Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:3147

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 april 2026
Zaaknummer
C/02/438824 / JE RK 25-1497 & C/02/438825 / JE RK 25-1498
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarigen in pleegzorg na escalatie omgang met moeder

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2013 en 2020, die sinds enige tijd in een pleeggezin verblijven. De moeder heeft het ouderlijk gezag, maar de omgang met de oudste minderjarige is na een incident geëscaleerd en stopgezet. De jongste minderjarige heeft nog begeleide omgang met de moeder, maar vertoont loyaliteitsconflicten en gedragsproblemen.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de gecertificeerde instelling, de moeder met advocaat en de pleegouders aanwezig. De vader van de oudste minderjarige was niet verschenen. De kinderrechter heeft de mening van de oudste minderjarige gevraagd, maar deze heeft geen gebruik gemaakt van het kindgesprek.

De gecertificeerde instelling lichtte toe dat het perspectiefonderzoek nog niet is afgerond en dat hulpverlening wordt ingezet, waaronder mogelijk traumabehandeling voor de oudste minderjarige. De pleegouders benadrukten de behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid voor de kinderen.

De kinderrechter oordeelt dat de situatie is gewijzigd sinds de vorige beschikking en dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor het welzijn van de minderjarigen. De plaatsing in het pleeggezin wordt als veilige omgeving gezien. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt verlengd tot 30 september 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/438824 / JE RK 25-1497 ( [minderjarige 1] )
C/02/438825 / JE RK 25-1498 ( [minderjarige 2] )
Datum uitspraak: 18 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende
in beide zakenaan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. I. Avontuur te Oosterhout,
FAMILIE [de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt aan als informant
in de zaak met zaaknummer C/02/438824 / JE RK 25-1497:
[de vader van minderjarige],
hierna te noemen: de vader van [minderjarige 1] ,
wonende in [woonplaats 3] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
C/02/438824 / JE RK 25-1497:
  • de in deze zaak afgegeven beschikking van 24 september 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI van 24 februari 2026, ingekomen bij de griffie op 4 maart 2026.
C/02/438825 / JE RK 25-1498:
  • de in deze zaak afgegeven beschikking van 24 september 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van de GI van 24 februari 2026, ingekomen bij de griffie op 4 maart 2026.
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft de kinderrechter de behandeling van de zaak voortgezet tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat,
  • de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
Hoewel daartoe correct opgeroepen is de vader van [minderjarige 1] niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter zet de zitting voort bij zijn afwezigheid.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter is als toehoorder bij de zitting aanwezig mevrouw [persoon] , ambulant begeleidster van de moeder vanuit [begeleiding] .
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] – via de GI – in de gelegenheid gesteld om haar mening over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).
2.2.
Bij de in deze zaak gegeven beschikkingen van 24 september 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd met ingang van 30 september 2025 tot 30 september 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 30 september 2025 tot 30 maart 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.3.
Op grond van voornoemde machtiging verblijven de minderjarigen in een pleeggezin.

3.De resterende verzoeken

Thans ligt – in beide zaken – het volgende resterende verzoek nog ter beoordeling voor.
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 30 september 2026.
3.2.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het (nadere) standpunt van de GI

4.1.
De GI heeft de kinderrechter bij brief van 24 februari 2026, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is gestart met begeleide omgang bij de moeder thuis. Op 25 november 2025 heeft hiervan een evaluatie plaatsgevonden. De omgangsbegeleiders hadden naast positieve bevindingen ook een aantal punten waar de moeder nog aan moest werken, zoals het nemen van meer regie. In de afgelopen periode is ook gezien dat [minderjarige 1] bij de pleegouders steeds meer ontevredenheid uit, en aangeeft niet meer naar de moeder te willen. Zij vertrouwt de moeder niet en neemt [minderjarige 2] daarin mee. In de komende periode moet hiervoor hulpverlening ( [hulpverlening] ) worden ingezet, echter dit kan pas als het perspectief duidelijk is.
Op 4 februari 2026 is de omgang niet goed gegaan; er is een escalatie geweest tussen [minderjarige 1] en de moeder, waarbij er een worsteling is ontstaan. [minderjarige 1] heeft sindsdien aangegeven geen omgang meer met de moeder te willen. De omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] is steeds doorgegaan, echter lijkt [minderjarige 2] loyaliteit te voelen voor de moeder en [minderjarige 1] . Op school heeft [minderjarige 2] het moeilijk. Zij vraagt negatieve aandacht en heeft veel begeleiding nodig. [minderjarige 2] is aangemeld voor dagbehandeling bij Sterk Huis om te onderzoeken wat zij nodig heeft om weer aan regulier onderwijs deel te kunnen nemen.
4.2.
Tijdens de zitting vult de GI hierop nog aan dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] is stopgezet. Alsnog besloten is dat [hulpverlening] wordt ingezet, ondanks dat het perspectief van [minderjarige 1] nog niet duidelijk is. Binnen het [hulpverlening] -traject zal worden bezien of, en in hoeverre, traumabehandeling voor [minderjarige 1] nodig is. Het [hulpverlening] -traject kan lopen binnen het perspectiefonderzoek. In het perspectiefonderzoek wordt voor de twee minderjarigen nu een aparte route gelopen, wat ook betekent dat de resultaten daarvan verschillend kunnen zijn. De GI kan niet aangeven wanneer het perspectiefonderzoek is afgerond. Zorgvuldigheid staat in het onderzoek voorop, ook als dit betekent dat het onderzoek langer duurt. De GI betreurt het dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] is misgegaan en probeert de moeder hierin te ondersteunen. Na het incident op 4 februari 2026 is de omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] weer onder begeleiding. Dit zal opnieuw worden opgebouwd, maar daarin moeten nog stappen worden gezet.
4.3.
Desgevraagd verklaart de GI dat zij geen contact meer hebben met de vader van [minderjarige 1] . Ook met [minderjarige 1] zelf heeft de vader geen contact. Het lijkt er op dat hij een stap terug heeft gedaan.

5.Het (nadere) standpunt van belanghebbenden

5.1.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij geen bezwaar heeft tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Gelet op de huidige situatie ontkomt de kinderrechter niet aan een voortzetting van de uithuisplaatsing. De moeder vindt het moeilijk dat de omgang met [minderjarige 1] is gestopt. Volgens de moeder lijkt het erop alsof [minderjarige 1] bepaalde ideeën in haar hoofd heeft waardoor zij niet bij de moeder wil komen, bijvoorbeeld dat zij graag in [woonplaats 2] naar de middelbare school wil. De moeder doet haar uiterste best om een vertrouwensband op te bouwen en om de onderlinge band te verbeteren. Echter, dit moet van twee kanten komen. Het is lastig dat [minderjarige 1] [minderjarige 2] meetrekt in haar negatieve gevoelens over de moeder. De moeder acht het positief dat het [hulpverlening] -traject toch ingezet gaat worden, ondanks dat er geen duidelijkheid is over het perspectief.
5.2.
De pleegouders brengen, samengevat, naar voren dat de minderjarigen nu twee jaar bij hen wonen. De opvoeding van de minderjarigen is pittig. Zij zijn beiden toe aan duidelijkheid rondom het perspectief. Dit blijkt uit de vragen die zij de pleegouders stellen. De minderjarigen hebben behoefte aan stabiliteit. De pleegouders beamen dat [minderjarige 1] het lastig heeft en zij [minderjarige 2] daarin meetrekt. [minderjarige 2] bevindt zich in een loyaliteitsconflict tussen de moeder en [minderjarige 1] . Zij heeft het daar moeilijk mee. Dit uit zich bijvoorbeeld in het hebben van nachtmerries en in lastig gedrag op school. [minderjarige 1] gaat inmiddels naar dagbehandeling. De pleegouders hopen dat dit haar meer rust gaat geven.

6.De beoordeling

Wat zegt de wet?
6.1.
Op grond van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
6.3.
De kinderrechter kan hier kort zijn. In de afgelopen periode is gebleken dat er een verandering heeft plaatsgevonden in de omgang tussen de moeder en de minderjarigen. In verband met een incident tijdens een omgangsmoment bij de moeder thuis, is het tussen de moeder en [minderjarige 1] geëscaleerd. De omgang tussen hen is hierna stopgezet. [minderjarige 1] en de moeder hebben op dit moment geen contact met elkaar. Het incident tussen de moeder en [minderjarige 1] heeft ook gevolgen gehad voor de omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] . De omgangsmomenten tussen hen vindt nu volledig begeleid plaats en dient weer zorgvuldig te worden opgebouwd. De kinderrechter moet hiermee constateren dat de situatie ten opzichte van de eerder in deze zaak gegeven beschikking van 24 september 2025 is gewijzigd.
6.4.
Het voorgaande maakt dat de kinderrechter niet anders kan dan de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengen voor de verzochte duur. Hun plaatsing bij de pleegouders dient gecontinueerd te worden. Dit is voor hen een veilige haven, van waaruit zij zich kunnen ontwikkelen, kunnen profiteren van hulpverlening en zij de rust vinden. Bij de moeder kunnen zij nu niet wonen. Ondertussen dient verder te worden gewerkt aan de afronding van het perspectiefonderzoek. Beide minderjarigen hebben namelijk behoefte aan duidelijkheid over waar zij mogen opgroeien. De kinderrechter begrijpt van de GI dat voor ieder van de minderjarige in het perspectiefonderzoek een aparte route wordt doorlopen. Zo is voor [minderjarige 1] de bedoeling om lopende het perspectiefonderzoek [hulpverlening] in te zetten, eventueel uitgebreid met traumabehandeling, hetgeen de kinderrechter ondersteunt.
6.5.
Hoewel de kinderrechter onderschrijft dat het perspectiefonderzoek zorgvuldig dient te gebeuren, hoopt zij dat dit onderzoek binnen de periode van de huidige ondertoezichtstelling is afgerond, zodat de minderjarigen, de moeder en de pleegouders de duidelijkheid krijgen waar zij allen behoefte aan hebben. Indien en voor zover het perspectiefonderzoek niet binnen de huidige ondertoezichtstelling is afgerond, verneemt de kinderrechter van de GI bij een eventueel in te dienen verlengingsverzoek wat ervoor nodig om tot een afronding van het perspectiefonderzoek te komen en hoeveel tijd de GI hiervoor nodig denkt te hebben.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
In beide zaken:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 maart 2026 tot 30 september 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.