Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3139

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/445863 / JE RK 26-403
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 1:377a BWArt. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke stopzetting contactregeling tussen vader en minderjarige wegens onveilige opvoedsituatie

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt de rechtbank om de contactregeling tussen de vader en de minderjarige tijdelijk stop te zetten, vanwege ernstige zorgen over dwang en controle door de vader, zoals beschreven in een conceptrapportage van een deskundige. De minderjarige is sinds 2021 onder toezicht gesteld van de GI en verblijft hoofdzakelijk bij de moeder.

De rechtbank stelt vast dat het contact tussen vader en kind momenteel niet in het belang van de minderjarige is, omdat de situatie te gespannen en mogelijk onveilig is. De vader oefent volgens het rapport controlerend en grensoverschrijdend gedrag uit, wat de minderjarige angstig maakt. De vader betwist de conclusies van het rapport en voelt zich onterecht veroordeeld.

De rechtbank besluit de contactregeling tijdelijk te schorsen en het recht op omgang van de vader met de minderjarige te ontzeggen, uitvoerbaar bij voorraad. De GI krijgt de regierol over het contact en kan onder professionele begeleiding het contact herstarten. De zaak wordt voortgezet bij de meervoudige kamer voor verdere behandeling na ontvangst van het definitieve rapport.

Uitkomst: De vader wordt tijdelijk het recht op omgang met de minderjarige ontzegd vanwege onveilige opvoedsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445863 / JE RK 26-403
Datum uitspraak: 3 april 2026
Nadere beschikking wijzigen van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken c.q. recht op omgang ex artikel 1:265g BW
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.

1.Het verdere procesverloop

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 11 maart 2026 van deze rechtbank en alle daarbij behorende stukken.

2.De feiten

2.1
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
Het hoofdverblijf van [minderjarige] is bij de moeder vastgesteld.
2.3
Bij beschikking van 16 mei 2023 heeft de kinderrechter de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld:
- in de even weken verblijft [minderjarige] van vrijdag uit school tot donderdag naar school bij de vader;
- voor de rest van de even weken en in de oneven weken verblijft [minderjarige] bij de moeder.
Daarnaast is een vakantie- en feestdagenverdeling opgenomen.
2.4
Sinds 25 februari 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Die maatregel is sindsdien steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 19 september 2025, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 mei 2026 en is de behandeling van het resterende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling aangehouden in afwachting van de resultaten van het na te noemen deskundigenonderzoek.
2.5
Bij beschikking van 5 september 2025 heeft de kinderrechter mr. drs. M. Vlaming verzocht onderzoek te verrichten en de in de beschikking opgenomen vragen te beantwoorden. De GI heeft op 10 maart 2026 de conceptrapportage van deskundigenonderzoek ontvangen. Dit concept is aan de rechtbank gestuurd als bijlage bij het onderhavige verzoek.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt op 10 maart 2026 met spoed, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen, in die zin dat het contact tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk stopgezet wordt en de te wijzen beschikking af te geven zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.
3.2
In de beschikking van 11 maart 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de beschikking van 16 mei 2023 gewijzigd werd en is bepaald dat de vader en [minderjarige]
voorlopig, voor de duur van twee weken, geen contact hebben met elkaar, waarbij de behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI om de
verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen aangehouden is tot de mondelinge behandeling van 18 maart 2026.
3.3
Aan de orde is dus het resterende verzoek van de GI om, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te wijzigen, in die zin dat het contact tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk stopgezet wordt.

4.De standpunten

4.1
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. In de conceptrapportage van de deskundige staat beschreven dat de vader dwang en controle uitoefent over de moeder en de kinderen. De conclusie uit de conceptrapportage heeft verstrekkende gevolgen voor de vader. De GI heeft zorgen over de spanning en boosheid die de rapportage teweegbrengt bij de vader alsmede de invloed hiervan op [minderjarige] . Het advies van de deskundige is namelijk dat de moeder de volledige verantwoordelijkheid over de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich neemt. Daarnaast maakt de GI zich zorgen over de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan richting de onderzoekster welke de vader als negatief en/of kwetsend zal ervaren. De GI maakt zich zorgen over het risico dat de vader hier boos over is/wordt en dit zal uiten richting [minderjarige] . [minderjarige] heeft reeds aangegeven bang te zijn voor de gevolgen van de uitspraken die hij heeft gedaan richting de onderzoeker en wilde daardoor ook het weekend voordat de inhoud van de conceptrapportage bekend werd al niet meer naar de vader toe. De GI wil dat het contact tussen de vader en [minderjarige] in ieder geval wordt stopgezet in afwachting van de interne bespreking van de definitieve rapportage van de deskundige. De situatie is op dit moment dermate gespannen dat de opvoedsituatie bij de vader op dit moment te onveilig is voor [minderjarige] . De GI maakt zich zorgen over toename van dwingende controle en agressie vanuit vader richting [minderjarige] . Een opschorting van de zorgregeling is nodig om tijd en ruimte in te bouwen om te onderzoeken op welke manier er sprake kan zijn van een veilige omgang tussen de vader en [minderjarige] . De GI geeft verder aan dat zij voornemens is een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen. Ook zal de GI naar aanleiding van het definitieve rapport van mevrouw Vlaming beslissen of er verder nog verzoeken aan de rechtbank worden gedaan rondom het gezag en de zorgregeling. Er dient gekeken te worden welke vorm van contact met de vader in het belang is van [minderjarige] en hoe het contact eventueel hersteld kan worden. Verder wil de GI dat in de beschikking wordt opgenomen dat de GI de regierol krijgt over het contact tussen de vader en [minderjarige] .
4.2
De vader is het niet eens met het verzoek. De vader was enorm verbaasd toen hij de conceptrapportage van mevrouw Vlaming las. Hij vond het heftig om te lezen en heeft moeite met het advies, omdat er onwaarheden in staan. Ook de opbouw van de rapportage naar de conclusie is onduidelijk. Op 6 maart 2026 kreeg de vader te horen dat [minderjarige] het weekend niet naar de vader toe zou komen. De vader heeft op 9 maart 2026 contact gezocht met de GI en op 10 maart 2026 kreeg de vader de conceptrapportage van mevrouw Vlaming binnen. De GI heeft toen aangegeven aan dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] werd stopgezet. De vader vraagt zich af hoe het nu verder gaat. Ook vraagt hij zich af hoe deze situatie is voor [minderjarige] . Hij hoopt dat [minderjarige] de situatie met een neutraal persoon kan bespreken. Het beeld dat [minderjarige] heeft van de vader kan namelijk gekleurd zijn. De vader wil graag zijn band met [minderjarige] behouden. Hij voelt zich echter al veroordeeld voordat het definitieve rapport er is. Daarnaast weet de vader niet hoe hij zijn vaderrol momenteel moet invullen. De vader geeft verder aan dat hij het advies van mevrouw Vlaming om zich te wenden tot een psychotherapeut nog niet heeft opgevolgd, maar dat hij wel van plan is om dat te doen.
4.3
De moeder stemt in met het verzoek van de GI om de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader tijdelijk stop te zetten. Toen de moeder de conceptrapportage las, was zij zenuwachtig en bang voor wat er verder zou gaan gebeuren en wat de reactie zou zijn van de vader. De moeder is opgelucht dat eindelijk wordt gezien wat al jarenlang niet werd gezien door de betrokken instanties. De conclusies van de conceptrapportage laten volgens de moeder zien waarom het de ouders telkens niet lukt om er samen uit te komen. [minderjarige] was bang voor de reactie van de vader als de vader te weten zou komen wat [minderjarige] had gezegd. [minderjarige] was opgelucht toen hij hoorde dat hij nu even niet naar de vader hoeft te gaan. Het gaat momenteel goed met [minderjarige] . De moeder heeft nooit gewild dat het contact tussen de vader en [minderjarige] zou worden stopgezet, maar [minderjarige] wil op dit moment zelf geen contact, zelfs geen belcontact. De moeder wil dat er geluisterd wordt naar [minderjarige] , dat er gekeken wordt naar de reden dat hij angstig is en dat er begeleiding komt voor [minderjarige] . Op dit moment is contact tussen de vader en [minderjarige] niet mogelijk.
4.4
De Raad adviseert om het verzoek van de GI toe te wijzen. De Raad geeft daarbij echter aan dat de conclusie vanuit het (uitgebreide) conceptrapport van mevrouw Vlaming verstrekkend is. De Raad vraagt zich af de zeer uitgebreide rapportage, die vooral uitgewerkte gesprekken bevat, de stevige conclusies kunnen dragen, met name nu de uitwerkingen van de gesprekken van de deskundige met de kinderen ontbreken. De Raad wil het definitieve rapport van mevrouw Vlaming intern voorleggen om zo tot een gedegen advies aan de rechtbank te kunnen komen. Op dit moment dient een pas op de plaats gemaakt te worden en het contact tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk stopgezet worden. Dan kan nu niet anders. Er moet echter wel zo snel mogelijk gekeken worden wat er mogelijk is in het contact tussen de vader en [minderjarige] . Ook moet worden bezien hoe beide ouders hun ouderrol kunnen invullen. Ook moet er hulp komen voor [minderjarige] , om ervoor te zorgen dat de angst bij [minderjarige] zich niet verdiept.

5.De beoordeling

Spoedbeslissing
5.1
Bij spoedbeschikking van deze rechtbank van 11 maart 2026 is de op 16 mei 2023 vastgestelde zorgregeling op verzoek van de GI gewijzigd. De kinderrechter dient nu te beoordelen of er tijdens de zitting nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 11 maart 2026 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter stelt vast dat hiervan geen sprake is.
Wettelijk kader
5.2
Ten tijde van het verzoek stond [minderjarige] onder toezicht van de GI. In artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat voor de duur van de ondertoezichtstelling de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang kan vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. De kinderrechter kan op grond van het tweede lid van artikel 1:265g BW de hiervoor genoemde beslissing wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.3
De GI verzoekt de kinderrechter de contactregeling op grond van artikel 1:265g BW te wijzigen, maar feitelijk verzoekt de GI de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] tijdelijk te schorsen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4
De kinderrechter stelt voorop dat [minderjarige] en de vader, zijnde juridische ouder met gezag, in beginsel het recht toekomt om contact met elkaar te (kunnen) hebben, zodat zij over en weer onderdeel kunnen uitmaken van elkaars leven. Dat maakt dat zeer terughoudend dient te worden omgegaan met een schorsing van het recht op contact en dit is slechts mogelijk, indien het zwaarwegende belang van een kind dit vergt (artikel 1:377a tweede en derde lid en 1:253a tweede lid onder a BW).
5.5
Op grond van de overgelegde stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . In de conceptrapportage van mevrouw Vlaming komen ernstige zorgen naar voren. In het onderzoek staat beschreven dat vader dwang en controle uitoefent over moeder en de kinderen. De deskundige schrijft:
“De dwingende controle is ook direct gericht op de kinderen. Vader beperkt zijn kinderen bijvoorbeeld om met anderen af te spreken en controleert of zij zich aan de afspraken houden. Hij schroomt niet zijn eigen kinderen te bespieden en/of fysiek te achtervolgen en hen aan te spreken op gedrag dat hij onacceptabel acht. Vader lijkt zijn handelen, dat controlerend en grensoverschrijdend is, als een spel te zien. Hij legitimeert zijn handelen vanuit de rol van betrokken vader. De onderzoeker ziet een vader die wantrouwend is ten opzichte van zijn eigen kinderen en de moeder van zijn kinderen, die louter gericht is op bevestiging van zijn eigen gelijk en obsessief handelt om bewijs voor zijn eigen gelijk te vergaren.”.
De conclusie uit de conceptrapportage heeft verstrekkende gevolgen voor de vader. Het advies vanuit het onderzoek is namelijk dat de moeder de volledige verantwoordelijkheid over de opvoeding en verzorging van [minderjarige] moet krijgen. Er zijn zorgen over de impact van dit advies op de vader en de invloed hiervan op [minderjarige] . Ook zijn er zorgen over de reactie van de vader op de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan over de vader in het kader van dit onderzoek. [minderjarige] heeft aangegeven bang te zijn voor de gevolgen van de uitspraken die hij heeft gedaan. Daarom wilde hij, al voor het conceptrapport aan partijen werd gestuurd, niet meer naar de vader toe. Met de GI schat de kinderrechter in dat de situatie op dit moment zo spannend is voor alle betrokkenen dat omgang met de vader nu niet in het belang van [minderjarige] kan worden geacht. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling rustig gereageerd en geen reden gegeven om te denken aan acute onveiligheid voor [minderjarige] . De vader geeft aan niets te begrijpen van de conclusies van de deskundige en zich totaal niet te herkennen in het beeld dat van hem geschetst wordt. Hij heeft de conceptrapportage met anderen gedeeld om te vragen of zij hem en zijn gedrag wel herkennen in de beschrijving van de deskundige. De kinderrechter kan niet uitsluiten dat de vader op het moment dat hij contact zou hebben met [minderjarige] , ook gaat proberen met [minderjarige] hierover te praten. Hij zou [minderjarige] daarmee in een onmogelijke positie manoeuvreren. [minderjarige] heeft echter behoefte aan rust. Er moet nu geen druk op hem worden uitgeoefend. De volwassenen om hem heen moeten eerst aan de hand van de definitieve rapportage een lijn bepalen en beslissingen nemen over de toekomst, voordat [minderjarige] en de vader weer onbegeleid contact met elkaar kunnen hebben. De kinderrechter acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat het recht op contact van de vader met [minderjarige]
tijdelijkwordt ontzegd, zodat [minderjarige] niet bloot wordt gesteld aan de huidige onzekerheid en mogelijk onveilige situatie. Indien de GI het in het belang van [minderjarige] acht om over enige tijd toch weer contact te hebben met de vader, kan er - onder begeleiding van een professional -contact plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader onder regie van de GI, waarbij de aard van het contact, de frequentie en de duur van het contact door de GI zullen worden bepaald en het belang en de behoefte van [minderjarige] leidend moeten zijn. Verder acht de kinderrechter het van groot belang dat de vader het advies van mevrouw Vlaming om een BIG-geregistreerde psychotherapeut te benaderen en zich daar onder behandeling te stellen, in acht neemt.
5.6
Tijdens de zitting hebben de GI en de Raad naar voren gebracht dat zij graag intern willen overleggen over de definitieve rapportage van mevrouw Vlaming en de mogelijke gevolgen daarvan. De GI is voornemens een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen en zal naar aanleiding van het definitieve rapport mogelijk nog andere verzoeken doen ten aanzien van het gezag en de zorgregeling. De Raad wil naar aanleiding van het definitieve rapport tot een advies komen over het rapport (en de mogelijke verzoeken die nog volgen vanuit partijen en/of de GI). De kinderrechter acht het van belang om de rapportage van mevrouw Vlaming en de (juridische) gevolgen daarvan te bespreken tijdens een nadere zitting. Gelet op de omvang van de rapportage, de mogelijk verstrekkende gevolgen daarvan en de complexiteit van eventuele nadere, nog in te dienen verzoeken, acht de kinderrechter het van belang dat de meervoudige kamer van deze rechtbank zich er over zal buigen. In overleg met de belanghebbenden is de nieuwe zittingsdatum bepaald op
[datum] 2026 om [uur]bij de
meervoudige kamervan deze rechtbank (mr. Felix, mr. Van Triest en mr. Vos). De kinderrechter vindt het belang dat de ouders zich tijdens deze zitting laten bijstaan door hun advocaten.
5.7
De kinderrechter zal de beslissing om de vader tijdelijk het recht tot omgang te ontzeggen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.8
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
ontzegt de vader tijdelijk het recht op omgang met [minderjarige] ;
6.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
bepaalt dat de behandeling van deze zaak zal worden voortgezet ter zitting van [datum] 2026 om [uur] bij de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10, 4815 GW;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de GI, de moeder en de vader en de Raad;
6.5.
bepaalt dat [minderjarige] per aparte brief wordt uitgenodigd voor een kindgesprek, op een nader te bepalen dag en tijdstip voorafgaand aan de zitting;
6.6.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.