De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds november 2024 in een perspectiefbiedend pleeggezin verblijft. De moeder, belast met het ouderlijk gezag, is volledig uit contact met de GI en de minderjarige, en haar verblijfplaats is onbekend.
De minderjarige vertoont trauma-gerelateerd en hechtingsgestoord gedrag als gevolg van verwaarlozing en mishandeling in het verleden, waaronder het aantreffen van een hennepkwekerij in de woning van de moeder. De pleegouders bieden structuur, veiligheid en continuïteit, en de minderjarige maakt positieve ontwikkelingsstappen.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert verlenging van de maatregelen voor maximaal negen maanden, gezien het lopende onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel. De kinderrechter bevestigt de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en past Nederlands recht toe. Gezien de ongewijzigde bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en de zorgelijke situatie rondom de moeder, wordt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 28 december 2026.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is mondeling uitgesproken op 18 maart 2026 door kinderrechter Tempel. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.