan voor het contact tussen de moeder en de kinderen. Zij willen het allerbeste voor zowel de moeder als de kinderen.
De GI
5.3.
De vertegenwoordigster van de GI, in dit geval de betrokken jeugdzorgwerkster, heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat er veel hulpverlening bij het pleeggezin is betrokken. Naast de jeugdzorgwerkster zelf is ook een medewerker van [hulpverlening 1] ( [persoon 1] ) en een pleegzorgwerker van Sterk Huis ( [persoon 2] ) intensief (en nagenoeg dagelijks) bij het gezin betrokken. Dit is ook nodig. De afgelopen periode is er ook weer veel gebeurd binnen het systeem. De pleegmoeder is in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft moeten revalideren in [plaats] . Op dat moment werd de vader opgeroepen voor een niertransplantatie. Die is niet door gegaan omdat er een plekje op zijn longen werd gezien. Gelukkig bleek dit geen longkanker te zijn zoals werd gevreesd, maar de stress was wederom hoog bij alle betrokkenen. Vader staat nu opnieuw (bovenaan) op de lijst voor een niertransplantatie. Dit alles heeft ook opnieuw veel met de kinderen gedaan.
De jeugdzorgwerkster benadrukt verder nogmaals dat er binnen het systeem geen sprake is van onwil, maar van onmacht. Het is zeer positief dat de pleegouders open staan voor alle hulpverlening en dat zij deze ook aanvaarden. De jeugdzorgwerkster is nu bezig met het opstarten van het contact tussen de moeder en de kinderen. Het contact is nu nog twee maal per week, telefonisch. Het is belangrijk dat er in de toekomst een duurzame vorm van fysiek contact gaat komen, waarbij het de moeder lukt om bij de kinderen aan te sluiten en hen niet te belasten. De jeugdzorgwerkster hoopt dat er spoedig een begeleider vanuit Sterk Huis beschikbaar is om deze contacten te begeleiden.
Daarnaast is de jeugdzorgwerkster bezig met het project ‘ [project] ’. Daarbij wordt binnen het netwerk gezocht naar iemand die duurzaam iets voor de kinderen kan betekenen (een ‘ [hulpverlening 2] ’).
Tenslotte, de jeugdzorgwerkster probeert de moeder overal bij te betrekken. Zo brengt zij haar iedere eerste week van de maand op de hoogte van de laatste stand van zaken. De jeugdzorgwerkster heeft de moeder ook betrokken bij het opstarten van [accommodatie] . Het is fijn dat dit van de grond is gekomen en dat er nu vertrouwen is vanuit moeder.
De jeugdzorgwerkster heeft van alle partijen teruggekregen dat er meer rust is gekomen sinds de tijdelijke voogdij bij de GI is belegd. De GI staat volledig achter het verzoek van de Raad.
De vader
5.4.
De vader was, zo vertelde pleegvader, vanwege zijn gezondheid niet op de zitting aanwezig. Uit het rapport van de Raad blijkt dat hij bij de Raad heeft aangegeven dat hij zich kan vinden in het verzoek van de Raad.

6.De beoordeling

C/02/441503 FA RK 25-5641
6.1.
Tijdens de zitting is besproken dat het rapport van de Raad van 3 november 2025, dat is ingebracht in de procedure met procedurenummer C/02/441503 FA RK 25-5641, bedoeld is als motivering van het (kale) verzoek met procedurenummer C/02/439552 FA RK 25-4568. Alle betrokkenen hebben ermee ingestemd dat bedoeld rapport als processtuk wordt gevoegd in deze eerdere procedure.
De Raad heeft hierop het verzoek, gedaan in de procedure C/02/441503 FA RK 25-5641, ingetrokken. Nu de gronden van dat verzoek niet meer kunnen worden beoordeeld zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
C/02/439552 FA RK 25-4568
Wettelijk kader
6.2.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
Niet is gesteld of gebleken dat de moeder het gezag misbruikt. De rechtbank moet daarom beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke grondslag voor beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoals hiervoor vermeld in artikel 1:266, eerste lid, sub a BW.
6.4.
Op basis van de stukken en de zitting stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben in hun jonge leven al veel verdriet en verlieservaringen gekend en wonen al vijf jaar niet meer bij hun moeder, maar bij hun grootouders (vz), de pleegouders. Beide kinderen hebben last van verlatingsangst, hebben intensieve hulp en begeleiding nodig en ervaren voortdurend onzekerheid over hun opgroeiperspectief. De moeder heeft in 2020 een herseninfarct gehad en is hierdoor blijvend beperkt in haar mogelijkheden. Zij heeft zowel cognitieve als lichamelijke beperkingen. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de moeder haar best heeft gedaan, maar door de persoonlijke problematiek van de moeder komt uiteindelijk de noodzakelijk geachte hulp voor de kinderen niet danwel onvoldoende snel van de grond. Zij is onvoldoende in staat (gebleken) om tijdig en adequaat belangrijke beslissingen te nemen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Evenals de GI en de Raad ziet de rechtbank dat de moeder veel van de kinderen houdt en dat er bij haar geen sprake is van onwil, maar eerder van onmacht.
Daarbij vergt het (ontwikkelings)belang van de kinderen op dit moment dat, nu zij vijf jaar in het pleeggezin wonen en zich daar goed ontwikkelen, de stabiliteit en continuïteit in die opvoedingssituatie wordt gewaarborgd en dat aan de kinderen de duidelijkheid wordt gegeven dat zij samen zullen opgroeien bij de pleegouders. Een gezagsbeëindiging is daarom nu de passende maatregel.
6.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is voor de rechtbank voldoende vast komen te staan dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat een beëindiging van het gezag van de moeder in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal daarom het, overigens ook niet weersproken, verzoek van de Raad toewijzen.
Voogdij
6.6.
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
6.7.
Het is niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de voogdij te beleggen bij de pleegouders. Er is sprake van veel onrust en conflicten binnen de familie. Wanneer de pleegouders de voogdij zouden krijgen, is de kans aanzienlijk dat de spanningen en conflicten zouden verergeren en dat dit tot een verstoring zou leiden van de goede samenwerkingsrelatie die nu tussen alle betrokkenen is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het beste belegd kan worden bij de GI. Daarover zijn alle betrokkenen het overigens ook eens. Het is namelijk van belang dat een neutrale derde partij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behartigt en tijdige en adequate keuzes voor hen maakt. De GI is al intensief betrokken bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is bereid om de voogdij op zich te nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de GI zich ervoor in zal blijven spannen om (waar mogelijk) de moeder betrokken te laten blijven in het leven van de kinderen en, zoals de raad en ook de GI zelf heeft gezegd, dat de GI zal blijven kijken naar de mogelijkheden van een uitbreiding van het contact met moeder voor zover het belang van de kinderen zich hiertegen niet verzet.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
C/02/441503 FA RK 25-5641
7.1.
wijst het verzoek af.
C/02/439552 FA RK 25-4568
7.2.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 3] 1980 in [geboorteplaats] over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ;
7.3.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarigen de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg;
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.